TNTL 116/1
Els Ruijsendaal
Voorlopig verleden : taalkundige plaatsbepalingen, 1797 - 1960 / Jan Noordegraaf. - Münster : Nodus-Publ, 1997. - 232 S. ; 24 cm
ISBN 3-89323-276-1 Prijs: DM 69,--
Eind 1997 verscheen van Jan Noordegraaf een bundeling van lezingen en gelegenheidsbijdragen aan verschillende tijdschriften en boeken, met de bedoeling dat een aantal studies, nu zó verspreid dat het beoogde publiek er niet altijd kennis van kan nemen, de kans krijgt in een gezamenlijk kader van geschiedschrijving van de 19de-eeuwse taalkunde gepresenteerd en gelezen te worden.
Het boek opent met het inleidende ‘Vorm en geest’: de reikwijdte van deze tegenstelling beantwoordt aan de verschillende stromingen en verschijningsvormen van de 19de-eeuwse taalkunde, die Noordegraaf het liefst ziet als mogelijke bouwstoffen voor het hoofdstuk ‘taalwetenschap in Nederland in de 19de eeuw’ voor een nieuwe Geschiedenis van de Nederlandse taalkunde.
In ‘Het begin van de universitaire neerlandistiek Franeker 1790?’(p. 14-27) wordt de rol van de classicus Wassenbergh als hoogleraar Nederlands geschetst. In 1790, zeven jaar vóór Siegenbeek, wiens aantreden altijd als het startpunt van de neerlandistiek wordt gezien, vroeg Everwinus Wassenbergh (1742-1826) aan de Curatoren van de universiteit van Franeker toestemming colleges Nederlands te geven. Wassenbergh was een geschoold taalkundige, graecus en behorend tot de Schola Hemsterhusiana, de groep classici die de studie van het Grieks tot bloei heeft gebracht en internationaal aanzien genoot. Zijn colleges bewogen zich op het gebied van de welsprekendheid en de spraakkunst, voor een doelgroep van juristen en theologen. Op de universiteit werd -- ook toen al! -- een grammatica voor onderwijzers gebruikt: de Beknopte Nederduitsche Spraakkunst (1793) van Lambertus van Bolhuis. Naast de -- normatief ingestelde -- uitwerking daarvan in Wassenberghs dictaten belicht Noordegraaf ook de opvallend klassieke achtergrond van de vroege universitaire neerlandistiek.
In het artikel over ‘Een Nederlandse polyglot: J.C.W. Le Jeune. Taalkunde "voor ongeleerden"’ komen wij meer te weten over deze bijna vergeten, buiten de canons van de officiële historisch-vergelijkende taalkunde vallende, algemeen taalkundige, wiens belangstelling vele gebieden bestreek. Bekend is zijn bewerking van Adelungs Mithridates (1806-1817), waarvan vooral de 60 pagina’s tellende ‘inleiding tot de algemeene [lees: vergelijkende] taalkunde’ de aandacht trekt, omdat zij langer is geworden vanwege het aanbrengen van een Nederlandse invalshoek, die mede steunt op Weilands spraakkunst uit 1805 en woordenboek uit 1799-1811, en verder op Bilderdijk, Ypeij en Montanus. Als complement op het werk van Weiland en Siegenbeek zal Geschied- en letterkundige nasporingen [...] (1826-1837) van belang blijven voor de geschiedenis van de taalkunde en vooral de didactiek en popularisering ervan.
In ‘Adam, Babel, Bilderdijk’ (p. 42-62) wordt nader ingegaan op het taalkundige werk van Bilderdijk (1756-1831), die met zijn etymologische onderzoekingen zo zijn voor- en tegenstanders had. Interessant is vooral de hierin geschetste verhouding tussen Grimm en Bilderdijk, die van volstrekte eensgezindheid liep tot Grimms opmerking over Bilderdijks ‘grundideeen, die ich für falsch halte’ (p. 52). Om de verhouding tot Grimms uitgangspunten beter te kunnen traceren begeeft Noordegraaf zich in Bilderdijks dichtwerk. Uit deze en andere stoffen komt Bilderdijks zo genoemde ‘etymosofie’ naar voren (p. 55): een taalkunde die uiteindelijk leidt tot ‘hogere bespiegelingen’, tot een discussie over de poly- of monogenese van de talen.
In de volgende bijdrage, ‘Het woord van de dichter’, probeert Noordegraaf ‘Da Costa als taalkundige’ te beschrijven aan de hand van enkele uitspraken (p. 63-73). In een reeks ‘Voorlezingen over Nederduitsche Taal en Poëzy’ trachtte Isaac da Costa (1798-1860) de voortreffelijkheid van de ‘Hollandsche taal’ aan te tonen. Ook hij grijpt terug op op het ‘noemen’ der dieren door Adam, op de platoonse zijde van de klassieke natuur-conventiekwestie. Het lichtjes doorklinken van de toenmalige discussies maakt het materiaal ook voor niet-specialisten zeer interessant en leesbaar.
In de 18de en 19de eeuw, zo brengt Noordegraaf in ‘Over een Proeve van Woordvoeging (1843)’ (p. 74-89) naar voren, wilden geleerde genootschappen en maatschappijen nog wel eens, ter bevordering van de wetenschap, prijsvragen uitschrijven. Een van de inzendingen op een prijsvraag van de Hollandsche Maatschappij van fraaije Kunsten en Wetenschappen te Leiden (1839) betrof een inzending die het syntactische gedeelte van Weilands grammatica uit 1805 bij de tijd zou moeten brengen. De auteur werd niet bekend, want zijn inzending werd niet voorgedragen vanwege de puur vormelijke basis waarop zijn taalwaarnemeningen grammaticaal gestalte gekregen hadden.
