TNTL 116/1
Lies Wesseling
Doe nooit wat je moeder zegt : Annie M.G. Schmidt, de geschiedenis van haar schrijverschap / Joke Linders. - Amsterdam : Querido, 1999. - 490 p. : ill. ; 25 cm
ISBN 90-214-7344-5 geb. Prijs: ƒ 85,--
Op de valreep van de twintigste eeuw is dan eindelijk de eerste monografie over Annie M.G. Schmidt verschenen. Weliswaar zijn er inmiddels ontelbare recensies en essays aan Schmidts werk gewijd, maar dit zijn bijna allemaal korte, snelle stukjes zonder al te veel breedte of diepgang. Met het verschijnen van Joke Linders’ lijvige en informatieve boek is nu een basis gelegd voor een meer bezonken en diepgravende benadering. Linders heeft zich ten doel gesteld om de volledige geschiedenis van Schmidts schrijverschap te boekstaven, vanaf haar allereerste jeugdversje tot haar fragmentarische memoires in Wat ik nog weet (1992). Het is echter geen tekstgerichte studie over de ontwikkeling van Schmidts oeuvre. Het boek bevat naast beschrijvingen van het primaire werk veel biografische informatie. Bovendien gaat het in op de literatuuropvatting van Schmidt, de receptie van haar werk, en de voortdurend veranderende literair-culturele context waarbinnen Schmidt zich gedurende een periode van veertig jaar met wisselend succes heeft weten te handhaven.
Gezien het feit dat Linders niet heeft kunnen voortbouwen op eerdere monografieën is het begrijpelijk dat zij heeft besloten tot de productie van een overzichtswerk. Ook een overzichtswerk heeft echter een scherpe, coherente vraagstelling nodig en die ontbreekt hier. Volgens de summiere methodologische verantwoording in het ‘Woord vooraf’ zoekt Linders haar ingang tot het fenomeen Schmidt via een ‘paradox tussen leven en werk’ (p. 11). Volgens Schmidt kan haar werk het beste worden samengevat in de versregel ‘Doe nooit wat je moeder zegt, dan komt het allemaal terecht’. Schmidt zou zelf echter voortdurend tegen haar eigen motto hebben gezondigd door precies datgene te doen wat haar moeder haar had aangeraden. Uit deze discrepantie vloeien volgens Linders een aantal onderzoeksvragen voort, zoals ‘Wat weten we eigenlijk van de auteur Annie M.G. Schmidt? Wat dreef haar? Bij wie of wat zocht ze haar inspiratie? Wat wilde ze bereiken en valt er iets te zeggen over haar betekenis of invloed? Was zij in de eerste plaats journalist of schrijver?’ (p. 11). Deze vragen vertonen helaas weinig onderlinge samenhang en de relatie tussen leven en werk vormt alleen een zinvolle invalshoek als men er van uit kan gaan dat het leven het werk verklaart, of andersom. Deze aanname blijft discutabel en een voorbeeld uit Linders’ boek kan verhelderen waarom dit het geval is.
Linders stipt meerdere malen de opvallende ondervertegenwoordiging van de moederfiguur in Schmidts kinderboeken aan. Moeders zijn ofwel domweg afwezig, of uiterst onsympathiek. De moeder van Jip en Janneke vormt één van de schaarse uitzonderingen op deze regel. Linders zoekt de verklaring voor dit verschijnsel in Schmidts verhouding tot haar eigen vader en moeder. Schmidt zou een ambitieuze moeder gehad hebben die haar dadendrang niet kon verwezenlijken binnen de beperkte actieradius van de huiselijke kring. Haar gefrustreerde ambitie uitte zich in het voortdurend kleineren van haar echtgenoot en de projectie van haar eigen strevingen op haar dochter. Dat dit niet gemakkelijk zou zijn geweest zou blijken uit Schmidts werk, waarin vaders meestal minder competente figuren zijn, terwijl de bedreigende moederfiguur zo veel mogelijk wordt weggemoffeld, aldus Linders’ redenering. Schmidts hoogst persoonlijke beproevingen bieden echter onvoldoende verklaring voor de dominantie van het motief van de afwezige moeder in Schmidts kinderboeken. Zeker in het geval van een publieksgevoelige auteur als Schmidt ligt het meer voor de hand dat een topos pas boek na boek kan terugkeren wanneer het verschijnsel in kwestie herkenbaar is voor grote groepen lezers. De geknechte, in haar maatschappelijke ambities gekortwiekte moeder, die op haar beurt haar eigen huisgenoten knecht en kortwiekt was een wijd verspreid maatschappelijk fenomeen tijdens de gehele periode van Schmidts schrijverschap. Het hiermee gepaard gaande mother blaming, dat wil zeggen, de hardnekkige neiging om moeders aan te wijzen als de bron van al het kwaad dat een kinderleven kan bederven, was eveneens gebruikelijk, getuige onder andere de door vrouwen geschreven autobiografische bekentenisliteratuur die populair werd tijdens de tweede feministische golf. Dit verklaart waarom grote groepen lezers het bevredigend vonden als moeders worden doodgezwegen of belachelijk gemaakt en niet zozeer de bijzonderheden van Schmidts biografie. Men mag zelfs veronderstellen dat haar verbeeldingskracht zodanig was dat ze ook problematische moederfiguren in het leven had kunnen roepen wanneer de relatie met haar eigen moeder volledig harmonieus was geweest. De vraag naar de meerwaarde van de overvloedige biografische informatie in Linders’ studie blijft zodoende onbeantwoord. Deze vraag is des te prangender omdat Linders zich ook al zoveel andere taken op de hals heeft gehaald en daarmee komen we op het tweede bezwaar dat men tegen deze studie kan uiten. Naast gebrek aan methodologische helderheid heeft Linders zichzelf door de wel zeer brede opzet van haar boek gedoemd tot de oppervlakkigheid waaraan de Schmidt-kritiek ook volgens haar eigen waarneming mank gaat. Nergens treft men een systematische analyse aan van thema’s, motieven en literaire kunstgrepen die het literaire werk van Schmidt in zijn totaliteit kenmerken en men zoekt tevergeefs naar gedetailleerde interpretaties van individuele teksten, terwijl dit nu juist zo’n welkome aanvulling zou zijn op de beschouwingen die reeds aan haar werk zijn gewijd.
