TNTL 116/3
Sonja van Stek
Editiewetenschap <!--in de praktijk--> / Edward Vanhoutte & Dirk van Hulle. - [s.l.] : Genese, 1998. - 133 p. ; 20 cm -- Te bestellen bij de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Koningstraat 19, B-9000 Gent.
ISBN 90-74900-13-5 Prijs niet opgegeven.
‘In heel de wereld gaan steeds meer literatuurwetenschappers zich bezighouden met de manieren waarop literaire teksten ontstaan en met de wijze waarop ze aan het publiek werden en worden aangeboden’, aldus Geert Lernhout in zijn voorwoord bij Editieweten-schap <!--in de praktijk--> . Ook in Vlaanderen is een dergelijke toenemende aandacht voor teksteditie waar te nemen; echter, de Vlamingen hebben het gevoel een achterstand in te moeten halen, vooral ten opzichte van het Duitse, Franse en Angelsaksische taalgebied. Men kijkt dan ook met enige jaloezie naar Nederland met haar Constantijn Huygens Instituut voor tekstedities en intellectuele geschiedenis (CHI). Daar worden immers Vlaamse schrijvers als Karel van de Woestijne (historisch-kritische uitgave, 1996) en Willem Elsschot (leeseditie in voorbereiding) door Nederlandse editeurs ‘weggepikt’. Editiewetenschap <!--in de praktijk--> bevat de acht artikelen van de lezingen, gehouden tijdens de Studiedag Editiewetenschap aan de universiteit van Antwerpen op 3 december 1997. Het boekje is samengesteld door Dirk Van Hulle en Edward Vanhoutte. Globaal gezegd geeft het een overzicht van de stand van zaken op het gebied van de editiewetenschap in Vlaanderen en Nederland. Hieronder volgt een impressie van de verschil-lende bijdragen.
Geert Lernhout en Marcel De Smedt houden in respectievelijk ‘Voorwoord. Letterenbeleid in Vlaanderen: de toekomst van het literaire verleden’ en ‘Editiewetenschap in Vlaanderen. Stand van zaken’ een pleidooi voor de editiewetenschap in België. In september 1993 is de interuniversitaire werkgroep Genese opgericht, met als doel het tekstonderzoek in Vlaanderen te coördineren. Aan wilskracht en enthousiasme ontbreekt het -- bij de editeurs -- dan ook niet; echter, de overheid is het probleem; zij heeft vooralsnog de editiewetenschap als ‘pre-wetenschappelijk’ gekwalificeerd waardoor de broodnodige franken voor een op te richten overkoepelend orgaan uitblijven. Zeker met de goudmijn die het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven is, is de oprichting van een centraal gecoördineerd en door de overheid gefinancierd instituut noodzakelijk. Wellicht heeft de andere studiedag, de ‘Staten-Generaal’ te Gent op 17 februari jl. -- die geheel in het teken stond van deze nopende kwestie -- hier verandering in kunnen brengen.
Peter de Bruijn laat zich uit over de Nederlandse situatie. Hij geeft in zijn bijdrage een gedegen overzicht van de edities die -- op het gebied van de moderne letterkunde -- in Nederland gemaakt zijn, voorheen onder auspiciën van het Bureau Basisvoorziening Tekstedities, sinds 1993 opgegaan in het CHI. Ook noemt hij de edities die momenteel in voorbereiding zijn. De Bruijn plaatst een kanttekening bij de voorheen strikte indeling tussen historisch-kritische uitgaven, leesedities en studie-uitgaven. Er bestaat geen communis opinio meer aangaande de historisch-kritische uitgave, en zeker over de commentaar en haar inhoud kan men twisten. Het karakter van tekst en tekstgeschiedenis is doorgaans bepalend voor de inhoud van de commentaar; aangezien deze per tekst nogal kan verschillen is de commentaar niet (meer) eenduidig te definiëren. Ook door de elektronische edities die langzamerhand hun opmars maken, vervagen de grenzen; de gebruiker ervan kan immers kiezen uit een grote hoeveelheid materiaal en bepaalt zelf of hij bijvoorbeeld de variantenlijsten in wil zien, de afbeelding van een in de tekst genoemd schilderij of alleen de schone leestekst. Door deze minder stringente indelingen van de verschillende soorten edities maakt Nederland zich langzamerhand los van het meer dogmatische Duitsland en zoekt toenadering bij de Angelsaksische stroming binnen de editiewetenschap, waar meer interpretatie en eigen inbreng van de editeur is toegestaan. Het CHI wil dan ook graag een schakel vormen tussen beide uiterste stromingen en zo de discussie -- waar tijdens de Internationale Fachtagung der Arbeitsgemeinschaft für germanistische Edition, 4-7 maart jl. te Den Haag, met sprekers uit beide tradities, een eerste aanzet is gegeven -- gaande te houden.
