TNTL 116/3

Frans Ruiter

Pro patria : werken, leven en streven van Gerrit Kalff 1856-1923 / L.H. Maas. - Hilversum : Verloren, 1998. - 317 p. : ill. ; 24 cm. - (Publicaties van de Faculteit der Historische en Kunstwetenschappen, Erasmus Universiteit Rotterdam, ISSN 0929-9823 ; 28. Maatschappijgeschiedenis)

-- Ook verschenen als proefschrift Erasmus Universiteit Rotterdam, 1998.

ISBN 90-6550-430-3 Prijs: ƒ 59,50

Wie in de jaren zeventig Nederlandse letterkunde ging studeren, hoefde niet bang te zijn door zijn docenten lastig gevallen te worden met verhalen over de grootse voorgeschiedenis van het vak. De steevast veelbandige geschriften van de negentiende-eeuwse grondlegger van de neerlandistiek namen in de vakgroepsbibliotheken weliswaar veel plankruimte in beslag, maar werden het inkijken nauwelijks meer waard gevonden. De meest jonge docenten hielden de blik enthousiast vooruit gericht: een hele reeks nieuwe theoretische inzichten (close-reading, structuuranalyse, narratologie, poëtica-onderzoek, receptietheorie) wachtte op toepassing in de onderzoekspraktijk. Niemand vroeg zich af hoe het negentiende-eeuwse voorgeslacht het vak had beoefend en waaraan het zoveel gelukkiger nageslacht zijn wetenschappelijk instrumentarium had te danken. Gewoon een kwestie van vooruitgang.

Hoe zeer is die situatie sindsdien veranderd. Het wetenschappelijke zelfvertrouwen heeft een behoorlijke deuk opgelopen. Het postmoderne kennis- en waarderelativisme eiste ook hier zijn tol, zozeer dat zelfs de waarde van de letterenstudie als zodanig in het geding is gekomen. In het buitenland heeft deze ‘legitimatiecrisis’ aanleiding gegeven tot een kritische bezinning op de voorgeschiedenis van de eigen letterenstudie. Ook bij ons is de belangstelling voor de founding fathers van de neerlandistiek de laatste jaren onmiskenbaar gegroeid. Niet dat allerlei oude studies nu worden herdrukt. Maar wel is er sprake van een sterk gegroeide interesse voor de cultuurhistorische omstandigheden waarin de neerlandistiek is ontstaan en welke opvattingen over de vakbeoefening er in de loop van de tijd hebben gecirculeerd. Publicaties als Een bedenkelijke nieuwigheid, Twee eeuwen neerlandistiek onder redactie van Jan W. de Vries (Hilversum: Verloren, 1997) en het themanummer ‘Van vorming tot vak’ van Nederlandse letterkunde (3 ( 1998), nummer 3) getuigen van deze toegenomen belangstelling. Inmiddels zijn er ook omvangrijker studies verschenen. In 1997 promoveerde Nico Laan op Het belang van de smaak, een wetenschapskritische -- en (daardoor?) nogal a-historisch -- overzicht van tweehonderd jaar academische literatuurgeschiedschrijving. En in 1998 promoveerde L.H. Maas op een studie over het leven en werk van de literatuurhistoricus Gerrit Kalff.

Anders dan Laan stelt Maas zich niet in de eerste plaats wetenschapskritisch op. Hij kiest nadrukkelijk voor een historiserende invalshoek. Kalff is voor hem een historische actor ‘in de zin zoals ook huisvrouwen, lantarenopstekers en pastoors dat zijn’. Maas’ betoog is samengesteld uit een mengeling van historische en biografische gegevens. Gelukkig wordt daarbij de wetenschappelijke context waarin Kalff opereerde, niet vergeten. Want die is de moeite waard: binnen het bestek van een halve eeuw kwamen maar liefst vier volledige literatuurgeschiedenissen tot stand: die van Jonckbloet, Te Winkel, Ten Brink en van Kalff zelf. Maas vergelijkt Kalffs werkwijze met die van deze collega’s, en ook met die van historici als Fruin en Blok.