Moeten we Linders’ studie dan maar terzijde schuiven? Beslist niet! Doe nooit wat je moeder zegt biedt interessante informatie aan een ieder die zich interesseert voor de veranderende verhouding tussen ‘hoge’ en ‘lage’ Nederlandse literatuur tijdens het naoorlogse tijdperk. Linders toont aan dat de opwaardering van de kinder- en jeugdliteratuur een zeer belangrijk aspect vormt van het dichten van de kloof tussen literatuur en lectuur. De schrijversloopbaan van Schmidt zoals beschreven door Linders vormt een perfecte illustratie van de ‘demobilisatie van de moderne schrijver’, die indringend is beschreven door Frans Ruiter en Wilbert Smulders.1 Het feit dat deze Neerlandici geen woord aan Schmidt hebben gewijd, toont eens te meer aan hoe hardnekkig de neiging is van de academische literatuurbeschouwing om de blik te beperken tot een canon van 'grote' mannelijke auteurs, zelfs in het geval van onderzoekers die juist willen beargumenteren dat het onderscheid tussen canonieke en populaire cultuur is vervaagd.2
Een tweede verdienste van Doe nooit wat je moeder zegt schuilt in het feit dat Linders weliswaar zelf niet aan een systematische bespreking van het werk toekomt, maar daar wel diverse aanzetten toe geeft in de vorm van voortdurend terugkerende, terloopse opmerkingen. Hiermee reikt Linders bruikbare handvaten aan voor vervolgonderzoek. Om een paar voorbeelden te noemen:
--het moederbeeld in het werk van Schmidt (zie o.a. p. 11, 174, 258-259, 294, 366)
--de impact van de psychologisering van de ouder-kindrelatie op het werk van Schmidt ( o.a. p. 63, p.73, 77, 135, 153, 181, 259, 264)
--Schmidts adaptaties van de conventies van het sprookje (o.a. p. 119, 186-7, 280)
--de dier-mens verhouding in het werk van Schmidt (o.a. p. 113)
Tenslotte kan men opmerken dat het verhaal van de veranderende receptie van Schmidts werk natuurlijk nog lang niet afgelopen is. Zoals Linders constateert in een van haar intrigerende, maar tergend korte observaties, kan de oorzaak van Schmidts aanhoudende populariteit niet langer worden gezocht in haar (anti-)pedagogische visie (p. 376) Het ‘lekker stout zijn’ verliest zijn aantrekkingskracht nu de roep om meer strengheid en structuur in de opvoeding steeds luider begint te klinken. Hoe dit zal uitwerken op de waardering voor Schmidts werk zullen toekomstige letterkundigen moeten onderzoeken.
Zo kan men concluderen dat Doe nooit wat je moeder zegt ondanks -- of misschien wel dankzij -- een gebrek aan diepgang en systematiek een rijke en vruchtbare Fundgrube vormt voor nader onderzoek. Het is te hopen dat de academische letterkunde bereid zal zijn om hierin af te dalen, zodat verdere bemoeienis met de literaire nalatenschap van Schmidt niet volledig in handen van de Hema wordt gelegd.
Noten
1
Frans Ruiter en Wilbert Smulders: ‘De demobilisatie van de moderne schrijver: Waarom de naoorlogse "grote drie" niet opgevolgd zullen worden.’ In: Maatstaf 40/4 (1992), p. 1-26. Zie ook hun Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990, Amsterdam, 1992.2
Deze merkwaardige blinde vlek is uitvoerig besproken in Erica van Booven, Maaike Meijer en Agnes Andeweg, ‘Een campobsessie met het katholicisme: Literatuur en moderniteit in Nederland, 1840-1990 van Frans Ruiter en Wilbert Smulders in genderkritisch perspectief.’ In: SpL 41 (1999), p. 57-68.| MNL Homepage | TNTL |