TNTL 116/1
Dorothée Sturkenboom
The pure language of the heart : sentimentalism in the Netherlands 1775-1800 / Annemieke Meijer. - Amsterdam [etc.] : Rodopi, 1998. - 197 p. ; 22 cm. - (Textxet, ISSN 0927-5754 ; 14)
Eerder verschenen als proefschrift Rijksuniversiteit Utrecht, 1995.
ISBN 90-420-0370-7 Prijs: ƒ 65,--
We hebben er lang op moeten wachten, maar eindelijk is het dan zover. Met The pure language of the heart is -- zoals de flaptekst zelfbewust vermeldt -- de eerste moderne monografie over het sentimentalisme in Nederland verschenen. Meteen al in de introductie slaagt auteur Annemieke Meijer erin de lezer mee te nemen in haar fascinatie voor het sentimentele: met enkele goedgekozen citaten laat ze zien dat de stroming van het sentimentalisme in de Nederlandse literaire kritiek ongekend heftige reacties heeft opgeroepen. Haar verwondering over deze extreem negatieve oordelen zal voor de rest van het boek de centrale leidraad vormen. Meijer is open over haar uitgangspunten en helder in haar keuzes. Haar subtiele, bij tijd en wijle licht ironische stijl, verraadt een vorming als angliciste en maakt The pure language of the heart tot prettige lectuur.
In hoofdstuk 1 wordt het sentimentalisme door middel van een begripshistorische analyse van de sleutelwoorden geïntroduceerd: het Engelse ‘sentimental’, het Duitse ‘empfindsam’ en het Nederlandse ‘sentimenteel’. Vervolgens beschrijft Meijer de belangrijkste karakteristieken van het sentimentele. Overeenkomstig de op dit moment gangbare interpretatie stelt ze dat ‘the Sentimental’ gekenmerkt wordt door een inhoudelijke verwevenheid van het emotionele met het morele én het rationele. Daarnaast onderscheidt het sentimentalisme zich als een literaire stijl die een expliciet beroep doet op de gevoelens van de lezers en daarvoor speciale verteltechnieken gebruikt. Appendix A biedt de lezer verder inzicht in het door Meijer uitgevoerde woordenboeken-onderzoek naar de opkomst van het Nederlandse woord sentimenteel. Dit woord duikt pas in 1824 in een woordenboek op, nadat het in 1776 voor het eerst door de Nederlandse Sterne-vertaler Brunius was gebruikt.
Meijer heeft een scherp oog voor de verschuivende connotaties van ‘sentiment’ en ‘sentimenteel’. Maar ze toont een wat eenzijdige fixatie op deze (uit het Engels overgenomen) woorden. Ze besteedt weinig aandacht aan het voorhanden zijnde Nederlandse vocabulair: analyses van de verschuivende betekenissen van het Nederlandse ‘gevoelen’ en ‘aandoenlijk’ lijken voor een onderzoek naar het Nederlandse sentimentalisme evenzeer op hun plaats maar ontbreken in dit boek.
Hoofdstuk 2 geeft op basis van secundair literatuuronderzoek een overzicht van (de debatten over) het sentimentalisme in het Engeland en Duitsland van de achttiende eeuw. Meijer steunt voor Engeland wel erg zwaar op de studie van Tomkins (1932) en voor Duitsland op Sauder (1974-1980) en Doktor (1975). Niet de meest recente literatuur. In de literatuurlijst miste ik onder andere de belangrijke studies van Armstrong en Pikulik.1 Maar feitelijk functioneert dit hoofdstuk ook slechts als inleiding voor waar het in dit boek uiteindelijk om draait: het debat over het sentimentalisme in Nederland. Als op p. 64 in het derde hoofdstuk eindelijk een begin wordt gemaakt met dit onderwerp, zijn we bijna halverwege de lopende tekst van het boek.
In de Nederlandse discussie over het sentimentalisme kent Meijer een zeer belangrijke plaats toe aan de polemiek die Feith en Perponcher in de jaren 1786-1789 met elkaar over het sentimentele voerden. Het is -- zo stelt zij -- de enige substantiële polemiek die in het Nederlands over het sentimentalisme is gevoerd en ze verwondert zich erover dat deze zo weinig (en bovendien bevooroordeelde) aandacht heeft gekregen van de literatuurhistorici. Doelstelling van haar derde hoofdstuk is daarom de eerste gedegen analyse te geven van dit debat. Meijer begint met een 28 pagina’s lange beschrijving ervan, die naar haar mening zo uitgebreid moet zijn omdat zij anders geen recht kan doen aan alle zijpaden, inconsistenties, omtrekkende bewegingen, wederzijdse irritaties en misverstanden die de betekenis van de polemiek mede bepalen (p.71). Dat het hier feitelijk om een schijndebat gaat, heeft de lezer al snel in de gaten -- al wacht Meijer tot het volgende hoofdstuk met dat openlijk te constateren (p.103).
In haar analyse signaleert Meijer naast een aantal overeenkomsten ook twee verschillen tussen Feith en Perponcher. Ten eerste stelt zij dat Feith het niet eens is met Perponchers stelling dat de verfijning van het gevoel te vér kan worden gedreven (p.100). Toch heeft Meijer eerder (op p.85) beweerd dat Feith de mogelijkheid van een overdreven gevoeligheid wel degelijk erkent, al benadrukt hij het uitzonderingskarakter daarvan. Het meningsverschil is dus niet zo groot als het wordt gepresenteerd. Het tweede punt betreft volgens Meijer de mate waarin beide auteurs oog hebben voor het maatschappelijk belang. Meijer typeert Feith als gericht op het individuele heil en Perponcher als de sociale denker (p.102). Maar ook hier blijkt het meer om een gradueel dan om een soortelijk verschil te gaan: Feith heeft ook met zijn sentimentele werk wel degelijk het grotere heil van de samenleving op het oog gehad, getuige opnieuw eerdere opmerkingen van Meijer (p.87 en p.100).
