TNTL 116/1
J.A. van Leuvensteijn
Vervoegde voegwoorden : lezingen gehouden tijdens het Dialectsymposion 1994 / onder red. van E. Hoekstra en C. Smits. - Amsterdam : P.J. Meertens-Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde, 1997. - 145 p. ; 24 cm. - (Cahiers van het P.J. Meertens-Instituut, ISSN 0923-9413 ; nr. 9)
ISBN 90-70389-56-8 Prijs: ƒ 19,75
De samenhang van de bundel Vervoegde voegwoorden is bijzonder geslaagd te noemen. In zes bijdragen krijgt de lezer een goed beeld van het verschijnsel dat voegwoorden in bepaalde dialecten een uitgang krijgen. Een Hollands voorbeeld: ‘de meide gaan uit azze ze zin hebbe’ (p. 9).
In het inleidend woord tot het symposium, ‘Weg van de standaardtaal’, breekt Van Marle terecht een lans voor de niet-prestige varianten. Hierin wijst hij er onder andere op dat deze natuurlijker zijn dan de standaardtalen, die immers op de scholen onderwezen worden en in directe interactie met de schrijftaal staan. Het gehoor van dialectologen zal hiermee hebben ingestemd.
Eric Hoekstra en Caroline Smits bieden in ‘Vervoegde voegwoorden in de Nederlandse dialecten’ een beeld van de geografische spreiding. Deze voegwoorden komen voor in het westen langs de kust en in het oosten vanaf Friesland en Groningen tot in Limburg. Ze ontbreken in Utrecht, Noord-Brabant, delen van Gelderland en in de Belgische provincies Antwerpen en Brabant.
In de behandeling van eerder onderzoek van de vervoegde voegwoorden komen Eric Hoekstra en Caroline Smits tot de volgende aanvulling op Van Haeringens beschouwing van het verschijnsel: ‘voegwoordcongruentie treedt alleen op wanneer de agreementuitgang van het werkwoord in inversie in o.t.t. en o.v.t. identiek is’ (p. 28). Er zijn echter ook dialecten met voegwoordcongruentie waarin ‘in de o.v.t. niet steeds een agreementuitgang op het werkwoord zit’ (p. 28; de kwaliteit van dit Nederlands laat ik voor rekening van de auteurs.). Dat brengt m.i. met zich mee dat de o.t.t. = o.v.t.-generalisatie een voldoende, maar niet een noodzakelijke eis is voor het optreden van voegwoordvervoeging. De auteurs draaien voldoende en noodzakelijk echter om. Een oplossing voor alle gevallen biedt deze overigens grondige bijdrage niet.
Georges de Schutter behandelt de ‘Incorporatie-in-C in de Vlaamse en Brabantse dialecten’. Hij plaatst de voegwoordcongruentie in een ruime context, waarbij hij uitvoerig ingaat op de reduplicatie van het subject en de agglutinatie van objectclitics. Hier tekent zich een duidelijk gradueel verschil tussen de Vlaamse en Brabantse dialecten af: in de Vlaamse ‘kon C uitgroeien tot een vluchthaven voor "losse" morfologische elementen’, terwijl in de Brabantse alleen ‘de gedeeltelijke incorporatie van zwakke subjectspronomina’ (p. 47) voorkomt. De Schutter neemt dus een samenhang tussen de drie verschijnselen aan. Naar mijn mening zou de consequentie van dit onderzoek zijn dat de vervoegde voegwoorden niet op zichzelf bestudeerd moeten worden, maar steeds als onderdeel van een onderzoek naar incorporatieverschijnselen. Ook de herkomst van de uitgang zou hieruit verklaard moeten worden.
Van de oostelijke groep dialecten krijgt het Fries in de bundel veel aandacht. Studies over andere oostelijke dialecten treffen we jammergenoeg niet in de bundel aan. Germen J. de Haan levert in ‘Voegwoordcongruentie in het Fries’ een sterke argumentatie voor een nieuwe benadering: niet de overeenkomst tussen werkwoord en voegwoord plaatst hij centraal, maar de relatie subject - voegwoord, naast de relatie subject - werkwoord. De toevoegingen -sto, -ste en -st bij Friese voegwoorden vat hij op als het flectie-element -st + het pronominaal subject do, de of ‘pro’.
In de bijdrage ‘Pro-drop, clitisering en voegwoordcongruentie in het Westgermaans’ schenkt Jarich Hoekstra aandacht aan tal van Friese dialecten, het Westvlaams, het Züritüütsch, het Beiers en nog enkele dialecten. Hij komt tot de voorzichtige conclusie dat ‘een clitiseringsaanpak van pro-drop in het Westgermaans meer perspectief biedt dan [...] de onduidelijke notie "rijke" flectie’ (p. 84).
Ton Goeman wijst op ‘De zeldzaamheid van Comp-agreement in taaltypologisch en historisch opzicht’. Twee volstrekt verschillende thema’s. Het eerste behandelt hij kort, het tweede uitvoerig. Dit laatste voert tot het verrijkte inzicht dat voegwoordcongruentie niet een jong verschijnsel is, maar reeds in vroeg-middelnederlandse dialecten in de kustgebieden voorkwam. (In noot 12 wil de auteur niet uitsluiten dat in ‘"Ende daer wort dat kint ghescuwet, dattet die priester sijn biecht niet hooren en wilde" (het kind wordt nl. verdacht van pest)’ de vorm dattet het objectsencliticum ‘het’ bevat. Mijns inziens is dat veruit de meest waarschijnlijke interpretatie.)
De bundel besluit met een voortreffelijke ‘Historiografie van het onderzoek naar voegwoordvervoeging [...]’, waarin Ton Goeman een beschouwing levert van de studies over dit onderwerp in Nederland en (beknopter) in Duitsland in de periode 1821 - 1996. De bibliografie bevat een kleine 200 nummers (!). Zo kan de lezer achteraf de andere artikelen in deze bundel een plaats in de discussie toewijzen.
Vervoegde voegwoorden is een veelzijdige en goed doordachte bundeling van tot artikel omgewerkte voordrachten over een minor subject in de taalkunde. Voor de lay-out, de keuze van het lettertype en de verdere vormgeving van de bundel verdient Ineke Meijer alle lof, zoals mij bij navraag bleek. Ten onrechte wordt zij in het boek niet bij name genoemd.
| MNL Homepage | TNTL |