TNTL 116/3

Eep Francken

Van Mafeking tot Robbeneiland : Zuid-Afrika in de Nederlandse literatuur 1896-1996 / Wilfred Jonckheere. - Nijmegen : Vantilt, cop. 1999. - 224 p., [16] p. pl. : ill. ; 25 cm

ISBN 90-75697-21-X Prijs: ¦ 39,90

De schrijver bespreekt ‘bellettrie en persoonlijke teksten’ (p. 9) over Zuid-Afrika; hij presenteert in een doorlopend verhaal een lange reeks van werken en werkjes uit de aangegeven eeuw. Het gaat Jonckheere hierbij niet om ‘de beste literatuur’, maar om het beeld van Zuid-Afrika in Nederland en Vlaanderen, voorzover via literatuur gevormd. Tegelijk wijst hij erop hoe de heersende kijk op een ander land verbonden is met het heersende zelfbeeld. In wat de Nederlanders en Vlamingen in Zuid-Afrika bespeuren en erover te berde brengen, portretteren zij dus zichzelf.

Jonckheere schrijft over boeken van uiteenlopende slag, schrikt niet terug voor straatliederen en al evenmin voor samenspraken van de Christelijke Jongelingsvereniging. Hij bepleit het cultuur-historisch belang van werk dat buiten de echte literatuur valt, maar niettemin (of zelfs: juist) meebepaalt hoe men tegen Zuid-Afrika aankijkt. Het grote voorbeeld: de geliefde veelschrijver Penning, voor een paar generaties dé representatie van Zuid-Afrika, maar, zo zegt Jonckheere, nog nooit serieus bestudeerd (p. 15).

Dit boek is een wetenschappelijk werkstuk, dat de auteur zelf in het kader van de ‘imagologie’ plaatst, een aanvankelijk Frans-Duitse tak van de vergelijkende literatuurstudie, uitgelopen in Saids oriëntalisme. Wie het zo opvat, moet twee kwesties uit elkaar houden: aan de ene kant het bevooroordeelde beeld dat men ‘van een bepaalde literatuur en cultuur’ (p. 11) heeft, en dat gecorrigeerd wordt als men zich er zelf in verdiept (Ter Braak beschrijft in 1939 zijn eigen vooroordelen over Afrikaanse literatuur, die aangetast worden als hij Van Wyk Louw leest), aan de andere kant de even bevooroordeelde visie op een ander land, die men bespeurt door de eigen literatuur over dat land tegen het licht te houden. Jonckheere gaat het om dit laatste.

Deze studie sluit behalve bij de oudere imagologie trouwens ook aan bij gedachten over het belang van populaire literatuur die sinds de jaren zeventig door literatuurhistorici en andere geleerden naar voren zijn gebracht. Bij een onderwerp als dat van Jonckheere kun je de ‘good bad books’ dan ook op ongedwongen manier ten tonele voeren.

De compositie was niet eenvoudig. Twee onderwerpen overheersen: de Boerenoorlog en de apartheid. De Boerenoorlog paste zowel in Nederland als Vlaanderen bij de heersende ideologie: de Vlamingen zagen in de Boerenstrijd tegen de Engelsen een pendant van hun eigen gevecht tegen het Frans; de Nederlanders -- met zichzelf minder tevreden dan vandaag de dag -- bespeurden bij de Boeren een terugkeer van Nederlands elan uit de zeventiende eeuw, dat in het decadente moederland gemist werd. Ook de apartheid raakte Nederlandse snaren. Na de moord op de Nederlandse joden was men terecht gevoelig voor rassendiscriminatie. De mooie reputatie van de Afrikaner uit de Boerenoorlog was vergeten: hij droeg trekken van de fascist uit ’40-’45.

Het valt te begrijpen dat Jonckheere de literatuur over deze twee hoofdonderwerpen bespreekt in afzonderlijke hoofdstukken. Toejuiching tegenover veroordeling, door allebei schemert het zelfportret. Maar op die manier laat hij de voor de hand liggende chronologische volgorde los. En de moeilijkheid is vervolgens: wat te doen met de rest, met alles wat wel over Zuid-Afrika gaat, maar niet over Boerenoorlog of apartheid? Jonckheere kiest voor een hoofdstuk tussen de twee grote onderwerpen in, over gemengd werk van Penning tot en met Henk van Woerden. Een van de nadelen: de beschouwing over de arme, verwaarloosde Penning wordt in tweeën geknipt.

Jonckheere is goed op de hoogte van Nederlandse toestanden, maar laat Willem Barentsz en Jan Pietersz Coen verdwalen tussen de ‘helden die admiraals waren en talloze zeeslagen vochten en wonnen’ (p. 112). Vergelijkbare eigenaardigheden: hij kan in een gedicht van Ten Berge de vogelaar ‘Nico T.’ niet thuisbrengen (Nobelprijswinnaar Niko Tinbergen?) en schrijft aarzelend over ‘ene dr. J. Groneman die in Jogjakarta woonde’ (p. 37, de productieve Indische schrijver Isaäc Groneman, zie de Oost-Indische spiegel van Nieuwenhuys).

