TNTL 116/3
Rob Tempelaars
Groot schimpnamenboek van Nederland / samenst. Dirk van der Heide ; inl. Siemon Reker ; ill. Jan Woldring. - Bedum : Profiel, 1998. - 308 p. : ill., krt. ; 24 cm
ISBN 90-5294-170-X Prijs: ƒ 37,50
Anders dan de titel doet vermoeden, beschrijft Dirk van der Heide in zijn Groot Schimpnamenboek van Nederland een kleine 2000 spot- of schimpnamen voor bewoners van Nederlandse steden en dorpen. Strikt genomen is de titel niet juist: onder de algemene term ‘schimpnamen’ kunnen we immers ook namen voor individuele personen rekenen. Kennelijk heeft de auteur of zijn uitgever het niet aangedurfd om de vakterm voor dit type spotnaam, locofaulisme, in de titel te verwerken. Begrijpelijk is dat wel. Het door Jan Woldring op geestige wijze geïllustreerde boek lijkt vooral geschreven voor een groot publiek. Voor dat doel leent het onderwerp zich ook uitermate goed: over de vaak eeuwenoude spotnamen zijn smakelijke verhalen te vertellen, die ons veel vertellen over omstandigheden in en de rivaliteit tussen de steden en dorpen van weleer. Kortom, de vraag waarom de inwoners van Tilburg eigenlijk Kruikezeikers, die van Zwolle Blauwvingers, die van Leiden Hondenhangers en die van zo’n 22 andere plaatsen Stoep(e)(n)schijters genoemd werden, levert vaak een historisch interessant en niet zelden verrassend antwoord op. Bovendien werd het tijd dat er weer eens een samenvattende studie aan de snel verdwijnende locofaulismen werd gewijd. Afgezien van kleine, veelal lokaal verspreide studies is het laatste grote werk dat dit onderwerp breedvoerig behandelt het standaardwerk van Jozef Cornelissen, getiteld Nederlandsche volkshumor op stad en dorp, land en volk (1929-1937).
Het leeuwendeel van het boek (p. 27-270) wordt in beslag genomen door een inventarisatie van de spotnamen, geordend naar provincie en daarbinnen weer alfabetisch gerangschikt op plaatsnaam. Met andere woorden, een beschrijving van Alteveer (Melkzoegers) in Drenthe tot en met Zwijndrecht (Stoffelianen, Peebossers) in Zuid-Holland. Deze beschrijving wordt voorafgegaan door een introductie van de uitgever, waarin deze ons bezweert dat de uitgave ‘zeer contentieus’ (lees: consciëntieus) is uitgevoerd (p. 7), een kort voorwoord van de auteur die ons meldt dat hij 45 jaar aan zijn verzameling gewerkt heeft (p. 9-11) en een inleiding van Siemon Reker, getiteld ‘Locofaulismen: verspreiding, vorm, betekenis en relatie met andere invectieven’ (p. 13-25). Het boek wordt besloten met drie registers, te weten een register op plaatsnamen, een register op scheldnamen en een retrograde register (p. 271-303), en een bronnenlijst, inclusief opgave van zegslieden (p. 304-308).
Is het Groot Schimpnamenboek van Nederland een leuk boek, met andere woorden: is het als leesboek geslaagd? Om een lang verhaal kort te maken: jazeker. Het brengt tal van gegevens weer eens geordend samen en, voor een publieksboek essentieel, het is een heerlijk boek om te lezen. Ik althans heb het in één adem uitgelezen, zonder mij ook maar één moment te vervelen.
Is het Groot Schimpnamenboek van Nederland een goed boek, met andere woorden: is het betrouwbaar, kloppen de verklaringen en toelichtingen en biedt het als geordende verzameling voldoende perspectief voor nader onderzoek? Tot mijn spijt moet ik zeggen: nee, helaas (nog) niet. Daarvoor is het in meerdere opzichten te amateuristisch van opzet. Het doet bijna pijn om dit te beweren van een boek dat het resultaat is van 45 jaar speurwerk. Daarom zal in ik het vervolg wat ruimer ingaan op de gebreken van werk, in de hoop dat mijn overzicht nuttige wenken tot verbetering bevat.