De bijdrage van Yves T’Sjoen is niet meer, maar zeker ook niet minder, dan de titel al aangeeft: een ‘[b]ondige toelichting bij de historisch-kritische editie van Richard Minnes In den Zoeten Inval (1926/1927)’. Ook Yves Van der Fraenen doet verslag van zijn ervaringen bij het vervaardigen van een historisch-kritische editie, en wel van het werk van Maurice Gilliams. De nalatenschap van Gilliams blijkt in al haar grilligheid een dankbaar onderzoeksobject: Gilliams had een obsessie voor het bewerken van zijn teksten waardoor elke nieuwe druk weer nieuw variantenmateriaal laat zien.
Ernst Bruinsma en Koen Haagdorens houden zich bezig met ‘een nauwelijks te verzamelen werk’, te weten dat van Louis Paul Boon. Het is ‘niet te verzamelen’ om de volgende redenen. Ten eerste is de omvang van het werk erg groot. Ten tweede is niet van al het overgeleverde werk de kwaliteit even hoog en dus is het niet relevant om al het werk van Boon opnieuw uit te geven. De derde reden hangt samen met de doelstelling van het Booncentrum, dit instituut wil ‘[pogen] ondermeer via tekstedities, op een intellectueel eerlijke en verifieerbare wijze [...] het beeld van Boon op een aantal plaatsen wezenlijk te corrigeren.’ De ‘editiepolitiek’ van beide editeurs sluit hierbij volkomen aan, aangezien zij veel onnauwkeurigheid en corrupties door de verschillende uitgevers van het werk van Boon hebben geconstateerd.
Wieneke ’t Hoen laat zien hoe zij voor haar project -- de kritische leeseditie van het Verzameld werk van Willem Elsschot -- het Duitse computer-programma TUSTEP gebruikt. Na digitalisering van de teksten kan de computer binnen tien minuten alle verschillen binnen de versies laten zien. Dit spaart niet alleen veel tijd, het is ook nauwkeuriger dan handmatige collatie. Met dit programma zijn al veel edities tot stand gekomen, o.a. James Joyce’s Ulysses door Hans Walter Gabler (1984). In Nederland is het echter de eerste keer dat TUSTEP als hulpmiddel wordt gebruikt bij het voorbereiden van een nieuwe editie.
De stap van computer als ondersteunend middel naar de elektronische editie is nu niet groot meer. De redacteurs van Editiewetenschap <!--in de prak-tijk--> komen nu zelf aan het woord in het dubbelartikel ‘Denkt aleer ge doende zijt, ... Elektronische teksteditie’ en ‘... en doende, denkt dan nog SGML, TEI en editiewetenschap’. Elektronische edities (ook wel e-edities) verschillen alleen in vorm van papieren edities, de onderdelen commentaar, apparaat en leestekst komen uiteraard ook in een elektronische versie gewoon voor. De verschillen zitten dan ook in kwaliteit en beschikbaarheid. Een groot voordeel ten opzichte van de ‘ouderwetse’ vorm is, dat de e-editie altijd en door iedereen te bewerken en aan te vullen is. De informatica maakt het mogelijk zo goed als alle informatie rondom een tekst te presenteren, zij het wel dat deze dan goed geordend zal moeten worden (door de e-editeur). Uit dit materiaal kan de gebruiker van de editie (via internet of op CD-ROM) zelf zijn keuzes maken en zo een eigen editie samenstellen. Hiervoor is een universele en duurzame computertaal nodig, die op elk soort computer te raadplegen is, ook nog over een aantal decennia. De keuze van de encoding standard is bepalend; SGML-TEI is de beste oplossing. Met het artikel van Edward Vanhoutte (gebaseerd op de MLA-CSE, Guidelines for Electronic Scholarly Editions) wordt de lezer pas echt met de neus op de feiten gedrukt: SGML, core tag sets, base tag sets, DTD-fragmenten en zelfs een TEI-pizza passeren de revue. Voor wie enigszins thuis is in de computerwereld begrijpelijk, voor editeurs ‘van de oude stempel’ op het eerste gezicht misschien afschrikwekkend. Het vakjargon wordt echter goed uitgelegd en aan relevante voorbeelden gekoppeld waardoor de conclusie niet anders kan zijn dat e-edities toch echt de toekomst zullen hebben!
Editiewetenschap <!--in de praktijk--> is een must voor een ieder die geïnteresseerd is in de editiewetenschap. Het geeft een overzicht van de stand van zaken in Vlaanderen en Neder-land; de editeurs zijn zelf aan het woord over hun projecten en doen verslag van hun ervaringen. Het meest interessant zijn de artikelen over de op handen zijnde e-edities, die de meeste toekomstperspectieven lijken te bieden.
| MNL Homepage | TNTL |