Biografische gegevens vermeldt Maas naar eigen zeggen uitsluitend in zoverre ze licht werpen op de wetenschapper Kalff. Want: ‘Tot een meer expliciet biografische benadering geven het geraadpleegde materiaal, noch, naar het mij voorkomt, het leven en de persoonlijkheid van Kalff aanleiding. Dat hij een zijde had die de mogelijkheid biedt een enigszins meeslepende, of was het maar een niet al te eentonige biografie te schrijven, mag formeel niet worden uitgesloten. Uit de hier geraadpleegde bronnen blijkt die kant echter niet.’ Klinkt hier iets van teleurstelling van een in zijn ambities gefnuikte biograaf door? Vast staat wel dat de biografische gedeelten, bij voorbeeld over het ‘gedoemde’ gezin Kalff, zijn geschreven met grote zwier en vaart (en ook aanstekelijke ironie).

Een probleem waar de biograaf Maas mee te kampen had was dat de eerste dertig jaar van Kalffs leven (tot hij op eenendertigjarige leeftijd in het huwelijk treedt) zich beter leenden voor een biografische behandeling dan de periode daarna, omdat de jonge Kalff zich in zijn brieven nog veelvuldig uitliet over zijn gevoelsleven. Later wordt hij daarin veel terughoudender. Omdat Maas de chronologie van de levensloop van Kalff als leidraad voor zijn betoog neemt, leidt dat tot enige onevenwichtigheid. Zo horen we uitgebreid over Kalffs geworstel met zijn proefschrift -- hij had, bekend euvel, een veel te omvangrijk onderwerp gekozen -- maar tasten we vervolgens in het duister over hoe Kalff zijn zevendelige Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde tot stand heeft gebracht. Dat moet toch een enorm karwei zijn geweest dat vandaag de dag zelfs een neerlandicus met een levenslang sabbatical nog niet makkelijk tot een goed einde zou weten te brengen.

Deze monumentale geschiedenis, naar ik aanneem in laatste instantie toch de rechtvaardiging om een uitgebreide monografie over de Gerrit Kalff te schrijven, komt er nogal bekaaid af. Alsof we plotseling in het oog van de orkaan zijn terechtgekomen, valt er ineens een grote stilte zodra Maas met zijn relaas bij de Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde is aanbeland. Uiterst laconiek voegt hij de lezer toe: ‘Het werk wordt hier niet op zijn literatuurwetenschappelijke merites gewogen. De inhoud ervan wordt zelfs niet in grote lijn weergegeven. Het is teveel. Wie zijn op details gespitste kennishonger niet kan bedwingen, raadplege -- het kan niet genoeg aanbevolen worden -- Kalff.’ Een aardige aanbeveling. Maar tegen de achtergrond van de in de inleiding uitdrukkelijk gememoreerde bedoeling om de lezer inzicht te geven in de betekenis van Kalff als literatuurhistoricus, is het merkwaardig dat Maas voor de behandeling van vakmatige aspecten van Kalffs werk naar ‘in deze kwestie bevoegde onderzoekers’ doorverwijst. Hier stelt de historicus Maas zich te bescheiden op.

Nu wil ik de auteur niet gaan kapittelen over wat hij níet heeft behandeld, want Pro Patria. Werken, leven en streven van de literatuurhistoricus Gerrit Kalff biedt zoals het is meer dan voldoende. Maas is er op bewonderenswaardige wijze in geslaagd zich te engageren met zijn onderwerp en toch het evenwicht te bewaren tussen invoeling en kritische afstand. Aan het slot van het relaas had ik zoveel meedogen met de held opgebouwd dat het me bijna pijn deed te lezen dat Annie Verschoor en Jan Romein als jonge studenten de oude Kalff maar een ‘onbenullige man’ vonden en tijdens zijn colleges in de collegebanken zaten te klieren.

Bijna aandoenlijk ook zijn de eindeloze maar vergeefse inspanningen van Kalff om de Volksweerbaarheid-beweging een sprankje leven in te blazen. De Volksweerbaarheid wilde opwekken tot onafhankelijkheidszin, nationaal zelfbewustzijn, vaderlandsliefde, en militaire en maatschappelijke weerbaarheid. Kalff, met zijn hooggestemde nationale idealen, was jaren lang de begeesterde voorzitter van deze vereniging. Het weinige volk dat uiteindelijk schoorvoetend lid werd, was minder begeesterd door deze idealen. Het beschouwde de vereniging voornamelijk als een goedkope gelegenheid om te kunnen schieten en sporten. Toen in 1914 met de dreiging van de Wereldoorlog net over de grens, geronseld werd voor de landstorm, meldden zich tot groot verdriet van Kalff nauwelijks een vrijwilliger.

