TNTL 116/1

Martine Meuwese

Onsen Speghele Ystoriale in Vlaemsche : codicologisch onderzoek naar de overlevering van de Spiegel historiael van Jacob van Maerlant, Philip Utenbroeke en Lodewijk van Velthem, met een beschrijving van de handschriften en fragmenten / Jos A.A.M. Biemans. - Leuven : Peeters, 1997. - 2 dl. (548 p., [100] p. pl.). : ill. ; 30 cm -
Oorspr. verschenen (in 3 dl.) als proefschrift Universiteit Utrecht, 1995.
ISBN 90-6831-943-4 (dl. 1); ISBN 90-6831-934-5 (dl. 2) Prijs: BEF 2950

De Spiegel historiael is met zijn ongeveer 184.000 verzen de langste berijmde Middelnederlandse tekst. Deze wereldkroniek werd geschreven door drie auteurs, twee uit Vlaanderen en een uit Brabant, voor verschillende opdrachtgevers. Jacob van Maerlant schreef van circa 1283 tot omstreeks 1288 aan de bewerking van Vincent van Beauvais’ Speculum Historiale. Hij verdeelde zijn werk, dat hij opdroeg aan graaf Floris V van Holland, in vier Partieën. Maerlant voltooide dit project niet; hij sloeg de Tweede Partie over en stopte na het derde boek van de Vierde Partie. De Vlaming Philip Utenbroeke dichtte rond 1300 de nog ontbrekende Tweede Partie. De Brabantse priester Lodewijc van Velthem voltooide op verzoek van Maria van Berlaar in 1315 de Vierde Partie en voegde in 1316 op eigen initiatief nog een Vijfde Partie toe, die hij opdroeg aan Gerard van Voorne.

In de handelseditie van zijn dissertatie stelt Jos Biemans niet de tekst maar de handschriftelijke overlevering van de Spiegel historiael centraal. Onderzoek waarbij handschriften een belangrijke rol spelen dient uiteraard te beginnen bij de manuscripten zelf. Toch is het nu pas voor het eerst dat er een zo volledig mogelijk overzicht van de handschriftelijke overlevering van de Spiegel historiael wordt gegeven. Het corpus bestaat uit 9 (vrijwel) complete codices en 252 fragmenten, veelal snippers, die na vakkundige analyse worden ondergebracht in 55 handschriften. Er moeten dus minstens 64 manuscripten met de Spiegel historiael geweest zijn. Toch is de tekst niet volledig bewaard gebleven.

Het eerste deel van het boek heeft de vorm van een onderzoeksverslag dat stap voor stap weergeeft wat de gevolgde methode is en tot welke deelresultaten dat telkens leidt. Deze benadering is bijzonder waardevol, zeker voor diegenen die nog niet veel ervaring hebben met handschriftenonderzoek, en het bevordert bovendien de controleerbaarheid van het betoog. Deze opzet heeft als keerzijde dat het verhaal vrij langzaam op gang komt en, zoals Biemans zelf al opmerkt, dat het niet altijd vlot leesbaar is. Door het herhaaldelijk opmaken van een tussenbalans worden conclusies soms erg vaak herhaald. Hoewel de eigenlijke ‘resultaten’ van het onderzoek pas ter sprake komen in de laatste hoofdstukken, wordt in de daaraan voorafgaande gedeelten ook ongelofelijk veel waardevolle informatie gegeven.

In het tweede hoofdstuk behandelt Biemans de gevolgde werkwijzen met de bijbehorende moeilijkheden om de handschriften en fragmenten te inventariseren. Biemans blijkt hier een begaafd ‘detective’ die zijn speurwerk uiterst nauwgezet verricht met een grote alertheid en bekwaamheid in het vinden en herkennen van Spiegel historiael-fragmenten. Biemans ontdekte bijvoorbeeld Maerlantfragmenten die schuilgingen onder misleidende noemers en die daardoor onbekend waren bij neerlandici. Aan de hand van deze ‘nieuwe’ fragmenten kunnen enige tekstlacunes in de Spiegel historiael worden opgevuld. Verloren gewaande fragmenten uit Straatsburg werden door Biemans in Gent gevonden, aan de rechtmatige eigenaar geretourneerd, en raakten daar vervolgens bijna weer zoek omdat ze zonder signatuur in een bureaula waren verdwenen. Met fragmenten wordt nogal eens onzorgvuldig omgesprongen.