In ieder boek van enige omvang zitten fouten, dat is bekend. Toch had de uitgever er goed aan gedaan om eerst een corrector het gehele boek nog eens goed door te laten ploeteren voordat het naar de drukker ging. Ongetwijfeld had deze de vele verkeerde apostroffen en ontbrekende punten gecorrigeerd en waarschijnlijk ook gesignaleerd dat sommige plaatsen bij de verkeerde provincie ingedeeld waren, dat Vlaardingen zowel bij Zeeland als bij Zuid-Holland ingedeeld was, dat het Noord-Brabantse Roosendaal niet als Rozendaal gespeld moet worden enzovoort. Vervolgens had de uitgever er ook goed aan gedaan om de tekst door een bureauredacteur nog eens duchtig door te laten lezen, want soms worden ons de meest merkwaardige feiten gepresenteerd. Zo begint de beschrijving van Boskoop (p. 251) met de mededeling: ‘Een gebied met veel bosbouw [...]’. Deze bewering zal bij de meer dan 900 boomkwekers in Boskoop, gelegen in boomloos polderlandschap, toch de nodige verbazing wekken. Evenzo zullen de Rotterdammers vreemd opkijken van deze mededeling: ‘Rotterdam wordt nog wel eens "Rotjeknar" genoemd’ (p. 264). En biologen zullen toch wel achter hun oren krabben bij de bewering dat ooien vrouwtjesgeiten zijn (p. 167). Daarna had de uitgever er goed aan gedaan om een taalkundig geschoolde lezer op de kopij los te laten, want ook op dit vlak zijn nogal wat blunders te noteren. Dat het woord Engelse een voorvoegsel wordt genoemd (p. 153) is nog te vergeven, maar dat buters in het Kempisch dialect ‘het met de riek (vork) in de grond werken om onkruid, wortels of aardappels te rooien’ betekent is semantisch gezien apekool en dat glippers is afgeleid van het werkwoord ontglippen is morfologisch lariekoek. Aandoenlijke onzin is ook het verhaal dat we bij de schimpnaam Spekpoken voor de inwoners van het Zeeuwse Biggekerke lezen: ‘De schimpnaam, althans het woordje "spek" heeft wellicht alles te maken met de plaatsnaam. Poken is het bedrijven van het intieme liefdesspel. Ze hebben het woord "Spekneukers" waarschijnlijk niet willen gebruiken.’ (p. 232). In deze schimpnaam is poken natuurlijk niet een werkwoord in de opgegeven betekenis, maar het meervoud van het Zeeuwse zelfstandige naamwoord poke, dat ‘buik’ betekent (zie Ghijsen, Woordenboek der Zeeuwse dialecten i.v. poke). De Biggekerkers werden met andere woorden voor Spekbuiken uitgemaakt.
In zijn beschrijving van de spotnamen zelf heeft de auteur, zoals gezegd, gekozen voor een indeling in provincies en daarbinnen voor een alfabetische ordening. Per plaats worden de namen behandeld, maar meestal in een willekeurige volgorde. Soms lijkt gangbaarheid de volgorde van behandeling te bepalen, maar talloze andere voorbeelden spreken dat weer tegen. De gegeven informatie is bovendien onevenwichtig verdeeld over de verschillende namen en exacte gegevens over datering en gebruik ontbreken vaak. Inzichten uit de toch omvangrijke literatuur over bijnamen en scheldwoorden in het algemeen en uit de spaarzame literatuur over locofaulismen worden niet of nauwelijks benut. De enige poging tot analyse vinden we in het voorwoord van de auteur: een lijstje van 28, elkaar deels overlappende benoemingsmotieven (p. 14). Gelukkig maakt de inleiding van Siemon Reker nog het nodige goed, zij het dat ook deze instructieve inleiding niet meer dan een aanzet tot analyse en reflectie is. Begrijpelijkerwijs kiest de auteur bij het weergeven van de namen voor de vorm in het plaatselijke dialect. Veel namen zouden immers bij normalisering naar de standaardtaal veel aan kracht inboeten en soms onzinnig resultaten opleveren: een bekende spotnaam als Kiekenfrètters voor de Brusselaars valt nu eenmaal moeilijk te normaliseren tot Kuikenvreters. Een vervelende bijkomstigheid is wel dat er van het voornemen van de auteur om telkens de vertaling van het dialectische woord te geven (p. 11) weinig terechtkomt. Het gevolg is dat het register op de namen maar beperkt bruikbaar is; bovendien, als de vertaling wél gegeven wordt, ontbreekt die soms weer in het register. Zo vindt men de spotnaam Eerappelkappers voor de inwoners van het Zeeuwse Zaamslag in het register alleen onder de letter E, hoewel in de tekst (p. 247) wel van ‘Aardappelkappers’ gesproken wordt.
