TNTL 116/3

A. Maljaars

Nationale hymnen : het Wilhelmus en zijn buren / Louis Peter Grijp (red.). - Nijmegen : SUN ; Amsterdam : Meertens Instituut, cop. 1998. - 207 p. : ill. ; 24 cm. - (VB, ISSN 0166-0667 ; 24.1 (1998))

ISBN 90-6168-693-8 Prijs: ƒ 29,50

Deze bundel, zo vermeldt de redacteur in zijn Inleiding, is het verslag van een symposium dat door het Meertens Instituut op 25 april 1997 in Amsterdam werd georganiseerd, onder de titel Nationale hymnen. De dynamiek van een klinkend symbool. Het feit dat op dat symposium de meeste lezingen over ons eigen volkslied handelden, zal ertoe geleid hebben dat aan de verslagbundel een andere titel is meegegeven, die een reëlere indruk geeft van datgene wat geboden wordt. Er is trouwens een nog opvallender verschil tussen toen en nu. In deze bundel wordt de geschiedenis/receptie van het Wilhelmus over drie artikelen verdeeld, respectievelijk handelend over de tijd van de Republiek, de periode van 1813 tot 1939 en die van de Tweede Wereldoorlog tot nu. Het eerste is van de hand van Martine de Bruin, de andere twee van de samensteller van de bundel, Louis Grijp. Op het symposium evenwel was de vorige eeuw, met uiteraard als belangrijkste ingrediënt de verhouding tussen het Wilhelmus en Tollens’ Wien Neêrlands bloed, voor rekening van iemand anders. Diens plaats is nu in de bundel dus ingenomen door Louis Grijp. Naar de reden daarvan kan men slechts gissen; gemotiveerd wordt deze wijziging niet.

Nu heeft Grijp gemeend aan zijn inleiding een comparatief gedeelte te moeten toevoegen, waarin hij, naar eigen zeggen om de lezer op weg te helpen (misschien zijn er lezers die het als ‘voor de voeten lopen’ ervaren), alvast de belangrijkste overeenkomsten met betrekking tot receptie, contrafactuur, betekenisgeving en rituelen tussen onze nationale hymne en die van onze buren (Frankrijk inbegrepen) nader uitwerkt. En omdat bovendien Martine de Bruin in haar bijdrage zich aan Grijp schatplichtig verklaart en Eberhard Nehlsen hier zijn dissertatie, waarin hij betuigt ten aanzien van de contrafactuur de ideeën van Grijp te volgen, dunnetjes overdoet, zeg ik niets te veel, als ik stel dat Grijp een sterk stempel op deze bundel heeft weten te drukken. Ik heb hem dan ook al enkele malen als ‘de bundel van Grijp’ horen betitelen, en dat was bepaald niet alleen omdat hij nu eenmaal de redactie voert.

Gezegd moet worden dat het slechter kon. In zijn dissertatie over Het Nederlandse lied in de Gouden Eeuw en in enkele artikelen in De zeventiende eeuw heeft Grijp aangetoond dat de contrafactuur van niet te onderschatten belang is bij het bepalen van de mate van populariteit van een lied in enige periode. Het resultaat ten aanzien van het Wilhelmus hebben we in deze bundel voor ons. Tot nog toe ontbeerden we een totaaloverzicht van de receptie van ons volkslied in heden en verleden; er stonden ons slechts een hoofdstuk in Leendertz’ boek over het Wilhelmus uit 1925 en enkele her en der verspreide artikelen ter beschikking, die elkaar trouwens gedeeltelijk overlapten en zeer beperkt van opzet waren. In deze leemte is nu voorzien, met als noviteit dus de gebruikmaking van het mechanisme van de contrafactuur. Men staat er verbaasd van wat de diverse auteurs zoal bij elkaar hebben weten te sprokkelen; het ene gegeven is nog boeiender dan het andere. Natuurlijk hebben zij ook geprobeerd uit de verzamelde feiten algemene conclusies te trekken en een min of meer samenhangend beeld te schetsen van de receptie van het lied in de diverse perioden. En op dat punt beginnen zo hier en daar twijfels en vragen te rijzen, die overigens in mijn ogen inherent zijn aan alle receptie-historisch onderzoek. Een net even wat andere opvatting over de relevantie van een gegeven, een ietwat andere groepering van de verschillende feiten, een iets andere accentuering, en het beeld wordt gewijzigd; soms zouden er wellicht tegenovergestelde conclusies getrokken kunnen worden. In het algemeen gesproken zou ik zelf een wat meer Kloekiaanse voorzichtigheid en terughoudendheid in acht genomen hebben.

