TNTL 116/1
Maaike Beliën
Eerste Amsterdams colloquium Nederlandse taalkunde : lezingen gehouden op 10 en 11 december 1997 / onder red. van W.G. Klooster ... [et al.]. - Amsterdam : Universiteit van Amsterdam, Leerstoelgroep Nederlandse Taalkunde, 1998. - VIII, 168 p. : ill. ; 22 cm
ISBN 90-801021-7-2 Prijs: ƒ 22,50
Naar aanleiding van het eerste Amsterdams Colloquium Nederlandse Taalkunde, dat op 10 en 11 december 1997 plaatsvond aan de Universiteit van Amsterdam, is een bundel verschenen met daarin zeven lezingen over zeer uiteenlopende onderwerpen.
Hans Broekhuis en Wim Klooster (‘Zinsnegatie en de notie numeratie: negatieve woorden en negatief polaire uitdrukkingen’, p. 1-22) geven, na een korte inleiding in het minimalistische programma en de optimaliteitstheorie, een analyse van het distributieverschil tussen negatieve constituenten en negatief polaire uitdrukkingen in het Nederlands en het Engels, zoals niemand, ook maar iemand, nobody en anybody.
Kees van Dijk (‘Het prefix ge- in het Middelnederlands’, p. 23-50) laat zien dat ge- in oudere fases van het Germaans zich morfologisch productief gedraagt, vervolgens die productiviteit verliest en optreedt in een drietal syntactische constructies, waarvan er één, het voltooid deelwoord, is overgebleven in het moderne Nederlands.
Els Elffers (‘Centraal en marginaal: Jan te Winkel als grammaticus’, p. 51-71) bespreekt een aantal uitspraken van Jan te Winkel, de tweede hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, over de synchrone Nederlandse grammatica, onder andere met betrekking tot het naamwoordelijk gezegde en het onderscheid tussen ‘begrips-’ en ‘betrekkingswoorden’.
Liliane Haegeman (‘De distributie van het negatieve morfeem en- in het Westvlaams’, p. 73-100) demonstreert de distributie van het West-Vlaamse en- en betoogt dat de realisatie van dit negatieve prefix afhankelijk is van de plaats van het finiete werkwoord.
J.M. van der Horst (‘Over de geschiedenis van de Nederlandse hulpwerkwoorden’, p. 101-119) geeft een aanzet tot een overzicht van de geschiedenis van de Nederlandse hulpwerkwoorden, waarbij een aantal interessante ontwikkelingen wordt aangestipt, zoals de keuze van hebben en zijn in de voltooide tijden, de ‘Zuid-Nederlandse doorbreking’ van de werkwoordelijke eindgroep, en de toename van te bij infinitieven.
Fritz Ponelis (‘Convergentie van het Afrikaans met het Engels’, p. 121-131) beschrijft de grootschalige invloed van het Engels op de Afrikaanse omgangstaal in Zuid-Afrika en signaleert dat het informele Afrikaans een mengtaal aan het worden is.
Mark de Vries (‘De bindingstheorie: derivatie en predikatie. Over de plaats en vorm van condities op verwijswoorden in het generatieve taalmodel’, p. 133-168), tenslotte, stelt voor dat de voorwaarden op het gebruik van verwijswoorden, zoals hem, zich en zichzelf, werkzaam zijn tijdens de syntactische afleiding van een zin en dat deze voorwaarden geformuleerd kunnen worden in termen van ‘co-argumentschap’.
| MNL Homepage | TNTL |