TNTL 116/2
R. Zemel
Pade crom ende menichfoude : het Reynaert-onderzoek in de tweede helft van de twintigste eeuw / onder red. van Hans van Dijk en Paul Wackers. - Hilversum : Verloren, 1999. - 283 p. ; 24 cm. - (Middeleeuwse studies en bronnen, ISSN 0929-9726 ; dl. 67)
ISBN 90-6550-089-8 Prijs: ƒ 59,-
In oktober 1999 werd prof. Frank Lulofs tachtig jaar. Bij die gelegenheid werd aan hem de boven genoemde bundel opgedragen, een hommage aan degene die als geen ander studie heeft gemaakt van Van den vos Reinaerde. In 1975 publiceerde Lulofs een indrukwekkende proeve van commentaar en interpretatie in zijn boek Nu gaet reynaerde al huten spele, en in 1983 verscheen zijn editie van de Reinaert, die is voorzien van een uitgebreid commentaar. Inmiddels zijn vele studenten met deze editie grootgebracht tijdens hun kennismaking met het meest besproken werk uit de Middelnederlandse letterkunde.
In de bundel Pade crom ende menichfoude zijn veertien artikelen of gedeelten uit boeken die het volgens de inleider 'verdienen opnieuw of nog steeds gelezen te worden' in chronologische volgorde herdrukt. De inhoud is als volgt: P. Wackers, Inleiding; W.Gs Hellinga, 'De commentaar'; idem, 'Het laatste woord is aan Firapeel'; G.H. Arendt, 'Die Struktur des Geschehens'; F. Lulofs, 'Over het gebruik van du in de Reynaerd'; K. Heeroma, 'Firapeel heeft niet het laatste woord'; T. Hagtingius, 'Een nieuwe benadering van de Reinaert'; L. Peeters, 'Historiciteit en chronologie in Van den vos Reynaerde'; F. Lulofs, 'Nu gaet reynaerde al huten spele (A 1995)'; H. van den Brink en J. van Herwaarden, 'Van den vos Reynaerde: Recht en macht'; F.P. van Oostrom, 'Reinaert primair'; idem, 'Benaderingswijzen van de Reinaert'; W. Waterschoot, 'Reinaert over sinen vader'; P. Wackers, 'The image of the fox in Middle Dutch literature'; en J. Reynaert, 'Botsaerts verbijstering'. Een register van besproken verzen ontbreekt; evenmin is een bibliografie toegevoegd.
Een met de Reinaert-materie nog onbekende lezer zou er goed aan doen te beginnen met het artikel 'Benaderingswijzen' van F.P. van Oostrom, omdat het op zo'n heldere wijze een typering geeft van het onderzoek over de Reinaert. Er blijkt ook uit hoe boeiend dat onderzoek is geweest, met al die verschillende benaderingswijzen. Een curiosum daarbij is Hellinga's 'Het laatste woord is aan Firapeel', dat in de bundel is opgenomen. Het is een van grote fantasie getuigend verhaal over ketterij, magie en obsceniteiten in de Reinaert. Hellinga wist waarschijnlijk wel wat hij deed, want hij schreef zijn artikel in de stijl van een essay en publiceerde het in een literair tijdschrift. Achteraf zouden we het nog kunnen lezen als een Reinaerdiaanse grap, als een embleem van de fantasie van Willem, de auteur van de Reinaert.
Volgens K. Heeroma had niet Firapeel, maar Willem het laatste woord. Hij zag in de Reinaert een gedicht-op-leven-en-dood, waar een autobiografie van de auteur achter zou schuilgaan. In de bundel is Heeroma's 'Firapeel heeft niet het laatste woord' herdrukt. Maar typerend voor zijn wijze van interpreteren is veeleer het grote hoofdstuk in De andere Reinaert (Den Haag 1970), waarin Heeroma de Vlaamse tekst vergelijkt met zijn Franse voorbeeld, branche I (Le Plaid) uit de cyclus Roman de Renart.
Heeroma's analyse van de tekst verraadt invloed van de dissertatie van G.H. Arendt uit 1965 (Die satirische Struktur des mittelniederländischen Tierepos 'Van den vos Reynaerde'). Op grond van twee hoofdstukken mogen we dit boek beschouwen als een mijlpaal in het Reinaert-onderzoek. Het ene gaat over 'die satirische Raumstruktur', het andere over 'die Struktur des Geschehens'. In de bundel is het eerste gedeelte van het tweede hoofdstuk herdrukt. Ook Lulofs is uiteraard vertegenwoordigd, onder andere met een fragment uit Nu gaet reynaerde al huten spele. Overigens, een nogal karig fragment; hier hadden de redacteurs wel wat royaler mogen zijn.
De belangrijkste studie over de Reinaert uit de afgelopen decennia is het proefschrift van André Bouwman (Reinaert en Renart, Amsterdam 1991). Het is daarom te betreuren, ook al wordt de omissie in de inleiding van de bundel gemotiveerd, dat hiervan niets is opgenomen. Iets uit het derde hoofdstuk van Bouwmans boek, dat gaat over 'het bewerkingsgedrag van de Reinaert-dichter', had in de bundel niet misstaan. Immers, vooral een deskundige vergelijking van de Reinaert met zijn Franse bronnen geeft inzicht in het eigene en het bijzondere van Willems schepping.
De Vlaamse Reinaert is het werk van een superieur dichter, waaraan nog vele literaire aspecten te ontdekken vallen. Ter illustratie hiervan een voorbeeld. Als Reinaert naar het hof gaat, legt hij onderweg tegenover Grimbeert de das zogenaamd een biecht af. Een gedeelte daarvan is een uitvoerig verhaal over de wijze waarop Reinaert de wolf Isengrijn in de val heeft laten lopen in de voorraadschuur van een pastoor (ed.-Lulofs, vs. 1508-1605). In dat verhaal nu treedt de vos op als verteller van een Reinaert-avontuur, en wel zo dat zijn vertelling een afspiegeling is van die van Willem, de schepper van de roman waarvan Reinaert de held is. Wie dit literaire rollenspel van auteur, verteller en protagonist in ogenschouw neemt, kan toch moeilijk geloven dat de Reinaert bedoeld zou zijn als een moralistisch verhaal met een negatief te beoordelen hoofdpersoon, zoals enkele onderzoekers ons nog steeds willen doen geloven? Tegen dit laatste zijn behartigenswaardige gedachten aangevoerd in een recent artikel van J. Reynaert. Een herdruk daarvan sluit Pade crom ende menichfoude af. Wat we ook van de bundel mogen vinden, hij heeft in ieder geval een interessant en veelzeggend slot.
| MNL Homepage | TNTL |