Ik zal dat op een concreet punt aantonen. Martine de Bruin stelt zich in haar bijdrage de vraag of het Wilhelmus al tijdens de Republiek het karakter van een nationale hymne had. Zij beantwoordt die vraag positief, op grond van de aan Louis Grijp ontleende criteria populariteit, uniciteit en herkenbaarheid aan specifieke functies: het Wilhelmus was een volkslied avant la lettre. Ik spits mijn vragen toe op het eerste criterium. Volgens De Bruin blijkt uit de gegevens dat het lied zich al snel na zijn ontstaan verbreidde over brede lagen van de bevolking. Maar hoe interpreteer ik binnen dat kader dan de opmerking van de Ommelander rusticus eruditus Abel Eppens, die in zijn dagboek bij 1584, het jaar van Oranjes dood, opmerkt dat het lied "in twe yaren uth alle munden und handen der onderdanen weder verswonden und ondergaen" was? En zijn hoop dat het na Oranjes dood niet opnieuw populair zal worden? De Bruin stelt Eppens voor als een andersdenkende en stelt hem op één lijn met de rooms-katholieke, pro-Spaanse pamflettist Richard Verstegen. Maar Eppens was gereformeerd, anti-rooms en anti-Spaans; in 1580 was hij, na het verraad van Rennenberg, naar Emden gevlucht, waar hij dus in 1584 als balling verkeerde. Een goed vaderlander derhalve, die, met talloze anderen, met lede ogen Oranjes pro-Franse Anjou-politiek aanschouwde en die in het ballingsoord bij uitstek, uitvalsbasis ook van de Watergeuzen, getuigt van een kapitale ineenstorting van de populariteit van de Prins en dito van zijn ‘liedeken’.

Daar komt trouwens nog iets bij. De verschillende zestiende-eeuwse getuigenissen van de populariteit van het Wilhelmus betreffen vrijwel alle mensen uit de onderkant van de samenleving: kinderen (Van Haecht; door De Bruin niet vermeld), scheepsvolk, soldaten, herbergvolk. De genoemde Abel Eppens behoorde tot de sociale elite. De vraag laat zich stellen of de sociale, politieke en culturele elite even verguld was met het Wilhelmus als het ‘volk’. En die vraag wordt nog dringender, als men zich realiseert dat het over een tijd gaat waarin moderne democratische opvattingen nog onbekend waren en het ‘volk’ door de leidinggevenden in de samenleving gewoonlijk als ‘plebs’ werd beschouwd. Moet men, met andere woorden, om van een nationale hyme avant la lettre te kunnen spreken, niet zeker zijn van een brede populariteit juist onder de elite? En wat dan te beginnen met het enige getuigenis van die kant, dat in een heel andere richting wijst?

Dat deze vragen niet van belang ontbloot zijn, blijkt uit de uitermate boeiende beschrijving door Louis Grijp van de lotgevallen van het Wilhelmus in de vorige eeuw en dan speciaal natuurlijk de verhouding tot Wien Neêrlands bloed. Ik distilleer daaruit dat het laatstgenoemde lied ruim een eeuw officieel (maar wat heet officieel precies?) onze nationale hymne is geweest en dat het Wilhelmus daarvoor het veld heeft moeten ruimen. Maar tegelijkertijd leer ik van hem dat het Wilhelmus ten tijde van de bevrijding van de Franse overheersing nog populair en een algemeen aanvaard en geliefd volkslied was, dat het Wien Neêrlands bloed het Wilhelmus toch niet de das heeft omgedaan en niet verdrongen heeft, en dat tijdens en na de Belgische Opstand beide liederen vreedzaam naast elkaar coëxisteerden. Dat lijkt tegenstrijdig. De oplossing, die slechts tussen de regels door gegeven wordt, is deze: het ‘volk’ bleef het Wilhelmus zingen, de ‘beschaafde stand’ hield het op het Wien Neêrlands bloed. Overigens wordt voor de lezer wel duidelijk dat ‘eerherstel’ voor het Wilhelmus in een stroomversnelling gebracht werd door niemand minder dan koningin Wilhelmina.

Zo zijn er meer vragen te stellen en is er op allerlei kleine onderdelen best kritiek te uiten. Mij moet bijvoorbeeld van het hart dat ik van de door Grijp enkele malen geponeerde toe-eigening van het Wilhelmus door calvinisten niet overtuigd ben (het is toch een door en door christelijk lied?) en al evenmin van het intrinsieke verband dat hij ziet tussen deze annexatie en het huidige Wilhelmus-onderzoek (Bonger dan?). Een en ander neemt niet weg dat ik grote waardering heb voor deze bundel, die als themanummer van het Volkskundig Bulletin in een keurig jasje is gestoken en van bijzonder fraaie en interessante illustraties is voorzien. Voor elke Wilhelmus-liefhebber zonder meer een must.

Rest mij nog te vermelden dat Derek B. Scott tekent voor het Engelse volkslied, Willem Frijhoff de Marseillaise voor zijn rekening neemt, dat Tom Verschaffel de Brabançonne plus De Vlaamse Leeuw behandelt en Otto Holzapfel enkele aspecten van de Duitse nationale hymne onderzoekt. Alle bijdragen maken op mij een deskundige indruk; bij de bijdrage van Frijhoff, die tweemaal zo lang is als de andere, kreeg ik het gevoel door de bomen het bos niet meer te kunnen zien; maar dat komt waarschijnlijk doordat hij niet zijn eigen volkslied moest behandelen. Handig is in elk geval dat van elke bijdrage in de bundel een korte Engelse samenvatting is opgenomen.


| MNL Homepage | TNTL |