Maas spaart zijn kritiek op Kalff niet (bijvoorbeeld wat betreft de voorstelling van zaken die Kalff later in zijn leven over zijn diensttijd heeft geven). Tegen onterechte kritiek neemt hij Kalff echter in bescherming. Zo weet hij aannemelijk te maken dat het merkwaardige, ontluisterende levensbericht, geschreven door Kalffs bloedeigen zoon na het overlijden van zijn vader, veel kwaadsprekerij bevat. Hier, en ook op andere plaatsen, legt Maas dan weer zoveel hartstocht aan de dag in zijn verdediging van Kalff dat het de indruk wekt dat hij erop uit is oud onrecht Kalff ooit aangedaan alsnog recht te zetten.

Bijzonder veel moeite getroost Maas zich om aan te tonen dat Kalff geen notoire conservatief was. Diens nationalisme en leidende rol in de Volksweerbaarheid staan vanuit hedendaags perspectief al snel onder een dergelijke verdenking. Kalff was volgens Maas echter een moderne, vooruitstrevende liberaal die een grote belangstelling en betrokkenheid had bij de ontwikkelingen van zijn tijd. Nationalisme was in de negentiende eeuw bij de liberale elite, zeker waar het de meer idealistisch bevlogenen onder hen betrof, allerminst taboe. Aan dit soort nationalisme hebben we, zoals Maas tevens laat zien, het vak Nederlandse taal- en letterkunde te danken.

Ondanks zijn in het oog springende nationalisme was Kalff politiek en wetenschappelijk allerminst een radicaal, maar steeds een man van het midden: conciliant op politiek, eclectisch op wetenschappelijk gebied. Hij stond ook op relatief goede voet met de Tachtigers, en had regelmatig contact met Van der Goes en Verwey, en kon de nodige waardering voor hun werk opbrengen. Of dat betekent dat de culturele aspiraties van Kalff en de Tachtigers inderdaad verwant waren, hetgeen Maas ons graag wil doen geloven, betwijfel ik een beetje. Het volkse engagement van Kalff, dat het Leitmotiv in Maas’ studie vormt, lijkt mij op gespannen voet te staan met het agressief beleden heroïsche individualisme dat de Tachtigers, zeker in hun beginperiode, kenmerkte.

Maas is het echter hartgrondig oneens met het vigerende beeld dat er destijds een onoverbrugbare kloof heeft bestaan tussen de Tachtigers en het culturele establishment. Zeer misleidend is in zijn ogen Ton Anbeek in zijn Geschiedenis van de Nederlandse literatuur tussen 1885-1985. Deze krijgt pittige kritiek te incasseren: ‘De polarisatie-historicus [zoals hij Anbeek noemt] overdrijft de contrasten, constateert, desnoods tegen de klippen op, breukvlak na breukvlak. Het bijbehorende idioom is soldatesk: strijd, afrekenen, tegenstanders, overwinnen, moed, enz. Dat was de terminologie van Tachtig en het is de terminologie van Anbeek. Onder de voornaamste slachtoffers moeten gerekend worden: begrip voor continuïteit en een juiste waardering van wiens zijde men kiest’. Naar mijn mening is deze kritiek van Maas niet geheel terecht: Anbeek kiest er in zijn boek expliciet voor de continuïteit van de literatuurgeschiedenis buiten zijn verhaal te laten. Hij schrijft daarmee niet zozeer een partijdige als wel een perspectivische literatuurgeschiedenis. Nog afgezien daarvan zou je van de historicus Maas hebben mogen verwachten dat hij de kans zou hebben aangegrepen Anbeeks literatuurgeschiedenis historisch te benaderen, zoals hij dat ook met het oeuvre van Kalff doet. Om hier dan zelf maar even als zo’n historicus op te treden: volgens mij demonstreert Maas’ kritiek hoezeer de koersnotering van de notie ‘continuïteit’ binnen de geschiedwetenschap de laatste jaren is gestegen, en die van ‘breuk’ is gedaald.

Maas’ neiging om waar maar enigszins mogelijk in debat te gaan, houdt zijn betoog overigens wel bijzonder levendig. Met Pro Patria heeft Maas een zeer degelijke, rijke en stilistisch uitstekende studie geschreven, die duidelijk demonstreert hoe interessant het kan zijn zich in de geschiedenis van het de neerlandistiek te verdiepen. Dat er maar meer van dergelijke uitstekende monografieën mogen volgen.


| MNL Homepage | TNTL |