TNTL 116/1
Bart Besamusca
Het Comburgse handschrift : Hs. Stuttgart, Württembergische Landesbibliothek, Cod. poet. et phil. 2 22 / diplomatische ed. bezorgd door Herman Brinkman en Janny Schenkel. - Hilversum : Verloren, 1997. - 2 dl. (1562 p.). : ill. ; 25 cm. - (Middeleeuwse verzamelhandschriften uit de Nederlanden, ISSN 0929-9866 ; dl. 4)
ISBN 90-6550-025-1 geb. Prijs: ƒ 137,-
In 1997 verscheen als deel IV in de reeks Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden de eerste integrale editie van het Comburgse handschrift, bezorgd door Herman Brinkman en Janny Schenkel. Toen ik de uitgave in handen kreeg, vroeg ik mij onder meer af of zij in het universitaire onderwijs bruikbaar zou zijn. Zouden studenten zich niet laten afschrikken door de omvang (1562 bladzijden, verdeeld over twee banden) en/of de tekstpresentatie (diplomatisch)? Om de proef op de som te nemen organiseerde ik in de maanden mei en juni 1999 onder de titel ‘Verborgen schatten?’ een doctoraalcollege over de korte teksten in het Comburgse handschrift. De ervaringen die tijdens het college met de editie opgedaan werden, heb ik in deze bespreking verwerkt.
De uitgave opent met een omvangrijke inleiding (p. 9-96), waarin na een korte karakteristiek van het handschrift de geschiedenis van het onderzoek geschetst wordt en de codex beschreven wordt. Het handschrift is een convoluut (en hoort dus strikt genomen niet thuis in de reeks; laten we de projectcommissie evenwel dankbaar zijn dat men zich niet rigide heeft opgesteld). Het bestaat uit zes zelfstandige delen, die aan het einde van de veertiende eeuw en in de eerste decennia van de vijftiende eeuw door meerdere kopiisten afgeschreven zijn. Het convoluut is geen resultaat van een vooropgezet plan, maar sommige kopiisten, die vermoedelijk in Gent werkzaam waren, hebben wel samengewerkt. Zo hebben hand A, die handschrift I gekopieerd heeft, en hand E, die handschrift IV en een deel van handschrift V vervaardigd heeft, gedeelten van handschrift VI voor hun rekening genomen. De afzonderlijke eenheden werden omstreeks 1540 voor het eerst in een band samengebonden. Het convoluut werd waarschijnlijk in 1543 gekocht door Erasmus Neustetter tijdens zijn verblijf in de Zuidelijke Nederlanden.
De editeurs verdienen alle lof voor hun inleiding. Ik deel het oordeel van de deelnemers aan het college dat zij een ingewikkelde en technische, maar evenzeer goed gestructureerde, helder geschreven en informatieve uiteenzetting voorgeschoteld kregen. In samenhang met het Comburg-nummer van Queeste (jaargang 5, 1998, afl. 2) bood de inleiding de studenten naar hun en mijn mening voldoende basis om een eigen onderzoek te beginnen. Drie artikelen in het tijdschrift bleken in het bijzonder bruikbaar te zijn. De bijdrage van Brinkman over de Gentse boekproductie rond 1400 en de eropvolgende decennia (p. 98-113) en het artikel van Schenkel over de vraag of de tekstencollectie in het Comburgse handschrift een samenhangend geheel vormt (p. 114-156), hadden een inspirerende werking. De bijdrage van Jos Biemans over de status van hand I als een kopiist/corrector of als de eerste bezitter en opdrachtgever van enkele delen van het Comburgse handschrift (p. 160-171) leerde dat juist ook een geslaagde inleiding stof tot discussie oplevert.
Het onderzoek van de deelnemers aan het college concentreerde zich op de handschriften IV (een regelmatig opgebouwde codex, geschreven door kopiist E, met twaalf teksten) en V (een onregelmatige codex, door kopiist F opgezet als Leken spiegel-handschrift -- een selectie uit Boek II en III -- en door kopiist E uitgebreid met 21 korte teksten). Men hield zich zowel bezig met enkele afzonderlijke teksten, zoals de legenden in handschrift IV en Van begrijpe en Van den gheesteliken boemghaerde in handschrift V, als met de inhoudelijke samenhang van de delen IV en V. Volgens Schenkel schreef kopiist E niet met een vooropgezette bedoeling: ‘zijn collectie maakt sterk de indruk gestoeld te zijn op willekeur; ofwel omdat zijn legger ook al deze inhoud had [...] ofwel omdat hij gewoon alles opschreef wat binnen handbereik kwam’ (p. 128). Aangespoord door Schenkels opmerking dat de handelwijze van kopiist E meer aandacht verdient (p. 127), beet men de tanden stuk op de vraag of haar oordeel kon worden bijgevallen.
Opvallend was dat de deelnemers aan het college niet erg happig waren om grotere tekstgedeelten in hun onderzoek te betrekken. Hier wreekt zich naast het Utrechtse systeem van korte onderwijsonderdelen toch ook de tekstpresentatie. Het is voor studenten nu eenmaal niet eenvoudig om een diplomatische uitgave te lezen. Bovendien werden de onderzoeksmogelijkheden danig beperkt door de afwezigheid van een electronische versie van de editie. In een tijd waarin de cd-roms zich op de werktafels van wetenschappers opstapelen (men denke aan de cd-rom Middelnederlands, met daarop het MNW, het Corpus Gysseling I en II, en uit de periode 1250-1550 zo’n 200 versteksten en 90 prozateksten!), is dat een bijna pijnlijke tekortkoming, die op korte termijn verholpen moet worden.
Er kan geen twijfel over bestaan dat Brinkman en Schenkel de neerlandistiek een grote dienst bewezen hebben. Hun integrale uitgave van een van de belangrijkste handschriften met Middelnederlandse teksten is een mijlpaal in de studie van de Middelnederlandse letterkunde. De uiterlijke verzorging van de editie weerspiegelt op gelukkige wijze het inhoudelijke belang ervan.
| MNL Homepage | TNTL |