TNTL 116/3
Geert Booij
Woordensmederij : de geschiedenis van het suffix -erij / Matthias Hüning. - Den Haag : Holland Academic Graphics, cop. 1999. - 319 p. : ill. ; 24 cm. - (LOT ; 19)
-- Ook verschenen als proefschrift Universiteit Leiden.
ISBN 90-5569-064-3 Prijs niet opgegeven
Op 4 februari 1999 verdedigde Hüning bovengenoemde dissertatie, die tot stand kwam onder leiding van prof. dr. C. van Bree als promotor, en dr. A. van Santen als co-promotor, aan de Leidse universiteit. Het boek is een bijdrage aan de geschiedenis van de morfologie van het Nederlands, een verwaarloosd terrein van de Neerlandistiek. Alleen al daarom is het boek zeer welkom. Daar komt bij dat het boek overvloedig put uit de beschikbare historische bronnen, en een genuanceerd en nauwkeurig beeld geeft van de historische oorsprong van het suffix -erij, dat al in het Frans een tegenhanger had, het suffix –erie (dat in het huidige Nederlands opnieuw gebruikt wordt naast –erij, zoals in condomerie). Hüning laat zien dat het ontstaan van het suffix –erie/-erij niet door één factor bepaald is, te weten herinterpretatie uit de sequentie –er+ie/ij. Dat is zeker een bron, maar daarnaast speelde ook het bestaan van het Franse –erie dat zelf ook weer uit de suffixsequentie –er-ie kan zijn ontstaan, een rol. Voor het hedendaags Nederlands heeft Hüning een groot corpus van gebruiksgevallen van woorden met het suffix –erij opgebouwd. Door deze empirische en historische breedheid is dit boek een verrijking van de Nederlandse morfologie.
Het theoretisch kader dat de auteur als vertrekpunt neemt is dat van de paradigmatische morfologie, d.w.z. ‘morfologie zonder morfemen’, in de traditie van Uhlenbeck en Schultink. De ondertitel van Hünings proefschrift is dan ook eigenlijk onjuist, zoals mijn collega Van Marle bij de promotie opmerkte: er is immers volgens Hüning strikt genomen geen suffix –erij met een eigen geschiedenis, er zijn alleen woorden die –erij bevatten.
Hüning kiest een heel radicaal paradigmatisch standpunt. Volgens hem is alle woordvorming een kwestie van analogie, van het projecteren van betrekkingen tussen bestaande woorden naar nieuwe woorden, waardoor nieuwe gelede woorden ontstaan. Hüning ontkent dus het bestaan van woordvormingsregels met een syntagmatisch karakter, naast analogische woordvorming, anders dan eveneens paradigmatisch georiënteerde morfologen zoals Van Marle (zie bijvoorbeeld Van Marle 1985). Ik zal in deze beknopte recensie deze kwestie niet uitvoerig bespreken (zie de kritische bespreking van Laurie Bauer van de studie Analogie und morphologische Theorie van de Duitse taalkundige Thomas Becker die een soortgelijk standpunt als Hüning inneemt, in het Yearbook of Morphology 1992, 264-267). Een gevolg van deze visie is dat er geen wezenlijk verschil meer bestaat tussen affixtoevoeging en affixsubstitutie. Ook ‘back formation’ is dan niet iets bijzonders meer, temeer daar Hüning stelt dat paradigmatische relaties geen richting kennen.
Het algemene probleem van Hünings theoretische stellingnames is dat hij deze baseert op de analyse van slechts één morfologische categorie, die van woorden op –erij, een categorie die niet zonder meer als representatief beschouwd kan worden voor de hele morfologie van het Nederlands, inclusief flexie. Als men het geheel van de morfologische systematiek van het Nederlands beschouwt, is er mijns inziens wel degelijk reden om regelbepaalde vorming te onderscheiden van analogische, zij het dat de grens niet altijd scherp te trekken valt (cf. Booij & van Santen 1998). Ook het onderscheid tussen creativiteit en productiviteit van Schultink vervalt bij Hüning, omdat volgens hem ‘in principe "alles kan" binnen de morfologie. Er zijn geen principiële grenzen aan de creativiteit van taalgebruikers’ (p. 239).
Hetzelfde probleem, het trekken van theoretische conclusies op basis van één suffix, doet zich voor bij de kwestie of de woordsoort van het grondwoord een rol speelt in woordvorming. Hüning verdedigt het holistische standpunt: morfologische categorieën moeten uitsluitend gekarakteriseerd worden in termen van hun output-eigenschappen. Zo is er dan een morfologische categorie van nomina op –erie, en later –erij. Inderdaad blijkt dit suffix niet zo kieskeurig ten aanzien van de woordsoort van het grondwoord. Maar dat wil niet zeggen dat dat voor ieder affix geldt. In veel gevallen doet de woordsoort van de basis er wel degelijk toe. Het suffix –baar bijvoorbeeld is typisch deverbaal, en combineert niet produktief met adjectieven of nomina.
Interessant aan Hunings proefschrift is ook dat hij aandacht heeft voor de systematiek in de polysemie van het suffix: woorden op –erij horen bij verschillende betekeniscategorieën, zoals nomen actionis, bedrijf (smederij), object (eterij, dat wat gegeten wordt), etc. Hüning geeft semantische schema’s om de onderlinge relaties tussen die verschillende betekenissen te systematiseren. Wat in dit verband als vraag bij mij overbleef , was wat de status van dergelijke schema’s is. Naar mijn idee moeten dergelijke schema’s niet als affix-specifiek worden opgevat, maar als algemene conceptuele uitbreidingsschema’s (cf. Booij 1986).
Mijn samenvattend oordeel is: een mooi proefschrift met een rijkdom aan gegevens; de radicale theoretische positie die Hüning inneemt roept echter vragen op omdat deze alleen onderbouwd wordt met feiten betreffende de woorden op –erij.
Literatuur
Booij 1986 -- G.E. Booij, ‘Form and meaning in morphology; the case of Dutch "agent nouns"’. In: Linguistics 24 (19...), p. 503-517.
Booij & van Santen 1998 -- G.E. Booij & A. van Santen, Morfologie. De woordstructuur van het Nederlands. 2e geheel herz. dr. Amsterdam, 1998.
Van Marle 1985 -- J. van Marle, On the paradigmatic dimension of morphological creativity. Dordrecht, 1985.
| MNL Homepage | TNTL |