Over de bronnenlijst zal menigeen zich eveneens verbazen. De gebruikte bronnen, meestal zonder datering en soms met foutieve opgave van gegevens, staan in volstrekt willekeurige volgorde vermeld. Ernstiger is dat sommige essentiële bronnen ontbreken. Van E. Laurillard (1830-1908) worden drie oudere studies genoemd, maar de grote verzameling waarin de locofaulismen definitief behandeld werden, te weten Woordenschat (’s-Gravenhage 1899, heruitgave 1993) van Taco H. de Beer en E. Laurillard, ontbreekt. Onbegrijpelijk is ook dat als lexicografisch referentiepunt het ‘moderne’ woordenboek van Van Dale gebruikt wordt. Het grote historische woordenboek, het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), bevat nu juist de beschrijving van zogoed als de gehele periode waarin de locofaulismen zijn ontstaan en had de auteur heel wat aanvullingen en bruikbare gegevens over de benamingen kunnen leveren. Een voorbeeld. Hagenaars worden Windhappers genoemd? Waarom eigenlijk? Het Groot Schimpnamenboek van Nederland: ‘"Haagse wind", een rose of wit schuimkoekje dat nogal eens bij de thee wordt geserveerd. Een koekje gemaakt van opgeklopt deeg, waarin veel eiwit, dat in de mond wegsmelt. Vandaar ook de scheldnaam "Windhappers".’ De Beer en Laurillard (1899): ‘Windhapper, bijnaam voor de Hagenaars, die veel wandelen, vooral naar Scheveningen, waar het soms veel waait.’ Het WNT (Deel XXVI, kol. 947) plaatst de scheldnaam onder de betekenis ‘Opschepper’, maar wijst wel op de alternatieve verklaring bij De Beer en Laurillard. Een ander voorbeeld: bij de schimpnaam Brijbekken voor de inwoners van het Friese Workum lezen we (p. 81): ‘"Brij", of zoals de Friezen vaak zeggen "soepenbrij", werd er [...] meer gegeten dan in de akkerbouwgebieden. "Warkummer brijbekken". Of zouden ze de spotnaam te danken hebben aan het eigenaardig rollen van de ‘r’ daar? In het Nederlands heet dit "brouwen"’. Het WNT s.v. brijen (II) (Deel III, kol. 1359): ‘Een woord ter aanduiding van zekere, aan sommige personen en aan sommige plaatsen eigene, afwijkende (doch als verkeerd gebrandmerkte) uitspraak der r, waarbij de rateling onduidelijk wordt [...]. De benaming brijen schijnt vooral in de Noordelijke gewesten thuis te hooren (nfri. brije, brijkje [...]); elders zegt men brouwen.’
Moet u het Groot Schimpnamenboek van Nederland aanschaffen? Het antwoord is tweeledig: als u snel een leuk boek in huis wilt halen, ja. Als u de locofaulismen van Nederland nader wilt bestuderen, nee. Siemon Reker besluit zijn inleiding met de woorden dat het Schimpnamenboek een boek-in-wording is. ‘De tweede druk kan met hulp van derden en tot vreugde van de samensteller nog heel wat royaler uitvallen dan de eerste’. Laten we hopen dat die tweede druk er komt en dat die dan ook heel wat degelijker uitvalt dan de eerste.
| MNL Homepage | TNTL |