TNTL 116/2

J. van Aelst

Collecties op orde : Middelnederlandse handschriften uit kloosters en semi-religieuze gemeenschappen in de Nederlanden / Karl Stooker & Theodorus Johannes Verbeij. - Leuven : Peeters, 1997. - 2 dl. : ill. ; 24 cm I: Studie. II: Repertorium. -
Ook verschenen als: Miscellanea neerlandica ; 15-16. -
Proefschrift Rijksuniversiteit te Leiden.
ISBN 90-6831-975-2 (1), ISBN 90-6831-974-4 (2) Prijs: BEF 3600

Karl Stooker en Theo Verbeij zijn in 1997 samen gepromoveerd aan de Leidse universiteit op een onderzoek naar de middeleeuwse boekcultuur in kloosters en verwante instellingen, de eerste dubbelpromotie in de Medioneerlandistiek. Ze formuleren als algemeen uitgangspunt dat ongeveer driekwart van de circa 15.000 overgeleverde Middelnederlandse handschriften -- ruim 11.000 manuscripten -- 'kloosterhandschriften' zijn, dat wil zeggen handschriften afkomstig uit of gebruikt in kloosters of (semi-)religieuze instellingen (p. 129, 264). Een selectie van deze religieuze handschriften hebben zij uitgegeven als repertorium in het tweede deel van hun studie. De resultaten van bestudering van de gerepertorieerde handschriften worden gepresenteerd in het eerste deel, waarvan eerst een samenvatting volgt.

Stooker en Verbeij bespreken in het eerste hoofdstuk hun selectiecriteria. Enkel op grond van secundaire literatuur hebben zij een corpus samengesteld van handschriften (dus geen drukken) van vóór 1600 met Middelnederlandse teksten (geen Latijn) waarvan op grond van bezittersmerken vastgesteld kan worden dat deze eigendom zijn geweest van, of zijn geschreven in, kloosters of (semi-)religieuze instellingen in de Nederlanden met uitzondering van juridische of ambtelijke teksten. Aan deze criteria voldoen 1242 handschriften, dat is ongeveer 8% van alle overgeleverde handschriften.

Met behulp van tabellen wordt de verspreiding van handschriften geschetst (hoofdstuk twee). De verschillen tussen kloosters uit de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden, tussen vrouwen- en mannenkloosters en tussen de verschillende religieuze orden worden in kaart gebracht. Zowel relatief als absoluut zijn de meeste handschriften afkomstig uit regularissenkloosters. Bij de verspreiding van teksten tekent zich een regionaal patroon af, waarbij mannenkloosters een belangrijke rol spelen. In het oog springen de activiteiten van drie regulierenkloosters nabij Brussel, namelijk Groenendaal, Rooklooster en Bethlehem.

Twee aspecten, gebruik en collectievorming, worden in hoofdstuk drie besproken. Op grond van gebruiksaanwijzingen kan onderscheid worden gemaakt tussen handschriften voor gemeenschappelijk en voor privé-gebruik. Onder collecties voor gemeenschappelijk gebruik vallen de zogenaamde hoofdcollectie, de reftercollectie en de collectie voor lekenbroeders, die vooral in regulierenkloosters aanzienlijk kon zijn. De grootste aantallen handschriften voor privé-gebruik blijken afkomstig uit begijnhoven. Bij bestudering hoe de collecties tot stand kwamen, blijkt dat de productie van handschriften in de kloosters en semi-religieuze instellingen grotendeels bestemd was voor eigen gebruik. Sommige vrouwenkloosters hadden een eigen scriptorium, andere werden vermoedelijk voorzien van handschriften door naburige mannenkloosters, waarbij de geestelijke verzorgers wellicht een rol hebben gespeeld. Soms verwierven kloosters handschriften door schenking of legatering.

Hoofdstuk vier geeft een globaal overzicht van de teksten die in de handschriften voorkomen. Stooker en Verbeij bespreken eerst de literaire canon (waartoe zij de teksten rekenen die in meer dan tien handschriften voorkomen). De meest verbreide tekst is het getijdenboek van Geert Grote met honderden handschriften en daarop volgt het werk van de dominicaan Suso. Onder de auteurs van eigen bodem nemen Ruusbroec en zijn kring een prominente plaats in. De onderzoekers vermoeden dat werk van eigen bodem een verhoogde belangstelling voor literatuur en daarmee een verhoging van de productie veroorzaakt. Van moderne devoten, die veel gebruik maakten van teksten, is weinig oorspronkelijk werk in de volkstaal over, wel veel vertalingen van Latijns werk. Onder de vertalingen valt het grote oeuvre van de zogenaamde Bijbelvertaler van 1360 op. Tot slot wordt een aantal bijzondere teksten genoemd, waartoe berijmde teksten gerekend worden.

