TNTL 116/3

Gert-Jan Johannes

Liefhebbers en gewoontelezers : leescultuur in Den Haag in de achttiende eeuw / José de Kruif. - Zutphen : Walburg Pers, 1999. - 360 p. : ill. ; 25 cm. - (Bijdragen tot de geschiedenis van de Nederlandse boekhandel ; Nieuwe Reeks 4)

Ook verschenen als proefschrift Universiteit Utrecht, 1999

ISBN 90-5730-080-X geb. Prijs: ƒ 79,50

Liefhebbers en gewoontelezers is de handelseditie van een dissertatie op het gebied van de Nederlandse boekgeschiedenis. Die laatste term moet men hier niet in de traditionele betekenis opvatten. Het gaat hier niet om antiquarisch-bibliofiel gepeuter, titellijsten zonder enige reflectie van betekenis, dan wel ‘onbekend gebleven’ details waarvan men zou wensen dat ze voor eeuwig ‘onbekend’ waren gebleven. Dit proefschrift is een uiterst boeiende en interessante poging de werelden van het empirisch-kwantificerend onderzoek en die van de meer inhoudelijke analyse nader tot elkaar te brengen op het terrein van de boekgeschiedenis.

De inleidende hoofdstukken geven een algemeen overzicht van het onderzoeksgebied: Darnton, Chartier, Bourdieu, Kloek en Mijnhardt, Brouwer, Engelsings leesrevolutie, Plumbs commercialiseringsthese, etc. Het overzicht is helder en informatief. Soms ook vermakelijk door de kordate schrijfstijl van De Kruif, met tussenknallers als ‘De boekhistorici zijn er duidelijk nog niet uit’ of ‘Bourdieu is daarbij niet kinderachtig geweest in zijn definitie van cultuur’. Wel vertoont de auteur hier en daar de neiging tegen een dood paard te trappen. Bovendien schopt ze er soms een beetje overheen.

Dit laatste is bijvoorbeeld ook het geval waar ze in hoofdstuk 2 met verve tekeergaat tegen enkele mentaliteitshistorici en onderzoekers van ego-documenten. Deze onverlaten trekken soms vergaande conclusies op basis van slechts één enkel geval, en dit bevalt de auteur maar niets. De Kruif heeft globaal gesproken natuurlijk gelijk met haar kritiek op een dergelijke werkwijze, waarbij de ‘steekproef’ de gedaante N=1 aanneemt. En in abstracto klinkt haar warme pleidooi voor de kwantificerende benadering zonder meer plausibel. Maar het blijft een feit (zoals ze zelf ook wel degelijk aangeeft) dat de primaire belangstelling van de gewraakte onderzoekers nu juist vaak uitgaat naar het soort verschijnselen waarover haar kwantificerende benadering weinig of niets kan zeggen: individueel leesgedrag, persoonlijke leeservaringen.

Na een analyse van de voors en tegens van verschillende typen bronnen komt De Kruif in hoofdstuk 2 tot een keuze voor onderzoek naar het boekenbezit in boedelinventarissen in Den Haag gedurende de achttiende eeuw. (Met enige kwade wil zou je eraan kunnen herinneren dat ook dit in zekere zin een ‘N=1 studie’ is, waarbij uit het totale bestand aan steden een steekproef van 1, Den Haag, is getrokken.) Daarbij isoleert ze uit het zeer omvangrijke bestand aan achttiende-eeuwse Haagse boedelinventarissen drie perioden voor nader onderzoek: de jaren 1700-1710, 1750-1760 en 1790-1800. Met grote zorg zet De Kruif de problemen rond de representativiteit uiteen. Meer in het algemeen kan worden gezegd dat haar zorgvuldige methodologische beschouwingen van minstens zo grote waarde zijn als haar eigenlijke conclusies. Natuurlijk bevatten ze voor de resultaatgerichte lezer veel zero-information: ideeën die ze heeft verworpen, hypothesen die niet toetsbaar bleken, etc. Maar juist daarom kan haar studie ook voor later boekhistorisch onderzoek van grote waarde zijn, omdat ze alle theorieën en hypothesen, mogelijkheden en onmogelijkheden, valkuilen en beslissingen, zo openhartig en lucide bespreekt.

In de hoofdstukken 3 t/m 5 gaat De Kruif haar materiaal met tal van statistische bewerkingen te lijf. Ze opereert daarbij als een stierenvechter: nu eens een voorzichtig plaagstootje met de ene statistische toets, dan weer een flinke voltreffer met de andere, totdat de gegevens volledig uitgeput zijn. De conclusies blijken op hoofdpunten allerlei eerder onderzoek, van o.a. Kloek, Mijnhardt en Brouwer, te bevestigen. Er is weinig of niets van een werkelijke ‘leesrevolutie’ te bespeuren, godsdienstige lectuur en Cats zijn als vanouds favoriet, enzovoort. Maar de winst van dit onderzoek is, dat er op tal van punten nu zeer genuanceerde gegevens ter beschikking komen. Zo weet De Kruif de boekbezitters op diverse wijzen in clusters in te delen en kan ze voor verschillende perioden een Haagse ‘top tien’ van favoriete boeken aangeven. Ook zet ze nieuwe vraagtekens bij de gedachte dat de term ‘broodschrijver’ in de achttiende eeuw al duidde op een markt voor professionele auteurs. Verder bevestigt ze, aan de hand van het aantal buitenlandse titels in de bestanden, dat het met de ‘verfransing’ wel meeviel -- een conclusie die vooral interessant is omdat je juist in de diplomatenstad Den Haag de meeste verfransing zou verwachten. (Overigens is het jammer dat hier alleen gespeurd is naar titels in buitenlandse talen; het zou interessant zijn om ook de brontaal van vertaalde werken in de analyse te betrekken.)

