TNTL 116/1
Ingrid Glorie
Muzentempels : multidisciplinaire kunstkringen in Nederland tussen 1880 en 1914 / A.B.G.M. van Kalmthout. - Hilversum : Verloren, 1998. - 776 p. : ill. ; 24 cm
Ook verschenen als proefschrift Universiteit van Amsterdam
ISBN 90-6550-591-1 Prijs: ƒ 144,-
Beide citaten zijn overgenomen uit het monumentale proefschrift Muzentempels. Multidisciplinaire kunstkringen in Nederland tussen 1880 en 1914 van A.B.G.M. van Kalmthout. Sinds het optreden van de Tachtigers, betoogt Van Kalmthout in zijn slotbeschouwing bij deze vuistdikke studie, overheerst in de Nederlandse literatuur- en kunstbeschouwing het romantische beeld van de kunstenaar als ‘een uitzonderlijke figuur die zich als solitair wezen distantieert van de gemeenschap, een krachtige persoonlijkheid die in eenzaamheid zijn eigen waarheid zoekt en zijn eigen normen bepaalt, geen genoegen nemend met de gemakkelijke waarheden en conventies van de massa. Tot een geregeld maatschappelijk leven is hij niet in staat, zelfs al zou hij dat willen’ (p. 660-661).
Wat de Tachtigers betreft, komt deze voorstelling niet overeen met de toenmalige werkelijkheid. De Nieuwe Gids-generatie kenmerkte zich juist door onderlinge vriendschap en hechte sociale contacten en daarnaast lonkte de geborgenheid van het verenigingsleven. (Na 1895 lijken de hoogtijdagen van het zuivere individualisme trouwens voorbij en ruimt de hoogstpersoonlijke sensatie het veld voor een bredere, door socialisme, katholicisme of Middeleeuwse mystiek ingegeven gemeenschapsgeest). Terugkijkend moet de toch vaak voor een verstokte individualist versleten Lodewijk van Deyssel, bijvoorbeeld, in 1936 vaststellen dat hij voorzitter is of is geweest van meer dan zestig verenigingen, commissies en congressen!
In Muzentempels onderzoekt Van Kalmthout de rol die een bepaalde vorm van kunstzinnige sociabiliteit, de multidisciplinaire kunstkring, heeft gespeeld in het sociale en culturele leven van de jaren 1880-1914. Onder ‘multidisciplinaire kunstkring’ verstaat Van Kalmthout verenigingen van kunstenaars en kunstliefhebbers waarin de vier belangrijkste kunstvormen: muziek, literatuur, toneel en beeldende kunst, in principe gelijkelijk aan bod kwamen. Volgens Van Kalmthout bestonden er in de door hem bestudeerde periode minstens dertig van zulke verenigingen.
Voor zijn studie, die aansluit bij het sinds een tiental jaren in opkomst zijnde onderzoek naar rederijkerskamers en andere ‘monodisciplinaire’ kunstgenootschappen, baseerde Van Kalmthout zich op een schat aan archiefmateriaal, verslagen in de contemporaine dag- en weekbladpers en andere eigentijdse publicaties met betrekking tot het kunstzinnige verenigingsleven. Al deze bronnen werden gescreend op informatie over mogelijke voorlopers en verwante organisaties, oprichting, doelstellingen en idealen, formele regelingen, organisatie, lidmaatschap, werkzaamheden (uitgesplitst naar de verschillende disciplines) en externe betrekkingen (relaties met pers, overheid, kunsthandel en andere verenigingen). Na een korte theoretische inleiding (hoofdstuk 1) geeft Van Kalmthout in hoofdstuk 2 eerst een veralgemeniserend beeld van hoe het er bij zulke multidisciplinaire kunstkringen overal in den lande aan toeging. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een aantal varianten op het algemene beeld, waarvan de zogenaamde ‘volksverheffende’, de katholieke, de koloniale en de federatieve kunstkringen de belangrijkste zijn. In hoofdstuk 3 en 4 behandelt Van Kalmthout dezelfde aandachtspunten nóg eens, maar nu toegespitst op de twee meest invloedrijke voorbeelden: de Haagsche Kunstkring en de Rotterdamsche Kunstkring. Deze twee hoofdstukken, die ook als afzonderlijke studies gelezen kunnen worden, eindigen telkens met de bespreking van vier belangrijke evenementen uit de geschiedenis van de behandelde kunstkring. In hoofdstuk 5 komt de auteur met zijn hierboven al even geciteerde eindbeschouwing. In de bijlagen is een overzicht van alle bekende multidisciplinaire kunstkringen in Nederland en Nederlands-Indië uit 1880-1914 opgenomen, een inventaris van leestafel en bibliotheek van de Haagsche Kunstkring, alsmede lijsten van alle werkzaamheden van de Haagse en Rotterdamse kunstkringen uit de bestudeerde periode.
