TNTL 116/4
Siem Bakker
Een bedachtzame beeldenstorm: beschouwingen over de letterkunde van de achttiende en negentiende eeuw / Willem van den Berg; onder redactie van Klaus Beekman, Marita Mathijsen en George Vis. - Amsterdam: Amsterdam University Press, 1999. - 351 p.: ill.; 24 cm
ISBN 90-5356-380-6 Prijs: f 55,--
De as van de Romantiek: opstellen aangeboden aan prof. dr. W. van den Berg bij zijn afscheid als hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam / redactie: K.D. Beekman, M.T.C. Mathijsen-Verkooijen, G.F.H. Raat. - Amsterdam: Vossiuspers AUP, 1999. - 320 p.: ill.; 24 cm.
ISBN 90-5629-077-0 Prijs: f 59,90
Over literatuur: rede uitgesproken ter gelegenheid van het afscheid als hoogleraar in de Moderne Nederlandse Letterkunde van de Faculteit der Geesteswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam op 12 november 1999 door W. van den Berg. -Amsterdam: Vossiuspers AUP, [april] 2000. - 34 pp. : 21 cm.
ISBN 90 5629 119 x Prijs: f 15,--
Het afscheid van Willem van den Berg op 12 november 1999 als hoogleraar aan de Afdeling Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam gaf aanleiding tot bundeling van veertien artikelen van hem door een redactie gevormd door zijn leerstoelgroep ‘overigens zonder hem het recht van inspraak te ontnemen’. De complete ‘Lijst van publicaties’ (p. 343-351) omvat ruim honderd publicaties, beginnend in 1965 met drie recensies in De nieuwe taalgids en voorlopig eindigend in 1999 met ‘La période 1752-1880. Chapitre II -- La littérature du XIX siècle’. In: Histoire de la littérature néerlandaise (Pays-Bas et Flandre), Paris 1999. Voor Een bedachtzame beeldenstorm zijn drie selectiecriteria gehanteerd: moeilijke bereikbaarheid, bruikbaarheid voor verder onderzoek en representativiteit voor Van den Bergs onderzoeksinteresses. Het laatstgenoemde criterium weerspiegelt zich in de vier groepen -- tevens de hoofdstuk-indeling van het boek -- waarin de artikelen zijn bijeegebracht: Concepten in de literatuurgeschiedschrijving (twee artikelen; p. 13-62); Genootschappelijkheid (vijf artikelen; p. 65-195); Genres (twee artikelen; p. 199-244); Literaire verhoudingen (vijf artikelen; p. 247-341).
Jubileum- of afscheidsbundels, Jaarboeken van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en Handelingen van het Nederlands Filologencongres bevinden zich doorgaans niet onder ieders handbereik. De keuze voor Van den Bergs uitvoerige artikel ‘De preromantiekconceptie in de Nederlands literatuurgeschiedenis’ uit een gelegenheidsbundel voor Jan Kamerbeek (1975) als opening van een eigen verzamelbundel zal hopelijk tot een bredere en blijvende aandacht hiervoor leiden. Het is een vroeg en verfrissend voorbeeld van discussie met en kritiek op Knuvelders geschiedschrijving en behelst een aantrekkelijk pleidooi voor het vervangen van het preromantiekconcept door ‘een genuanceerde [late] verlichtingsconstructie’. Het notenapparaat hierbij (6 pagina’s; 86 noten) is verbluffend: het lezen hiervan leidt je nóg eens en anders door het probleemgebied en de stellingname van Van den Berg. In het daarop volgende artikel, ‘Kanttekeningen bij de letterkundige Romantiek’, tellen de bladzijden met noten zelfs evenveel bladzijden als die met tekst (11 pagina’s). Maar noten, literatuuropgaven en bibliografische informatie maken wel tot in details duidelijk langs welke bronnen de onderzoekingen zijn verlopen en dit rechtvaardigt de uitgebreidheid ervan hier en elders ten volle. De literatuurhistorische neerlandistiek is verrijkt met een boeiende methodologische leidraad.
De titel van de afscheidsbundel voor Wim van den Berg, De as van de Romantiek, is niet het meest geslaagde onderdeel van dit boekwerk. Bedoeld is niet dat de lezers worden geconfronteerd met de rokende overblijfselen van een karakteristiek bouwwerk uit de periode 1830-1840. Terwijl zelfs de redactie in haar ‘Ten geleide’ (p. 9-11) moeite heeft de titel uit te leggen, heeft de anonieme auteur van de flaptekst dit niet: ‘De Romantiek is een spilperiode geweest in de West-Europese cultuur. Haar invloed strekt zich uit tot in onze tijd.’