Dit zijn details. Maar als hij zegt dat ‘de Nederlandse media’ Willem Frederik Hermans ‘een racist noemden’ (p. 140) wordt Jonckheere dupe van het zelfportret van Hermans. Ook inzake Reve slaat hij de plank net mis: hij verbaast zich over diens kritiekloze praatjes over de apartheid, en toont daarmee te weinig oog voor Reves permanente provocatie (p. 141).

Jonckheere schrijft over: ‘het literaire circuit in Nederland en Vlaanderen’ (p. 9), terwijl hij tegelijk wijst op ‘het christelijk-nationaal perspectief’ (p. 118) vanwaaruit vooral het Nederlands historisch proza geschreven blijkt. Hier tekent zich binnen Nederland een duidelijk ‘sub-circuit’ af, met eigen uitgeverijen in het Oosten des lands en een eigen Zuid-Afrika-beeld. Het is bijvoorbeeld alleen hier (en niet in ‘het’ literaire circuit) dat Pennings boerenprijszang nog lang lezers vond. Wanneer vond de omslag precies plaats? Wanneer veranderde Zuid-Afrika van paradijs in hel? Jonckheere is onzeker: hij heeft het soms over boerenhulde ‘tot de jaren zestig’ (p. 119), dan weer over ‘tot en met’ (p. 133). Ook hier liggen regionale en sociale verschillen voor de hand. Bij wijze van vervolg -- waartoe dit boek zeker inspireert -- zou receptie-onderzoek welkom zijn. Jonckheere kan er nu alleen incidenteel aandacht aan geven, maar in het kader van ‘zijn’ beeldvorming kan men er niet buiten.

Maar Jonckheeres boek is niet alleen een bijdrage aan de literatuurwetenschap. Hoewel studies zonder woorden als ‘thematiseren’ en ‘discours’ niet meer voor geld te koop zijn, schrijft Jonckheere ontspannen en zakelijk. Zijn commentaar is deskundig en verhelderend. Dat geeft zijn boek ook waarde als plezierige introductie tot deze merkwaardige doorsnede uit onze literatuur.

Ieder weet van emoties rond de Boerenoorlog en kent de naam Penning, maar wie weet bijvoorbeeld hoe de beroemde schrijver stond tegenover zwart Zuid-Afrika? Jonckheere besteedt er een essayistische uitweiding aan. Behalve de Tachtiger Verwey die, vanuit zijn eigen strijd tegen het decadentisme, in de Boeren ‘een ander en beter mensensoort’ ontwaarde ( Van Halsema), kiezen ook Van Eeden en zelfs Kloos partij voor de Boeren. Van Eeden schreef een sonnet en droomde dat hij in Zuid-Afrika was (‘ik had het geweer van een gedoode boer en ik oefende me steeds in ’t mikken’, p. 27); Kloos kritiseerde, ook al in sonnetvorm, de Hollandse slapheid:

Ja, wij, de zonen van ons zwaar, oud Holland,
Wij, die hier zitten in ons kalm-log Rijkje,
Zien ’t aan, en zeggen: ‘’t Spijt ons wáárlijk zeer’!

Wie kent de jeugdromans van Nienke van Hichtum over de zoeloejongen Oehoehoe uit de jaren 1899-1901? Jonckheere vestigt er de aandacht op, omdat Van Hichtum haar held niet alleen sympathiek voorstelt, maar ook zonder de gewone neerbuigendheid; navolger in dit opzicht is D.A. Cramer-Schaap, Op drift geraakt in Zuid-Afrika (1953), met een grote rol voor Bosjesmannen. Aster Berkhofs Mama Pondo (1971) is welbekend, maar Jonckheere wijst ons op een eerder anti-apartheidsboek uit Vlaanderen: De neger op de sofa van Tone Brulin (1964). Over de anti-apartheidsliteratuur is Jonckheere overigens ronduit streng (‘Het kan niet anders dan een schrijnende tekortkoming genoemd worden dat de volgende dertien cruciale jaren geen Nederlandse literaire anti-apartheidsteksten in prozavorm opleverden’, p. 182) maar over de dichters kan hij niet mopperen. Ze hebben massaal van zich laten horen, al was dat dan vooral onder de indruk van het lot van hun collega Breytenbach:

Dit gedicht schaamt zich gedicht te zijn
woede wil andere wapens dan woorden
ja het schaamt zich gedicht te zijn en geen schot
waarmee het -- dichter -- jouw beul kan vermoorden (Lucebert)

Jonckheere’s boek is behalve een verdienstelijke imagologische studie: een goudmijntje voor wie op zoek zijn naar romans, verhalen, egodocumenten of gedichten over Zuid-Afrika, voor Nederlandstalige lijders aan Zuid-Afrikaanse leeshonger.


| MNL Homepage | TNTL |