Wat Van Kalmthout vooral voor ogen lijkt te hebben gestaan, is om te laten zien dat het Nederlandse culturele leven rondom 1900 niet alleen bepaald werd door een handjevol avant-gardistische kunstenaars. De multidisciplinaire kunstkringen, tenminste, werden vaak wel opgericht als een vereniging voor en door kunstenaars, maar al gauw bleek dan dat zo’n groep te klein was om te kunnen voortbestaan. Gelukkig leefde er onder de gegoede burgerij een toenemende belangstelling voor allerlei kunstuitingen en het bleek niet moeilijk om in deze kringen bekwame bestuurders te vinden, die bovendien vaak over voldoende financiële armslag beschikten om hier de nodige uren voor vrij te kunnen maken.
De plaats die de kunstlievende leden in het bestuur van de kringen gingen innemen, zou bepalend blijken voor het aanbod van de activiteiten die werden georganiseerd. Wat resulteerde, was geen belangenvereniging voor kunstenaars, maar een gezelligheidsvereniging die de interessen van de niet-kunstenaars vooropstelde. De gemiddelde kunstliefhebber wist traditionele kunstuitingen te waarderen, maar wilde eveneens op de hoogte gebracht worden van belangrijke artistieke innovaties. De betekenis van de kunstkringen ligt volgens Van Kalmthout dan ook vooral in hun mediërende functie: ‘zij behoorden tot de distributiekanalen waarlangs zowel oudere als nieuwere verschijnselen in de kunst, die in Nederland nog slechts in beperkte kring opgang maakten, bij een breder publiek geïntroduceerd konden worden en op die manier gepopulariseerd. Zo fungeerden vooral de grotere genootschappen tevens als toegangspoort tot de Nederlandse kunstwereld, met name voor Franse en Belgische kunst’ (p. 653).
Hoe deze kennismaking met vertegenwoordigers van buitenlandse avant-garde-stromingen verliep, wordt duidelijk uit de aan de bespreking van de Haagse en Rotterdamse kunstkringen toegevoegde ‘case studies’ over bezoeken van internationale koplopers als Sâr Peladan, Emile Verhaeren, August Vermeylen en Filippo Tomasso Marinetti, alsmede over de eerste Nederlandse overzichtstentoonstelling van het werk van beeldhouwer Auguste Rodin. Van Kalmthout beschrijft op grond van contemporaine brieven, krantenberichten en circulaires hoe het idee voor zo’n manifestatie ontstond, hoe het contact met de kunstenaar tot stand kwam, welke publiciteit er vantevoren aan besteed werd, hoe het evenement verliep en wat achteraf de reacties waren. Het is interessant om te vernemen welke kunstenaars van naam zo’n gelegenheid bijwoonden en welke discussies er werden losgemaakt.
Hoewel ook in de rest van dit helder geschreven boek regelmatig goedgekozen citaten en geestige anecdotes opduiken, is het vooral in de acht paragrafen over deze excentrieke buitenlanders, dat de petit histoire een kans krijgt. Vermakelijk zijn bijvoorbeeld de perikelen rond het optreden van Marinetti. Als kort voor zijn komst bekend wordt dat de Futuristen in Rome bij een vechtpartij betrokken zijn geraakt en dat ook Marinetti zelf het er niet zonder kleerscheuren van afgebracht heeft, staat er in de notulen van de Rotterdamsche Kunstkring dat het bestuur alleen nog maar hoopt ‘dat wij misschien van hun komst verschoond blijven’ (p. 642).
Muzentempels is de neerslag van een breed opgezet onderzoek naar de multidisciplinaire kunstkringen als onderdeel van de cultuurhistorische context waarin het optreden van bekende kunstenaars en het ontstaan van individuele kunstwerken gezien moet worden. Dat betekent dat die kunstenaars en hun werk zelf weinig reliëf krijgen. Ook de interdisciplinaire aanpak, waarbij de verschillende kunstvormen in principe in gelijke mate aan de orde worden gesteld, staat de diepte-analyse van één enkel kunstwerk in de weg. Wel worden er verschillende interessante tendensen aangestipt, zoals het verdwijnen van het dilettantisme in de kunst, de professionalisering van de voordrachtskunst en de daarmee samenhangende populariteit van de monoloog en, in de paragraaf over de koloniale kunstkringen die in Nederlands-Indië van de grond werden getild, de (noodgedwongen) waardering voor inheemse kunst.
Maar het is Van Kalmthouts grote verdienste, dat hij, voor wat de multidisciplinaire kunstkringen betreft, de achterkant van het tapijt zichtbaar heeft gemaakt. Vrijwel elke kunstenaar van naam die tussen 1880 en 1914 actief was, wordt in het voorbijgaan wel één of meerdere malen genoemd. Maar bijna net zo belangrijk voor het culturele leven in die periode waren enkele inmiddels in vergetelheid geraakte kunstenaars en vooral zekere leden van de gegoede burgerij die volgens Van Kalmthout ‘als bemiddelaars in de wereld van kunst en letteren’ eveneens afzonderlijke bestudering verdienen (p. 656).
| MNL Homepage | TNTL |