Hoe representatief zijn de overgeleverde handschriften voor wat er oorspronkelijk geweest is? Deze centrale vraag van hoofdstuk vijf wordt inventief beantwoord. Uit een confrontatie van de handschriften met vier bewaarde boekenlijsten, waaronder de lijst met Dietse boeken uit Rooklooster (1393), blijkt dat de overgeleverde handschriften niet altijd een betrouwbare afspiegeling vormen van de oorspronkelijke collectie. De specifieke geschiedenis van een gemeenschap bepaalt de overlevering. De lijsten bevestigen ondertussen wel de eerder gesignaleerde globale verspreidingspatronen en tonen aan dat er nauwelijks ordegebonden teksten zijn. Afsluitend doen de auteurs suggesties voor onderzoek om het beeld te completeren.

In een slothoofdstuk worden de resultaten geresumeerd. Reconstructie van de oorspronkelijke volkstalige bibliotheken blijft een illusie door gebrek aan overgeleverde handschriften en door het ontbreken van bezittersmerken. Het onderzoek, een kwantitatieve onderneming, laat wel in grote lijnen de relatieve belangstelling per orde, geslacht en regio zien. De auteurs achten het door hen geschetste totaalbeeld betrouwbaar. Ze gaan er namelijk vanuit dat uitschieters in elke categorie in ongeveer gelijke mate voorkomen. Het eerste deel wordt gecompleteerd met enkele registers. Uitgebreidere registers worden gegeven in het tweede deel, het repertorium.

Wie bedenkt dat dit onderzoek naar tien procent van de Middelnederlandse religieuze handschriften acht jaar heeft gekost, het dubbele van de eigenlijk beschikbare tijd, beseft dat haalbaarheid een factor van belang is en dat iedere onderzoeker op het terrein van de geestelijke letterkunde gedwongen is tot rigoureuze inperkingen als hij niet wil verdrinken in zijn materiaal. De auteurs van Collecties op orde zijn zich er terdege van bewust dat elke inperking van het materiaal ook de geldigheid van hun conclusies beperkt. Ze formuleren steeds expliciet door welke onzekerheden de reikwijdte van hun conclusies begrensd wordt. De percentages in de tabellen met twee cijfers achter de komma wekken de indruk van een nauwkeurigheid die terecht in de tekst gerelativeerd wordt. Sommige toevallige omstandigheden drukken namelijk een zwaar stempel op het cijfermateriaal, bijvoorbeeld de grote collectie die is bewaard uit het Sint-Agnesconvent te Maaseik, bestaande uit meer dan zeventig handschriften. De inhoud van de collectie-Maaseik lijkt overigens wel representatief voor wat er in een gemiddeld vrouwenklooster aanwezig was.

In vier handschriften uit Maaseik komen de Honderd artikelen voor van de dominicaan Suso. De behandeling van deze tekst, die als exemplarisch voor de studie kan gelden, zal ik op verschillende punten bespreken. Maaseik had zijn eigen versie van de tekst (p. 196). Slordig is de opmerking dat de Maaseik-versie 'slechts voorkomt in drie (moet zijn: vier) handschriften' (p. 259). En onbegrijpelijk is de constatering dat de Hundert Betrachtungen und Begehrungen van Henricus Suso behoren tot de 'niet teruggevonden nummers' van de boekenlijst uit Maaseik (p. 78). Als de auteurs opmerken dat het 'niet uitgesloten' is dat de Honderd artikelen door Geert Grote vertaald zijn, verwijzen ze zonder pagina-aanduiding naar een artikel van Deschamps (p. 254). Maar Deschamps zegt dit nergens. De enige redactie waarop de suggestie betrekking zou kunnen hebben, redactie vn (p. 197), dateert vermoedelijk uit de eerste helft van de vijftiende eeuw terwijl Geert Grote al in 1384 overleed. Het misverstand is wellicht ontstaan door Deschamps' verwijzing naar een boek van Willem Moll over vertaalwerk van Geert Grote (noot 6). Maar ook bij Moll is er geen sprake van dat Grote de Honderd artikelen vertaald zou hebben. Suggesties als deze, dat Geert Grote de vertaler van de tekst zou zijn, kunnen soms een taai eigen leven gaan leiden.

