
Uit Nieuw Letterkundig Magazijn 18 (2000), p. 15,
met latere wijzigingen van de auteur:
Nu, nu je leeft en zegt, mij is de dood steeds minder
ongelijk aan leven, nu in gesprek wij zijn
en in het heden niet is te zeggen hoe zonder meer;
begoocheling door niemand te weerspreken
nu weet ik hoe ik niet zal weten hoe
een heden te doorstaan dat een schimmenrijk zal zijn,
bruut en reëel, omdat ik dan terug moet roepen
jou, en hoe je zei, mij is de dood steeds meer
gaan leven; omdat ik niet vermogen zal waartoe ik ben
gedoemd je dood in leven te doen zijn.
Ik wil weer leren krom en kreupel te jongleren,
me los te rukken uit cadans, die pijn verdooft;
ik ben bevangen in scanderen loodzwaar harnas
dat geen zwier gedoogt. Het voet voor voetje moeten
wankelgaan op strakstaand koord, eronder gretig
't lege waar het vege lijf een doodsmak wacht,
heeft mij dit afgemeten schrijden bijgebracht.
Hoe lief had ik het pirouetteren
in bokkesprongen uit de maat en krolse gibbon-
capriolen, minne lovend in wier naam
de grootste bruut genâ betoont; gelovend heilig
dat elk dolen terug zou voeren naar de plek
(nu overwoekerd monument) vanwaar zo dartel,
kreupel, driest en krom 't gelukzoekspel begon
dat boven het te snel ontdekt ravijn van rouw
fatale koorddans werd van blindeman en ezelvrouw.