Naar mijn idee laat Meijer zich hier in haar conclusie te veel leiden door schijntegenstellingen die door anderen gecreëerd zijn. Dat zij in Appendix B (waar ze een overzicht geeft van het sentimentele jargon dat Feith en Perponcher in deze polemiek hanteerden) eerst constateert dat het sleutelwoord ‘gezellig’ (sociabel of sociaal) bij Perponcher wél en bij Feith niét voorkomt (p.167), terwijl bovenaan op de volgende bladzijde blijkt dat Feith het wel degelijk gebruikt, lijkt in dit kader bijna geen toeval meer. Op deze punten spreekt Meijer zichzelf net iets te vaak tegen om te overtuigen.
Iets soortgelijks ervoer ik bij hoofdstuk 4. Hierin worden eerst de Nederlandse productie van sentimentele lectuur en vervolgens de contemporaine reacties op deze en (vertaalde) buitenlandse sentimentele werken besproken. Zowel Meijers correcties op de bestaande canon als het onderscheid van verschillende fasen in de literaire kritiek, getuigen van een grondige kennis van de materie. Het bronnenonderzoek voor dit hoofdstuk kan dan ook uitvoerig genoemd worden: behalve romans zijn ook dichtbundels en bijdragen in letterkundige en spectatoriale tijdschriften bestudeerd. Als belangrijkste thema’s in de kritiek signaleert Meijer achtereenvolgens het modieuze element in het sentimentalisme, de onorthodoxe invulling van het geloof, de geringe belangstelling van de personages voor sociale problemen, het verraad aan de sekserollen, het zedelijk verval dat een belangrijke rol zou spelen in de betreurenswaardig slechte toestand van de Nederlandse natie aan het einde van de achttiende eeuw. Als zij in haar conclusies dan vervolgens constateert dat niet alleen de Nederlandse auteurs maar ook de Nederlandse critici van het sentimentalisme meer gepreoccupeerd waren met het religieuze dan met het maatschappelijke (p.147-148), treft dat de lezer in het licht van bovenstaande opsomming wel als merkwaardig.
Meijer distantieert zich zeer nadrukkelijk van het idee dat de sociaal-politieke context van invloed is geweest op de Nederlandse discussie over het sentimentalisme -- een invloed die in het buitenland wel herkenbaar is (p.150). Voor een deel kan ze tot dat oordeel komen omdat ze zich voor haar inhoudelijke analyses hoofdzakelijk op het handjevol Nederlandse romans heeft geconcentreerd (p.110) en de andere sentimentele genres buiten beschouwing heeft gelaten: mijn eigen onderzoek naar (de kritiek op) het sentimentele in de Nederlandse spectators toonde bijvoorbeeld wel degelijk de invloed van sociaal-politieke factoren,2 al kan de buitenlandse herkomst van een deel van deze teksten daarin een rol hebben gespeeld. Daarnaast denk ik dat er een wisselwerking bestaat tussen de door Meijer gehanteerde methode en haar wat eenzijdige conclusie dat het Nederlandse sentimentalisme overwegend ‘theologisch-sentimenteel’ van karakter was (p.112, 150). Meijer zelf beschrijft haar benaderingswijze als ‘tekstgericht’ (p.7) en neigend naar een ‘traditioneel empirisme’ tegenover meer theoretisch-geïnspireerde benaderingswijzen (p.104): voor haar vormen de teksten het enige uitgangspunt, verklaringen over de sociale en politieke context vindt ze alleen gewenst wanneer daar in dezelfde teksten expliciet aan gerefereerd wordt. Wie vroegmoderne teksten op een dergelijke manier benadert, zal inderdaad onvermijdelijk wel de openlijk beleden godsdienstige uitgangspunten opmerken, maar minder oog hebben voor de meer verhulde (sociale, politieke of andere) betekenislagen van een tekst.
Ondanks de onmiskenbaar aanwezige kwaliteit, is The pure language of the heart niet het standaardwerk geworden waarop ik onwillekeurig gehoopt had. De comparatief-opgezette studie biedt voor ons eigen taalgebied vooral een eerste terreinverkenning van het sentimentele. Meijer is bescheiden geweest in haar ambities. Té bescheiden wellicht. Het ontbreekt haar niet aan analytische vermogens, maar ze reserveert die voor details en houdt zich wat de grotere verbanden aangaat nadrukkelijk op de vlakte. Daardoor ontbeert het boek ook een duidelijke these die de verschillende hoofdstukken met elkaar verbindt. Maar als goedgeschreven inleiding in het Nederlandse sentimentalisme biedt The pure language of the heart zeker uitkomst aan al diegenen die vertwijfeld op zoek zijn naar méér dan de vijf pagina's van Stouten in Nederlandse literatuur3 (die overigens niet in Meijers literatuurlijst te vinden zijn).
Noten
1
N. Armstrong: Desire and domestic fiction. A political history of the novel. New York en Oxford, 1987; Lothar Pikulik: Leistungsethik contra Gefühlskult. Über das Verhältnis von Bürgerlichkeit und Empfindsamkeit in Deutschland. Göttingen, 1984.| MNL Homepage | TNTL |