Door zekerheid over de herkomst uit een (semi-)religieuze gemeenschap als criterium te stellen ontstaat een duidelijke afbakening van het corpus, maar daarmee staat ook bij voorbaat vast dat duizenden handschriften met geestelijke teksten buiten beeld blijven. Van de meer dan tweehonderd bekende handschriften van de Honderd artikelen van Suso zijn er in het repertorium bijvoorbeeld slechts 39 opgenomen. Stooker en Verbeij verwijzen naar Deschamps voor 'een volledig overzicht van hss.' (p. 196, noot 18), maar merken dan in de volgende noot op dat 'dit nog (lang) niet alle hss. met deze tekst' zijn. Ze hebben zelf in de BNM nog ca. 35 handschriften gevonden, waaronder een niet eerder opgemerkte vertaling. Welke handschriften het zijn wordt helaas niet vermeld, noch in welk handschrift de nieuwe vertaling staat. Uit hun kwantitatieve onderzoek blijkt ondertussen wel duidelijk dat de Honderd artikelen behoren 'tot de populairste gebeden' (p. 277).1

Doordat de studie op secundaire literatuur en niet op autopsie gebaseerd is, is het geschetste beeld uit heterogene waarnemingen samengesteld. Daar komt bij dat de berekeningen minder zeker zijn dan ze lijken. Onder de handschriften met de Honderd artikelen die niet in het repertorium zijn opgenomen, kunnen volgens de onderzoekers bijvoorbeeld 'nog vele kloosterexemplaren verborgen zitten, die echter door het ontbreken van ex-librissen niet als zodanig herkend kunnen worden.' De herkomst van deze handschriften moet nader bekeken worden (p. 196-198). Voor een verdere identificatie van kloosterexemplaren krijgt de lezer nauwelijks middelen aangeboden. Het onderscheid tussen 'het sobere kloosterboek' en 'het rijk versierde en geïllumineerd boek voor leken' biedt niet voldoende houvast (p. 277). De auteurs achten bovendien het verschil in literaire belangstelling binnen en buiten het klooster gering (p. 310), maar gebruiken wel termen als 'een typische kloostertekst' (p. 213) of 'de typische kloosterliteratuur' (p. 222).

Bij het gebruik van de aanduiding 'kloosterhandschrift' worden twee strijdige uitgangspunten gehanteerd. Als kader gebruiken de auteurs het uitgangspunt van De Vreese: de Middelnederlandse handschriften bestaan voor driekwart uit kloosterhandschriften.2 Dit is een maximale optie waarin vermoedelijk de meeste handschriften met de Honderd artikelen tot de kloosterhandschriften gerekend zijn. Bij de bespreking van concrete voorbeelden gaan de auteurs echter uit van hun repertorium dat zekerheid over de herkomst van het handschrift vereist, een minimale optie. Daarbij geven ze toe dat onder de overige wellicht nog kloosterhandschriften verstopt zitten. Het aantal kloosterhandschriften komt dan in ieder geval veel lager uit. Het lijkt vanwege de heersende onduidelijkheid verstandiger vooralsnog te spreken van handschriften met geestelijke teksten en niet van kloosterhandschriften.

Met de beperkte tijd en middelen die hun ter beschikking stonden, zijn Stooker en Verbeij erin geslaagd een globaal beeld te schetsen van de volkstalige boekencultuur in kloosters en religieuze instellingen. Als de lezer voorzichtig omspringt met de details, biedt de studie een goed en bruikbaar kader dat uitnodigt en stimuleert tot verder onderzoek.

 

Noten

1 Het werken met grote aantallen leidt bij de Honderd artikelen tot verwarring. Deschamps somt in zijn artikel 214 handschriften met een Middelnederlandse versie op en met de 35 door de auteurs gevonden exemplaren uit de BNM zou het totaal op 249 komen. In noot 22, p. 196, wordt vervolgens gesproken van 'de ruim 140' handschriften waarvan niet vastgesteld kan worden dat het kloosterhandschriften zijn. Dit getal kan alleen betrekking hebben op de twee meest verspreide versies, die de auteurs blijkens de tekst geteld hebben. Voor alle Middelnederlandse versies samen -- en daarop heeft de noot op p. 196 toch betrekking -- zou dit totaal namelijk niet op 140 maar op 210 handschriften uitkomen, namelijk 249 (alle handschriften) min 39 (de gerepertorieerde handschriften).
2 In een voetnoot blijkt over de schatting van het totaalaantal overigens nog veel onduidelijk te zijn (p. 264, noot 288).


| MNL Homepage | TNTL |