TNTL 116/1
Veerle Fraeters
Das Buch der Visionen / Hadewijch. - Stuttgart-Bad Cannstatt: Fromann-Holzboog, 1998. - 2 dln. : 212 + 294 p. ; 24 cm. - ( Mystik in Geschichte und Gegenwart. Texte und Untersuchungen. Abteilung I Christliche Mystik ; 12-13)
Teil I: Einleitung, Text und Übersetzung / von Gerald Hofmann.
Teil II: Kommentar / von Gerald Hofmann .
ISBN 3-7728-1863-3 Prijs: DM 48,-
Vlak voor dit millennium sluit, staan de Visioenen van Hadewijch weer volop in de belangstelling. In 1996 verscheen bij Prometheus in de reeks Nederlandse Klassieken een editie met commentaar (door Frank Willaert) en modern Nederlandse vertaling (door Imme Dros) met als doelstelling deze mooie maar moeilijke teksten toegankelijk te maken voor een breed publiek. Eén jaar voor het verschijnen van dit boek, in 1995, promoveerde Gerald Hofmann onder leiding van Ernst Hellgarth aan de Ludwig-Maximilians-Universität in München op een editie met Duitse vertaling en commentaar van Hadewijchs Buch der Visionen. De geredigeerde -- maar niet geupdate: bovenvermelde editie Willaert werd door Hofmann niet verwerkt -- versie van zijn proefschrift verschijnt nu als Band 12 in de prestigieuze reeks Mystik in Geschichte und Gegenwart. De onstaansgeschiedenis en het publicatiekanaal geven aan dat de doelstelling van dit boek een heel andere is dan die van de editie Willaert: Hofmanns tweedelige boek is voer voor specialisten.
Deel 1 vat aan met een korte inleiding waarop ik straks terugkom en bevat daarnaast de Middelnederlandse tekst van de Visioenen met een Duitse vertaling. Wat de editie betreft heeft Hofmann bescheiden ambities. Hij laat de standaarduitgave van Van Mierlo in zijn recht: voor de veertien Visioenen neemt hij haar over, voor de Lijst der Volmaakten vult hij haar aan door het in 1963 door Reypens gesignaleerde, en dus uit de aard der zaak door Van Mierlo niet verwerkte, ms. R -- dat (enkel) de Lijst bevat -- diplomatisch uit te geven, waarbij hij de verschillen met de editie Van Mierlo signaleert. Met zijn nieuwe Duitse vertaling -- de vertaling van Plassmann uit 1923 is niet meer in de handel verkrijgbaar -- zegt Hofmann een hernieuwde belangstelling voor het werk van Hadewijch op te willen wekken bij de Duitse literaire en theologische mediëvistiek die haar onderzoeksobject, aldus Hofmann, teveel laat bepalen door in de middeleeuwse context onbestaande taal- en staatsgrenzen.
Deel 2 bevat het commentaar bij de Visioenen en biedt, naast een overzichtelijk gelede bibliografie, een driedelige index: één op Hadewijchs werken, één op personen en één op zaken. Het pièce de résistance van Hofmanns boek is overduidelijk het kritisch commentaar. Het beslaat ruim 240 pagina’s en ambieert niet minder dan in te gaan op alle aspecten van het werk. Zelf onderscheidt Hofmann vier types van commentaar. ‘Filologisch commentaar’ levert hij bij syntactisch onduidelijke of meerduidige passages en die zijn er in de Visioenen heel wat. Na enig werk terzake van pionier Van Mierlo is geen van de Visioenen-editeurs (Mommaers, Vekeman en Willaert) nog ingegaan op de complexe en vaak anakoloetische syntaxis van de Visioenen. Hofmann legt alle variante zinsanalyses en -vertalingen naast elkaar en attendeert de lezer zo op de talige densiteit van Hadewijchs Visioenen. Zijn eigen opties terzake zijn zichtbaar in zijn vertaling die in Deel 1 is opgenomen.
