TNTL 116/1
Els F.M. Peters
Boeken in de hofstad : Haagse boekcultuur in de Gouden Eeuw / Marika Keblusek. - [Haarlem] : Historische Vereniging Holland ; Hilversum : Verloren, 1997. - 382 p.: ill. ; 24 cm. - (Hollandse studiën, ISSN 0929-9718 ; 33)
Ook verschenen als proefschrift Rijksuniversiteit Leiden.
ISBN 90-70403-38-2 Prijs: ƒ 67,50.
De Historische Vereniging Holland heeft er goed aan gedaan het prachtige proefschrift van Marika Keblusek getiteld Boeken in de hofstad. Haagse boekcultuur in de Gouden Eeuw als deel 33 in haar reeks 'Hollandse Studiën' uit te geven.
In dit boek beantwoordt Keblusek de vraag in hoeverre het specifieke karakter van Den Haag van invloed was op de productie, distributie en consumptie van drukwerk. Door enerzijds te lacuneus bronnenmateriaal (geen bedrijfsarchieven voor onderzoek naar de boekproduktie, geen boedelinventarissen voor een analyse van het particulier boekenbezit) en anderzijds een onoverzichtelijke hoeveelheid aan mogelijk interessante bronnen moest het onderzoek voor de beantwoording van die vraag overigens wel worden ingeperkt. Daardoor bestaat de studie - behalve uit enkele inleidende hoofdstukken -- uit een aantal casussen.
Als onderzoekster heeft Keblusek nadrukkelijk gekozen voor de ‘nieuwe boekgeschiedenis’, waarbij boekproductie, distributie (handel in boeken) en consumptie (het kopen, verzamelen en lezen van boeken) in samenhang worden bestudeerd. Keblusek definieert boekcultuur in de inleiding van haar studie als ‘het boek als communicatie binnen een bepaalde groep of gemeenschap’ (p. 13). Pas in het ‘Tot Besluit’ werkt zij haar opvattingen hierover verder uit. Stedelijke boekcultuur is volgens haar namelijk de optelsom -- niet de algemene deler -- (cursivering door mij) van de verschillende manieren waarop burgers in die stad het boek als middel van communicatie gebruikten (p. 308). Daarmee wordt ook de keuze van Keblusek voor de presentatie van enkele casussen verklaard en verantwoord. De lezer moet dus geen theoretische modellen en uitgebreide kwantitatieve analyses als methode voor het zoeken naar ‘gemiddelden’ verwachten. De (boekhistorische) discussie over het begrip boekcultuur wordt niet echt gevoerd (vgl. daarentegen bijvoorbeeld de studie van Han Brouwer Lezen en schrijven in de provincie. De boeken van Zwolse boekverkopers 1777-1849, over boekcultuur in Zwolle in de negentiende eeuw). De auteur definieert weliswaar innerlijke leescultuur (het hoe en waarom van het lezen) en uiterlijke leescultuur (het wat, waar en wanneer van het lezen) (p.157), maar getuigenissen hierover zijn zeldzaam. Bovendien speelt voor haar het klassieke probleem van het nauwelijks overgeleverde gebruiksdrukwerk. Uit de analyse van honderd boedelinventarissen bleken in veertig ook boeken geregistreerd, echter voor het merendeel betrof het hier minder dan tien boeken, voornamelijk een bijbel en enkele psalmboekjes. Daardoor kiest zij voor de rol van het boek binnen verschillende groepen die samen onderdeel uitmaakten van de Haagse samenleving.
Allereerst beschrijft Keblusek in drie hoofdstukken de opkomst, ontwikkeling en organisatie van het boekbedrijf in Den Haag in de zestiende en eerste helft zeventiende eeuw. De bestuurlijke tweedeling -- het ‘dorp’ Den Haag, waar zich pas in 1517 een drukker vestigde, en het Hof van Holland en de rekenkamer, met eigen jurisdictie -- was ook bepalend voor de ontwikkeling van het boekbedrijf in Den Haag. Op het Binnenhof was de Grote Zaal (de tegenwoordige Ridderzaal) het handelscentrum: van vrije marktplaats groeide dit in het begin van de zeventiende eeuw uit tot een georganiseerde winkelgalerij. De boekverkopers die zich hier vestigden richtten zich vooral op de verkoop van het wat duurdere wetenschappelijke en juridische boek. De Zaal werd onder leiding van Louis Elzevier en zijn opvolgers een belangrijke plaats voor boekenveilingen in Holland. Aan de hand van het dagboek van de Haagse schoolmeester David Beck beschrijft Keblusek hoe Den Haag begin zeventiende eeuw door de aanwezigheid van de regeringscolleges was veranderd in een echte hofstad, waar ‘gezanten, ambassadeurs, klerken en leden van bestuurlijke colleges zich over het Binnenhof spoedden’. Toen Prins Frederik Hendrik zijn intrek nam in het stadhouderlijk kwartier op het Binnenhof ontstond een bloeiende hofcultuur.
