TNTL 116/2
C. Dohmen
De Hollandsche Spectator, 26 mei 1732 - 27 oktober 1732 : aflevering 61-105 / Justus van Effen ; opnieuw uitg. met inl. en samenvatting door W.R.D. van Oostrum. - Leiden : Astraea, 1999. - 356 p. : ill. ; 21 cm. - (Duivelshoekreeks ; no. 12)
ISBN 90-75179-18-9 Prijs: ƒ 42,95
De Hollandsche Spectator, 7 april 1733 - 7 september 1733 : aflevering 151-195 / Justus van Effen ; opnieuw uitg. met inl. en samenvatting door Marco de Niet. - Leiden : Astraea, 1999. - 376 p. : ill. ; 21 cm. - (Duivelshoekreeks ; no. 13)
ISBN 90-75179-19-7 Prijs: ƒ 42,95
De Leidse uitgeverij Astraea geeft Justus van Effens De Hollandsche Spectator (1731-1735) opnieuw uit. De heruitgaven van de afleveringen 31 t/m 60 en 106 t/m 150 dateren uit 1998. W.R.D. van Oostrum en Marco de Niet zijn verantwoordelijk voor de edities van de nummers 61 t/m 105 en 151 t/m 195 van het in totaal 360 afleveringen tellende tijdschrift. De vier delen hebben inleidingen waarin informatie over de auteur en in het tijdschrift behandelde thema's belicht worden. In het door Van Oostrum uitgegeven deel komt de rol van het tijdschrift in de beeldvorming over de achttiende eeuw uitgebreider aan bod, De Niet besteedt uitvoerig aandacht aan de bijdragen van de correspondenten van De Hollandsche Spectator. De summiere annotatie is een aanwijzing dat de editeurs vooral een publiek van vakgenoten voor ogen hadden. Dit zal behalve door de grotere toegankelijkheid van het achttiende-eeuwse werk erg gebaat zijn bij de handige registers op persoons- en plaatsnamen en titels van zelfstandige werken van voor 1800 en de voornaamste onderwerpen in het tijdschrift.
Zoals bekend was er voornamelijk één auteur verantwoordelijk voor de afleveringen van het tijdschrift. Deze presenteert zich als een spectator, een observator, die de achttiende-eeuwse Nederlandse samenleving becommentarieert. Middels vele, vaak humoristische, vertogen schetst hij een beeld van de ideale maatschappij. In de loop der eeuwen hebben velen de braafheid van dit en andere spectatoriale geschriften uit die tijd benadrukt. Met name de inleiding op het deeltje van Van Oostrum werpt weer eens een ander licht op deze zaak. Zij beschrijft expliciet de dubieuze levenswandel van de auteur, dat wil zeggen zijn affaire met de moeder van zijn nageslacht met wie hij aanvankelijk niet geassocieerd wilde worden, maar met wie hij uiteindelijk vlak voor zijn dood toch in het huwelijk trad. Waarom hield Van Effen zich met de zedenkundige vertogen bezig en leidde hij thuis een losbandig bestaan? Een omgekeerde volgorde lijkt immers vanzelfsprekender. In zijn vertolking van de achttiende-eeuwse zedenmeester geeft Van Effen regelmatig lofzangen op het huwelijk en de huwelijkstrouw terwijl hij hier zelf pas laat aan toegaf. Hadden zijn eigen vertogen hem bekeerd?
Hoewel Van Effens beschouwingen in veel gevallen vermakelijk zijn en hierdoor een groot deel van de populariteit kan worden verklaard, blijft de uitgedragen brave, achttiende-eeuwse moraal verbazen. Wilde de lezer hier nu echt steeds mee geconfronteerd worden? Was die moraal toen wellicht niet zo braaf als wij nu denken? Of nam de lezer deze maar gewoon op de koop toe en las hij erover heen? Het blijft giswerk. Mogelijk is de populariteit behalve door de leesbaarheid van het tijdschrift voor een groot deel verklaarbaar door de spectatoriale mystificatie. De spectator onthulde zijn identiteit niet. Mogelijk sprak dit spelletje bij de lezers elke aflevering opnieuw tot de verbeelding. Zouden zij zich erg bekocht hebben gevoeld indien zij de privé-uitspattingen van hun idool aan de weet waren gekomen?
| MNL Homepage | TNTL |