Hofmann biedt verder een uitgebreid ‘Hadewijchcommentaar’: woorden, zinnen en gedachten uit de Visioenen worden verhelderd door ze te confronteren met passages uit Hadewijchs hele literaire œuvre. Gezien het onsystematische karakter van Hadewijchs mystiek, blijft dit een zeer vruchtbare methode om vat te krijgen op haar gedachtengoed. Het is een methode die ook door Van Mierlo en Mommaers in hun editie van de Visioenen en door Spaapen in zijn studie over het vijfde Visioen met succes werd toegepast. De afwezigheid van een expliciete systematisering is volgens Hofmann een bewuste keuze van de mystica. Precies daardoor fungeert het trachten te doorgronden van haar teksten voor het geïntendeerde publiek als een mystiek leerproces. Hofmann noemt, in navolging van Wilhelm Breuer, Hadewijchs œuvre in deze zin ‘hermetisch’.
Onder de noemer ‘historisch commentaar’ vat Hofmann drie types commentaar. Zich baserend op de verworvenheden van het Hadewijch-onderzoek terzake signaleert hij de bekende bronnen: de bijbel -- Hofmann vermeerdert de bijbelcitaten die Columba Hart in het notenapparaat bij haar Engelse vertaling opnam met een derde, al betreft het over het algemeen bijbelreminiscenties en geen citaten -- Bernardus van Clairvaux, Willem van Saint-Thierry en Richard van Saint-Victor. Met Jo Reynaerts studie De beeldspraak van Hadewijch als vertrekpunt, verankert Hofmann voorts zoveel mogelijk beelden en concepten uit de Visioenen in de middeleeuwse literatuur, theologie, mystiek, antropologie, mystiek en ascese. Hofmann wijst ook op verwantschap met apocriefe en Byzantijnse bronnen en met de Joodse Merkaba-mystiek (bijv. de lege troon in Vis.6, 13). In de beelden die zich moeilijk laten traceren (bijv. het beeld van de trinitaire God als ‘abysse’ in Vis.11, 2-9) ligt dan Hadewijchs originaliteit. De grootste contributie van het historisch commentaar lijkt mij te liggen in de terminologische en mystieke parallellen die Hofmann -- voortbouwend op Reynaert en op De Gancks editie van Beatrijs van Nazareths Van seven manieren van minnen - aangeeft tussen Hadewijchs Visioenen enerzijds en teksten van en vitae over contemporaine vrouwen uit de regio anderzijds. De parallellen in beelden en motieven zijn opvallend (de eucharistie, de heilige Augustinus, de adelaarsymboliek, de hechte relaties tussen kringgenoten, ...) en Hadewijch wordt zo, mét haar eigenheid, meer dan ooit verankerd in de context van de dertiende-eeuwse mulieres religiosae.
Uit het voorgaande is gebleken dat een belangrijk deel van Hofmanns commentaar is gewijd aan het bieden van een status quaestionis. Inderdaad worden ‘alle Stellen, zu deren Erhellung und Interpretation sich in der Forschung Beiträge finden, angezeigt oder mitgeteilt’ (p. 15). Daardoor functioneert dit dikke commentaargedeelte als toegang tot de twintigste-eeuwse Hadewijchforschung en vestigt het zich -- mede door de uitvoerige index -- als baken voor het onderzoek naar de Visioenen in de eenentwintigste eeuw. Het enige wat afdoet aan deze status is dat Hofmann de editie Willaert -- die, ondanks het beperkte opzet eigen aan de reeks, enige nieuwe inzichten biedt, ik wijs bijv. op de verklaring van de term heimelike in vers 3 van Visioen 1 -- niet heeft kunnen verwerken.
De sterkte van het commentaar is meteen ook de zwakte. Anders dan de commentaren van Mommaers, Vekeman en Willaert die hun lezers een coherente -- en dus selectieve -- inhoudelijke analyse en duiding bieden van elk Visioen, kan Hofmanns immense en disparate commentaar niet als leidraad fungeren om de Visioenen te begrijpen. In zijn korte slotbeschouwing bij het commentaar thematiseert Hofmann deze ‘zwakte’: ‘Indem das Kunstwerk in seiner Ganzheit die realistischen Möglichkeiten des Zeilenkommentars als einer hermeneutischen Methode übersteigt, wird eben durch die bewusste Erfahrung der eigenen Begrenztheit die tatsächliche Dimension des Werks jenseits der Grenzen des punktuellen Erklärens und Analysierens spürbar und sichtbar’ (p. 243). Ondanks deze schroomvolle houding, heeft ook Hofmann de intellectuele inspanning geleverd om een eigen perspectief op het Visioenenboek te ontwikkelen. De vluchtlijnen daarvan tekent hij uit in de Inleiding (Deel I, p. 21-41) waaruit ik hier die elementen signaleer die mijns inziens een contributie betekenen voor het onderzoek.