Het derde hoofdstuk stelt de fragmenten centraal. Identificatie van fragmenten was vaak mogelijk aan de hand van zwart-wit foto’s of microfilms. Een fragment dat in 1914 in de bibliotheek van Leuven verbrandde, bleek bewaard als nog goed reproduceerbare opname (het fragment is vastgezet met punaises!) op een glasnegatief. Biemans onderscheidt pure Spiegel historiael-handschriften en verzamelhandschriften waarin ook andere teksten overgeleverd zijn. Deze verzamelhandschriften bevatten wel kapittelopschriften maar niet de gangbare kapittelnummers. Aan de hand van dergelijke kennis kan vaak van kleine fragmenten nog gereconstrueerd worden tot wat voor soort handschrift ze behoord hebben.

Hoofdstuk vier is gewijd aan de verzamelhandschriften. Soms zijn excerpten uit de Spiegel historiael opgenomen in codices met Maerlants Rijmbijbel of in combinatie met teksten als de Lekenspiegel van Boendale. Florilegia gelden als een aparte categorie verzamelhandschriften. De librarius van Rooklooster selecteerde bijvoorbeeld uitspraken van klassieke auteurs en enkele kerkvaders uit de Spiegel historiael.

Het gebruik van de handschriften komt ter sprake in hoofdstuk 5. Biemans levert hier een belangrijke bijdrage aan de discussie over voorleeshandschriften door aannemelijk te maken dat Maerlant waarschijnlijk bewust doelde op divers gebruik. Maerlants tekst bevat toespelingen op zowel het zelf lezen als het voorlezen van zijn werk; het een sluit het ander niet uit. Door de buitengewone lengte van de tekst zal het voorlezen van de integrale Spiegel historiael of zelfs van een Partie niet vaak gebeurd zijn. Waarschijnlijk werden wel afgeronde onderdelen zoals een reeks kapittels over een bepaalde persoon of een bepaald onderwerp voorgelezen. Daarnaast had Maerlants wereldgeschiedenis een duidelijke functie als naslagwerk.

De datering en lokalisering van de handschriften worden behandeld in het zesde hoofdstuk. Hier wordt helder en overtuigend uiteengezet waarom een interdisciplinaire werkwijze onontbeerlijk is om een handschrift goed te kunnen plaatsen. Slechts 2 manuscripten bevatten een datering, en dat zijn dan nog ‘groeihandschriften’ waaraan lang is gewerkt. De datering kan meestal bij benadering bepaald worden door een combinatie van paleografische kenmerken (textualis of hybrida, lettervormen die ‘oude’ trekken vertonen), codicologische aspecten (watermerken of gebruik van katernsignaturen), en kunsthistorische elementen (grotesken, penwerk, gedecoreerde initialen en verluchting). Geen enkel handschrift vermeldt expliciet de plaats van vervaardiging. Aan de hand van dialectkenmerken, vooral de ‘verstoorde rijmen’, kan het materiaal globaal gelokaliseerd worden. De schilderstijl van de eventuele verluchting is ook belangrijk voor de lokalisering, zoals Biemans illustreert aan de hand van het enige daadwerkelijk verluchte handschrift van de Spiegel historiael (Hs. 1).

De kunstgeschiedenis heeft echter meer te bieden dan stijlonderzoek, en dat mis ik hier. Juist bij dit handschrift geven de iconografie (met een prominente rol voor de Vlaamse graven) en in het bijzonder de heraldiek binnen de miniaturen (Roeland die het wapen van het geslacht Gavere voert) bijzonder waardevolle informatie voor de lokalisering in Gent. Het belang van iconografie blijkt ook in de catalogus bij de omschrijving die Biemans overneemt van De Vreese. Deze omschrijft een voorstelling in een initiaal (Hs. 57) als een wezen dat half mens en half dier is ‘en een karaf met wat wijn er in, in zijn rechterhand uitsteekt naar een drolerie die likkebaardt’. Biemans oppert dat het een wildeman is omdat wildemannen veel van wijn houden. Het wezen heeft echter niets gemeen met de iconografie van een wildeman. Er is ook helemaal geen karaf met wijn afgebeeld; het is een glazen (want doorzichtig) voorwerp dat door de bolle bodem geduid moet worden als een kolf. Deze voorstelling is een variant van de artsen-iconografie: het hybride wezen is een piskijker met een urinaal en het is allerminst waarschijnlijk dat de zijn tong uitstekende draak hiervoor likkebaardt!