In 1865 waren ‘Jacob van Lennep en zijn Vermakelijke Spraakkunst’ (p. 90-109) in taalkundige kringen het gesprek van de dag. Hoewel de grammatica anoniem verscheen, twijfelde niemand over de schrijver ervan. Na een beschrijving van werk en commentaar erop (onder meer in De Nederlandsche Spectator) dat van plagiaat sprake zou zijn -- iets dat Van Lennep ontkent -- neemt Noordegraaf de bronnen ervan door. Als eerste The Comic English Grammar, die Van Lennep inderdaad navolgde, en via die grammatica komen we terecht bij Lindsay Murrays English Grammar uit 1795, die de ‘legger’ ervan was. Van Lennep gebruikte ook Nederlandse bronnen en hij plagieerde zichzelf in de taalrubriek van het eerste jongenstijdschrift van Nederland, Bato, waarin letterlijk overgenomen stukken uit zijn Vermakelijke grammatica staan.
In 1891 richtten hervormers onder het motto ‘taal is klank’ het tijdschrift Taal en Letteren op, waarmee het primaat van de spreektaal definitief op tafel kwam. Het tijdschrift, dat bekende taalkundigen als Van den Bosch, Kollewijn, Terwey en Vercouillie in de redactie had, was geen lang leven beschoren. In ‘Taal en Letteren (1891-1906): een tijdschrift tegen de schrijftaalcultuur’ (p. 110-124) plaatst Noordegraaf het tijdschrift in de discussie over spreek- en schrijftaal, de introductie van het ABN en de spellinghervorming.
De taalkundige J.M. Hoogvliet (1860-1924) leren we vervolgens kennen in ‘Een tegendraads taalkundige’ (p. 125-132). Zijn nieuwe systeem van taalbeschrijving, dat omvangrijke grammatica’s overbodig zou maken, heeft geen ingang gevonden. Het artikel maakt wel nieuwsgierig naar Hoogvliets werk; misschien kan daar nog wat aan gedaan worden!
Ook ‘Gereformeerde taalkunde’ (p. 133-154) bestaat, voor wie het nog niet mocht geloven. In dit artikel ‘Over het werk van Dr. R.J. Dam (1896-1945)’ komen de beschouwingen die deze gereformeerde classicus in de eerste helft van deze eeuw wijdde aan taalkunde en spelling, aan de orde. De mentale realiteit die aan de taalkundige beschrijving ten grondslag moest liggen, zocht Dam in de ‘veelvuldige wijsheid des Heeren’. Hij vond dat de stelling ‘taal is klank’ klank en teken als uitingen van de ‘vormloze’ betekenis van het woord ontkende. Het proefschrift dat hij onder leiding van H.J. Pos had voorbereid, werd door de laatste uiteindelijk niet geaccepteerd. De ‘Babylonische spraakverwarring’ die er het onderwerp van was, werd akelige werkelijkheid toen er voor de verschillen tussen beider levensbeschouwing geen brug gevonden kon worden. Cum laude promoveerde Dam vervolgens op een heel ander onderwerp bij H. Wagenvoort in Utrecht (1930)! Dam, die in eerste instantie de taalkundige stromingen uit zijn tijd had willen toetsen aan de calvinistische principes, bewaarde dit kruit nu voor zijn bezwaarschrift tegen Pos in 1932.
In de volgende bijdrage komt ‘H.J. Pos als geschiedschrijver van de taalwetenschap’ zelf aan de orde (p. 155-177). Noordegraaf schuift in dit artikel de taalkundige Pos naar voren als historiograaf van de taalwetenschap. Daarbij neemt hij tot getuigen losse artikelen en dictaten, waarin Pos onderwerpen als de algemene grammatica en Schola Hemsterhusiana aansnijdt en taalkundige schrifturen van Kinker, Becker en anderen onder de loep neemt.
De bundel besluit met ‘Reichling revisited. Algemene taalwetenschap in Nederland, 1935-1960’ (p. 178-211). De universitaire loopbaan van Anton Reichling S.J. (1898-1986) wordt hierin beschreven en Noordegraaf neemt ons mee in de institutionele ontwikkeling van het vak algemene taalwetenschap in Nederland. Iedereen kent wel Reichlings studie over Het Woord (1935), dat door A.W. de Groot zelfs een meesterwerk werd genoemd. De loopbaanperikelen die op deze flitsende start volgen, zijn zeer de moeite waard om te lezen, want zo veranderd is het instituutsklimaat beslist niet. Het artikel wordt gevolgd door bijlagen met de zeer interessante gedachtenwisseling tussen De Groot en Pos over Reichling, en een overzicht van Reichlings werk.
Enkele toemaatjes, om het maar eens zuidelijk te zeggen, vormen de uitleiding. Zij handelen kort over uiteenlopende onderwerpen als fiche-kennis, ’t kofschip, de geboorte van het koppelwerkwoord en een mogelijke voorganger van Paardekoopers eenzinsdeelproef.
Een index nominum smeedt de inhoud verder aaneen en leidt ieder die gebruik wil maken van deze rijke bundel vol onderwerpen uit de 19de-eeuwse taalkundegeschiedenis, naar de gewenste taalkundigen.
| MNL Homepage | TNTL |