Hofmann gaat in op twee onderwerpen die de specialisten -- getuige daarvan Warnars recensie van de editie Willaert in TNTL 104 -- blijven bezighouden: de verhouding in de Visioenen tussen authenticiteit en topicaliteit en tussen autorisering en didactiek. Beide vragen worden behandeld onder het kopje ‘intentie en visionaire retoriek’. Ik kan de argumentatie van Hofmann hier niet in extenso weergeven. Als focus op het probleem neemt hij de opvallende rol die het geïntendeerde publiek speelt in de Visioenen van Hadewijch. Met name in de Visioenen 1, 5, 8, 10 en 13 wordt Hadewijch door de hemelbewoners die ze ontmoet aangeproken op de ‘heilsvermittelnde Funktion’ (Hofmann p. 27) die ze heeft voor de ‘dode sondere’ (Vis.10, r. 47, de term refereert naar hen die een mystieke roeping hebben maar nog ver van God verwijderd zijn). De andere rode draad die door het Visioenenboek loopt, nl. Hadewijchs (moeizame) integratie van Gods wil waardoor zij ‘met God haat en met Hem bemint’, is met de eerste verweven: slechts wanneer die integratie is voltooid, is zij godgelijk en kan zij een weg voor anderen worden. De boodschap van het Visioenenboek aan de geadresseerde vriendin -- en mét haar ook aan de overige kringgenoten die toegang tot het Visioenenboek hebben gehad -- is duidelijk: voor haar persoonlijke verlossing moet/kan zij de door God gesanctioneerde weg van Hadewijch volgen.
Een relatief groot deel van de korte inleiding besteedt Hofmann aan een bespreking van het -- inhoudelijk en structureel van de overige Visioenen afwijkende -- veertiende Visioen. Sinds Van Mierlo wordt het als een ‘aanvulling’ (zie bijv. Willaert 1996, p. 207) beschouwd op het dertiende Visioen, dat zo met zijn beschrijving van de opname van Hadewijch in de ‘nieuwe hemel [der serafijnen]’ en van haar sanctionering als ‘moeder der minnen’ het hoogste punt van het Visioenenboek blijft. In een mijns inziens nodeloos polemisch betoog -- Hofmann lijkt me lijnen die al door eerdere onderzoekers, en het duidelijkst door Kurt Ruh in deel 2 van zijn Geschichte der abendländische Mystik, zijn uitgezet, tot hun uiterste consequentie door te trekken -- stelt Hofmann dat de ‘nieuwe troon’ van Visioen 14 (r.7) een nog hogere plek is dan de ‘nieuwe hemel’ van Visioen 13 (r.13) en geen andere metafoor ervoor. Refererend aan verschillende visioenen waarvan sommige in het Visioenenboek zijn opgenomen en andere niet, vertelt Hadewijch de geadresseerde(n) in Visioen 14 dat het volle mystieke leven zich niet afspeelt op de hemelse Bühne die de achtergrond vormde van de Visioenen 1 tot en met 13, maar op aarde. Daar, op aarde, vallen voor Hadewijch ‘lijden’ en ‘leiden’ samen: ‘lijden’ als ontbreken van het gelukzalige gebruken dat zij in Visioen 13 in zijn meest intense vorm heeft geproefd, en ‘leiden’ als het leiden van de nog onvolwassen minnaressen van God. Visioen 14 is dan een mystagogisch slotakkoord waarin Hadewijch haar vriendin(nen) de illusie ontneemt dat de gelukzalige eenheidservaring het hoogste mystieke goed is, en haar tegelijkertijd bevestigt dat zij, Hadewijch, er altijd voor haar zal zijn als spirituele gids.
Net zo zal de editie Hofmann zich -- in de eerste plaats door de status quaestionis, maar daarnaast ook door de vele voorzetten voor verdere studie die ze biedt -- vestigen als onmisbaar referentiewerk voor elkeen die onderzoek verricht, niet alleen naar de Visioenen, maar ook naar Hadewijchs overige werken en naar de dertiende-eeuwse vrouwenmystiek. Op het vlak van de mystiek leverde de germanistiek de medioneerlandistiek al eerder mooie diensten (ik denk bv. aan Kurt Ruh en Peter Dinzelbacher). Hofmann doet het weer.
| MNL Homepage | TNTL |