In het zevende hoofdstuk gaat Biemans in op de productie en receptie. Er zijn geen dertiende-eeuwse Spiegel historiael-handschriften overgeleverd. De drie oudste kopieën (ca.1300) komen uit Vlaanderen. Meer dan de helft van de handschriften werd daar vervaardigd, met name in eerste kwart van de veertiende eeuw. Biemans brengt deze omvangrijke handschriftproductie in verband met de nawerking van Guldensporenslag van 1302. Maerlants aandeel is vergeleken met dat van Utenbroeke en Velthem het best bewaard gebleven. Verrassend is dat Velthems tekst (hoewel zelf Brabander) op één handschrift na, dat een apograaf van Velthems kladtekst zou kunnen zijn, in Vlaamse afschriften is overgeleverd. De Spiegel historiael-handschriften komen vooral uit Vlaanderen, maar de verzamelcodices stammen overwegend uit Brabant. Na 1350 neemt de productie van handschriften in Vlaanderen en Brabant sterk af, maar komt dan pas op gang in Holland. Een deel van de grootschalige Vlaamse productie kan bestemd geweest zijn voor de export naar andere gewesten.

Biemans stelt dat een set handschriften van de Spiegel historiael alleen al door de omvang van het werk bijzonder kostbaar geweest moet zijn. Als bezitters zijn vooral kapitaalkrachtige burgers bekend. Slechts het voor een adellijke opdrachtgever vervaardigde Haagse handschrift (Hs. 1) is daadwerkelijk van miniaturen voorzien. Dit suggereert dat er weinig geïllustreerde Spiegel historiael handschriften bestonden; verluchte manuscripten worden immers geacht beter bewaard te blijven dan ongeïllustreerde boeken. Biemans concludeert dat het bezitters primair om de inhoud en minder om de opsmuk ging, maar er lijken mij ook andere verklaringen mogelijk. Als een ongeïllustreerde kopie van de Spiegel historiael al zo kostbaar was, moet een verlucht exemplaar helemaal onbetaalbaar geweest zijn. De meeste stedelijke opdrachtgevers hadden daar waarschijnlijk het geld niet voor. Bovendien speelt er nog de vraag: in hoeverre waren de handschriften waarvan alleen fragmenten resteren oorspronkelijk verlucht? Biemans signaleert dat de kopiist van een fragmentarisch overgeleverde Spiegel historiael (Hs. 40) ook een volledig bewaarde Rijmbijbel kopieerde (Den Haag, KB, 76 E 16). De formaten van beide handschriften en de indeling in drie kolommen komen onderling overeen. Daarmee is het verhaal voor Biemans afgedaan. Deze Rijmbijbel is echter op de openingsfolia van het Oude- en het Nieuwe Testament voorzien van illustratie, dus is het niet ondenkbaar dat het verwante Spiegel historiael-handschrift in zijn oorspronkelijke vorm ook (bescheiden) verluchting bevatte. De aanwezigheid van illustratie in een codex bood geen garantie om versnijden te voorkomen, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het Florimont-fragment te Den Bosch.

Het tweede deel van het boek bevat een gedetailleerde catalogus op de handschriften en fragmenten. De codex wordt in zijn geheel behandeld, wat lovenswaardig is, zodat ook eventuele fragmenten met andere teksten opgenomen zijn. In deze band zijn ook de registers, bibliografie en het platendeel ondergebracht. De kwaliteit van de illustraties is bijzonder goed. Voor zover mogelijk is van alle beschreven handschriften een afbeelding op ware grootte opgenomen en ook dat is prijzenswaardig. De afbeeldingen in de lopende tekst zijn zeer functioneel, alleen de tekeningen van penwerk-specimina zijn helaas weinig verhelderend. Ze zijn zo slordig getekend dat de structuur van het penwerk vaak niet meer klopt en dat het kleurcontrast van het origineel wegvalt. Biemans had er beter aan gedaan naar de foto’s met dezelfde voorbeelden in het platendeel te verwijzen.

Voor het eerst wordt de handschriftelijke overlevering van een Middelnederlands werk zo volledig in kaart gebracht en zo grondig onderzocht. Het gedegen onderzoek getuigt van geduldig speurwerk, een goed geheugen, een scherp oog voor belangrijke details en een brede visie. Regelmatig betrekt Biemans andere Middelnederlandse werken bij zijn beschouwingen. Het boek is educatief goed bruikbaar als voorbeeld voor codicologisch onderzoek van een teksttraditie, en illustreert eens te meer hoe belangrijk handschriftenkunde is voor iedereen die zich, direct of indirect, met manuscripten bezighoudt.


| MNL Homepage | TNTL |