TNTL 116/2
S. Veld
"Typisch Nederlands" : de Nederlandse identiteit in de letterkunde / uitg. door Karl Enenkel, Sjaak Onderdelinden, Paul J. Smith ; [Bijdr. van Jan Bloemendaal ... et al.]. - Voorthuizen : Florivallis, 1999. - 204 p. : ill. ; 24 cm
ISBN 90-75540-09-4 Prijs: ƒ39,50
De imagologie, de studie van beeldvormingsprocessen, krijgt ook in Nederland stevige voet aan de grond. De bundel Typisch Nederlands, volgens de bezorgers 'een serie dieptepeilingen in de Nederlandse culturele identiteit en de literaire reflectie daarover', is daarvan een bewijs. In de bundel worden de zeventiende tot de twintigste eeuw bestreken en komen zeer uiteenlopende onderwerpen aan bod. Ik ga hier kort in op enkele bijdragen.
De auteurs demonstreren verschillende manieren waarop de imagoloog te werk kan gaan. Paul Smith bijvoorbeeld laat aan de hand van de diersymboliek in een corpus pamfletten zien hoe nationale zelfbeelden en tegenbeelden worden geconstrueerd. Een succesvolle methode blijkt ook het vergelijken van verschillende vertalingen van een werk. Zowel Cees Schonevelds artikel over Pope's Universal Prayer als Maarten Fraanjes bijdrage over vertalingen van werk van Rhijnvis Feith zijn daarvan overtuigende voorbeelden. Ook het vergelijken van persoonsbeschrijvingen in biografische reeksen levert boeiende resultaten op, zoals Karl Enenkel laat zien. Hier blijkt weer eens dat de beschrijving van een ander veelal meer zegt over de schrijver ervan dan over het onderwerp.
Hoe ideologisch gekleurd nationale beeldvorming is, komt in vele bijdragen naar voren. Een mooi voorbeeld daarvan is Joep Leerssens bespreking van de Sara Burgerhart (van Elizabeth Wolff-Bekker en Agatha Deken en niet van Agnes Wolff-Dekker en Elizabeth Deken zoals Leerssen schrijft). In weerwil van het idee dat burgerlijke huiselijkheid een typisch Nederlands verschijnsel was, toont Leerssen aan dat deze stroming in de achttiende eeuw bijna algemeen-Europees was en zich kenmerkte door een anti-Franse, anti-aristocratische houding. Madeleine van Strien-Chardonneau signaleert dezelfde (en andere) tendensen in de door Justus van Effen geïnspireerde reisbrieven van Antoine la Barre de Beaumarchais over Holland. Het is jammer dat geen van beide auteurs Dorothée Sturkenbooms Spectators van hartstocht (Hilversum, 1998) schijnt te kennen. Dan had ongetwijfeld ook de angst voor feminisering aandacht gekregen. Dat dit niet gebeurd is, is symptomatisch voor het gebrek aan gendergevoeligheid bij de auteurs die hebben bijgedragen.
Frans Ruiters bijdrage fungeert tegelijk als conclusie en als opmaat voor verder onderzoek en vormt daarmee een mooie afronding van de bundel. Ruiter plaatst het onderzoek naar beeldvorming in een actuele literaire en maatschappelijke context. Zijn voorstel om nationale literatuur op te vatten als iets dat verbeeld is, inspireert en biedt interessante perspectieven.
Ondanks de grote diversiteit in onderwerpen vullen de bijdragen elkaar vaak mooi aan. Op een paar opvallende slordigheden na maken de artikelen een gedegen indruk en houden de auteurs er voldoende rekening mee dat hun publiek uit verschillende specialismen afkomstig is en daarom niet altijd even goed op de hoogte zal zijn van het besproken tijdvak of onderwerp. Voor geïnteresseerden in (nationale) beeldvorming is de bundel kortom een aanwinst.
| MNL Homepage | TNTL |