Opvallend is de uitkomst van de analyse van het Haagse drukwerk uit die tijd. Ondanks het kapitaalkrachtige publiek werden slechts weinig luxe boeken geproduceerd; de productie van opiniërend en informerend nieuws was verreweg het belangrijkste: pamfletten, semi-officiële overheidsuitgaven en gelegenheidsdrukwerk. Het betrof vooral actueel politiek drukwerk voor niet alleen de lokale markt, maar veeleer een nationaal afzetgebied. De boekenhandel was vooral in de kramen op het Binnenhof en op de Zaal levendig: het duurdere, wetenschappelijke, antiquarische boek werd daar verkocht. In de hoofdstukken over boekenbezit/leescultuur, hofcultuur, literair leven, nieuws-en boekendiplomatie en Engelse royalisten in Den Haag beschrijft Keblusek aspecten die samen de optelsom van de Haagse zeventiende-eeuwse boekcultuur vormen. Het politieke karakter van Den Haag was zeer van invloed op het boekbedrijf. Niet alleen voor, maar juist ook door de aanwezigheid van het specifieke Haagse publiek van politici en juristen. Volksboeken en almanakken werden nauwelijks in Den Haag geproduceerd. Terwijl de hofcultuur bloeide en de paleizen fraai werden ingericht en tal van schilders kunstopdrachten kregen, was de stadhouderlijke bibliotheek vooral een gebruiksbibliotheek voor het Hof. Na analyse van de stadhouderlijke collectie kon worden geconcludeerd dat Frederik Hendrik vooral geïnteresseerd leek te zijn in historische en (Franse) literaire werken, waaronder veel toneelstukken.
Het literaire leven in Den Haag werd bepaald door toevallige factoren. De teloorgang van de oude Rederijkerskamer ‘De Corenbloem’ en de opkomst van een dichterskring ‘Ionghe Batavieren’, waarin de drukker-dichter Isaac van Burchhoorn, de schilder-dichter Adriaen van de Venne, de toneelschrijver Pieter Nootmans een hoofdrol speelden in de periode 1629-1636. Daarnaast bepaalden ambtenaren die tevens dichterlijke kwaliteiten hadden (Jacob Cats, Constantijn Huygens, Dirck Graswinckel, Willem van de Velde, Jacob Westerbaen en Cornelis Boey) het literaire leven in de hofstad. Zij waren niet naar Den Haag gekomen vanwege het literaire klimaat, maar om professionele redenen. Daaruit blijkt duidelijk dat het de min of meer toevallige aanwezigheid van verwante geesten was die het letterkundig leven van Den Haag bepaalde.
Buitengewoon boeiend is het hoofstuk ‘Makelaars in nieuws en boeken’, waarin wordt beschreven hoe diplomaat, nieuwsagent en geschiedschrijver Lieuwe van Aitzema (1600-1669) zijn activiteiten in Den Haag organiseerde en kon organiseren: de hofstad bood voldoende gelegenheid op (al dan niet illegale wijze) nieuws te vergaren, alsmede boeken te kopen op de vele veilingen en bij gerenommeerde boekhandelaren voor zijn broodheer - hertog August van Wolfenbüttel. Actueel drukwerk kocht hij vooral bij Jan Veely, boeken ook bij Anthony Tongerloo. In het archief van de Herzog August Bibliothek en in het Niedersächsiches Staatsarchiv te Wolfenbüttel wist Keblusek brieven, boekenlijsten en veilingcatalogi terug te vinden, waaruit de rol en de werkwijze van de boekenagent kon worden gereconstrueerd. Aitzema komt als nieuwsagent vooral tot leven in de bijna 400 brieven, waarin het politieke nieuws centraal stond en de bibliofiele nieuwtjes veelal in een postscriptum of in een bijlage stonden. Duidelijk blijkt ook de actieve rol die Herzog August zelf bij de collectionering heeft gespeeld. De door Aitzema voor hem gekochte boeken werden in kisten naar Hamburg verscheept.
Het uitbreken van de Engelse burgeroorlog en de terechtstelling van koning Karel I in 1649 bracht gevluchte Engelse royalisten naar de Republiek. Het Haagse Hof van Mary Stuart, de Princesse Royale, dochter van Karel I en vrouw van Willem II werd ontmoetingsplaats voor de Engelse vluchtelingen. Op advies van de Engelse predikant Thomas Browne vestigde diens broer Samuel Browne zich als boekhandelaar in Den Haag. Hij gaf royalistische vlugschriften uit in verschillende talen en ook een meer objectief nieuwsbulletin, Le Mercure Angloise. Bovendien gaf hij werken van royalistische auteurs in ballingschap uit.
Keblusek heeft een gedegen en zeer goed gedocumenteerde studie geschreven. Het boek is goed geschreven, hoewel soms wat veel van detail naar detail. De passages uit het dagboek van schoolmeester Beck geven een voortreffelijke sfeertekening van Den Haag in de zeventiende eeuw. De vraag op p. 309 noot 2 of de boekcultuur van de hofstad verschilde van die in andere Hollandse steden, heeft Keblusek in feite met haar boek zelf overtuigend beantwoord: het politieke karakter van de stad heeft nadrukkelijk de Haagse boekcultuur in de zeventiende eeuw bepaald. Geen twijfel over mogelijk dat Den Haag op dat punt uniek was in de Republiek. Dat betreft zeker ook de mogelijkheden voor de selectie en keuze van bronnemateriaal. Mede daardoor kon een dergelijke studie geschreven worden. Het is duidelijk dat de auteur de kansen heeft gegrepen en een enorme hoeveelheid werk voor deze studie heeft verzet. De bewerking van de bronnen en de verwerking van de gegevens tot dit boek dwingen respect af.
| MNL Homepage | TNTL |