Zelf keek ik om persoonlijke redenen met extra belangstelling naar dit boek. In enkele recente studies die ik voor het NWO-programma ‘Nederlandse cultuur in Europese context’ schreef, verdedigde ik onder meer de stelling (die al besloten lag in onderzoek van auteurs als de zojuist genoemde), dat er in de achttiende-eeuwse boekenwereld in Nederland eerder sprake was van evolutie, dan van (lees)revolutie. Naar mijn idee was er al rond 1700 ‘een zeker plafond’ bereikt, waarna -- vooral sinds het wegvallen van veel mogelijkheden tot productie voor het buitenland (Frankrijk) -- nog slechts geringe expansiemogelijkheden overbleven. Pas de bredere alfabetisering en de technologische vernieuwingen zouden in de loop van de negentiende eeuw nieuwe mogelijkheden tot expansie bieden. Op grond van heel andere gegevens komt De Kruif nu tot globaal dezelfde conclusie dat er ‘een zeker plafond was bereikt’. Het aardige is echter, dat de auteur de verschijnselen in kwestie nader tracht te beschrijven met behulp van een economisch-historisch begrippenapparaat. De gesignaleerde problemen zouden te herleiden zijn tot stagnatiefenomenen die inherent waren aan de ‘levenscyclus’ van het boek als product. Zo valt beter te begrijpen hoe de paradoxale situatie kon ontstaan dat een proliferatie en diversificatie van titels samenging met stagnatieverschijnselen. De toename van het aantal titels en de grotere variëteit moeten eerder worden opgevat als pogingen van boekhandelaren om de verzadiging van de markt en de stagnatie te overwinnen, dan als reactie op een werkelijk opvallend grotere, reële vraag. Pas door toegenomen alfabetisering en technologische vernieuwingen kon in de negentiende eeuw een nieuwe ‘levenscyclus’ van het boekproduct beginnen.

Alvorens het boek af te sluiten met conclusies, literatuuropgaven en zeer uitgebreide bijlagen met tabellen en verantwoordingen, besteedt de auteur nog een gedeelte van hoofdstuk 5 aan de heikele vraag in hoeverre het lectuurbezit een ontwikkeling in de richting van ‘verlichte’ denkbeelden vertoont. Daartoe gaat ze onder meer na of Voltaire, Rousseau, Montesquieu en de Encyclopé die in de boedels voorkomen, en of er veel ‘verdachte’ literatuur van politieke of pornografische aard terug te vinden was. De conclusie luidt wederom in grote lijnen negatief. Naar mijn idee nadert De Kruif echter in dit soort beschouwingen de grenzen van haar materiaal wel zeer dicht. Soms overschrijdt ze die zelfs ruimschoots. Zo wijst ze ergens op de curieuze voorkeur van een oude barones, die een grote verzameling burleske werken naliet. Maar zo’n uitspraak over een ‘voorkeur’ kan eigenlijk helemaal niet worden gedaan, zolang we niet weten of de barones die verzameling misschien een week voor haar dood nog geërfd had van een jolige broer of neef. Waar het gaat om de aanwezigheid van ‘verlichte’ werken geldt bovendien, dat De Kruif hier wat weinig rekening houdt met het door haarzelf al gesignaleerde ‘vertragingseffect’. Veel boedelinventarissen worden opgemaakt naar aanleiding van een sterfgeval, en ze zeggen vooral iets over de lectuurkeuze die iemand in de bloei van zijn leven, zo’n twintig, dertig jaar eerder, maakte. De Kruif weet dit en merkt dit zelf ook herhaaldelijk op. Maar ze kan het af en toe toch niet laten om te spreken over ‘het’ boekenbezit in de ‘hele’ achttiende eeuw. Dit geldt ook waar zij slechts in enkele boedels een exemplaar van Goethe’s Werther vindt. Zij concludeert daaruit dat dit boek een minder grote klapper was dan men vaak denkt. Maar het lijkt mij volstrekt onredelijk om Werther al vóór 1800 op enige schaal in boedelbeschrijvingen van overledenen te verwachten - tenzij men werkelijk geloof hecht aan de legende dat de kopers van dit boek massaal en onverwijld zelfmoord pleegden. Hier doet zich het grappige verschijnsel voor dat enkele van de spannendste passages in Liefhebbers en gewoontelezers die zijn, waarin de auteur haar eigen zorgvuldige voorbehouden een moment uit het oog verliest.

Zoals gezegd: dit is in zekere zin een bijzonder boek. Ongetwijfeld bestaan er auteurs die meeslepender schrijven of een bredere cultuurhistorische kennis hebben dan De Kruif. Maar die mensen zijn vaak al blij als ze hun computer kunnen aanzetten zonder daarbij de harde schijf te wissen. Omgekeerd bestaan er veel methodologische whiz-kids die nauwelijks lijken te beseffen wat ze nu eigenlijk aan het onderzoeken zijn. De grote meerwaarde van deze dissertatie ligt naar mijn idee in de redelijk harmonische vereniging van ‘alfa-’, ‘bèta-’ en ‘gamma’-benaderingen. Daarom verbaast het mij wel wat, dat de promotiecommissie hier geen cum laude heeft toegekend. Kennelijk heeft men geheel andere normen in het hoofd, wanneer het gaat om de vraag wat iemand -- binnen de gebruikelijke termijn van vier à vijf jaar -- op boekhistorisch gebied zoal tot stand kan brengen. Ik begin dan ook steeds nieuwsgieriger te worden naar de onderzoeker die aan deze normen kan voldoen. Om John Keats te parafraseren: ‘Where’s that scholar? Show him! Show him, / Muses nine, that I may know him!’


| MNL Homepage | TNTL |