De 26 hier verzamelde auteurs zijn docenten van de leerstoelgroepen Historische en Moderne Nederlandse letterkunde van de Universiteit van Amsterdam en/of promovendi van Wim van den Berg. Hun is met klem verzocht niet alleen over het thema ‘Romantiek’ te schrijven, maar ook de term ‘romantisch’ in slechts strikt historische betekenis te gebruiken: ‘een a-historische invulling was verboden’. Twee keer valt in het ‘Ten geleide’ de specificatie ‘a-historisch’ en erna nog diverse malen. Deze prescriptieve dichotomie is hier en daar te geforceerd toegepast. Een voor de hand liggende specificatie als ‘typologisch gebruik’ ontbreekt, terwijl hiermee toch een hanteerbaar alternatief begrip voor ‘a-historisch’ beschikbaar zou zijn. Zou een typologische betekenis van ‘romantiek’ niet bestaan, heb ik mij bij deze bundel afgevraagd -- een vraag die niet opkomt bij het lezen en raadplegen van Ton Anbeek, Het donkere hart. Romantische obsessies in de moderne Nederlandstalige literatuur (Amsterdam University Press, 1996). De as van de Romantiek heeft geen indeling, thematisch noch chronologisch. De bijdragen zijn alfabetisch gerangschikt op de naam van de auteurs. Bij toeval levert dit een fraaie openingszin op: ‘Wat is er romantischer dan in de lucht vliegen?’ (M. L. Barend-Van Haeften en P. J. Verkruijsse, ‘Rampreizen en Romantiek’, p. 13-33). Toch zijn volgens de redactie in de indrukwekkende hoeveelheid bijdragen enkele duidelijke categorieën te onderscheiden: artikelen die ‘de temporele grenzen van het literair-historische concept "Romantiek" beproeven’; artikelen ‘[die zich concentreren] op het gebruik, eventueel misbruik, van de term "romantisch"; Deze artikelen liggen in het verlengde van het onderzoek dat Wim van den Berg in zijn proefschrift presenteerde.’ En ten derde artikelen ‘die aanhaken bij een romantisch thema of genre.’
Als we deze categorisering vergelijken met de indeling in Een bedachtzame beeldenstorm dan dringt zich de gedachte op dat eenzelfde vierdeling bij De as van de romantiek voor de hand had gelegen.
Onder I. ‘Concepten in de literatuurgeschiedenis’ horen de bijdragen thuis van Herman Pleij, E. K. Grootes, G. J. van Bork en G. F. H. Raat.
Voor II. ‘Genootschappelijkheid’ komen deels of geheel in aanmerking de artikelen die betrekking hebben op een redevoering van Jacobus Scheltema in 1806 in Felix Meritis (Jeroen Jansen), onderwijs (Gerard de Vriend) of tijdschriften (Marita Mathijsen, Jan Oosterholt, Mieke B. Smits-Veldt).
Tot III. ‘Genres’ reken ik de bijdragen van M. L. Barend-Van Haeften en P. J. Verkruijsse (reisbeschrijvingen), Klaus Beekman (‘groteske’), Ralf Grüttemeier (‘hybride’), Paul Post (negentiende-eeuws toneel), Rob Resoort (‘romance’), Henny Ruitenbeek (negentiende-eeuwse toneelkritiek), Marijke Spies (negentiende-eeuwse jeugdliteratuur), Oscar Westers (Fries amateurtoneel in de negentiende eeuw).
Voor groep IV. ‘Literaire verhoudingen’ resteert een aanzienlijke groep, zeker als we deze categorie uitbreiden met het begrip ‘Persoonlijke verhouding tot de romantiek’: Micky Cornelissen (Willem Kloos), Lotte Jensen (H. A. Spandaw), Michiel van Kempen (romans van P. J. Andriessen, Eduard Gerdes, Johan Hendrik van Balen), Lisa Kuitert (Dante-vertaling van J. C. Hacke van Mijnden), Nico Laan (Hendrik de Vries), Bert Paasman (Elisabeth Maria Post), George Vis (Jan Kinker) en Marleen de Vries (Pieter Huisinga Bakker).
Als de hierboven tevoorschijn gekomen indeling per categorie nog eens onderworpen was geweest aan een chronologische ordening, zou op grond van thematiek, systematiek en chronologie een overtuigende literairhistorische constellatie hebben kunnen ontstaan.
Levendig en informatief maakt(e) Van den Berg in zijn afscheidsrede zijn toehoorders (lezers) wegwijs in de ontwikkeling van het begrip literatuur in de achttiende en vooral negentiende eeuw, en ook nog in de twintigste. Hij betreurt het ten zeerste dat Minister Hermans de opleidingen Nederlandse taal- en letterkunde aan het herdopen is in Nederlandse taal en cultuur. Deze rede van een specialist in de negentiende-eeuwse letterkunde is van actueel belang dan ook niet ontbloot. In de ogen van Van den Berg is Hermans bezig terug te vallen op een opvatting van literatuur van vóór 1750: literatuur ofwel letterkunde stond toen nog voor ‘de vrije kunsten’, ‘waartoe behalve de poëzie ook de geometrie en de aritmetica gerekend werden’. Een letterkundige was een universeel geleerde.
Heel anders dachten de Tachtigers erover. Zij wilden niets meer weten van het begrip ‘letterkunde’ en kozen voor ‘literatuur’. De gids is dan ook een letterkundig, De nieuwe gids een literair tijdschrift. Maar dit wil niet zeggen dat het begrip literatuur tóen pas in Nederland in omloop kwam. Wolff en Deken maakten er al gebruik van net als Beets, Potgieter en Busken Huet. Het begrip is ook te vinden in de eerste Van Dale (1872). Steeds gaat Van den Berg na of het begrip wordt gehanteerd in de traditionele, uitgebreide betekenis (letterkundig, geletterd, geleerd) of in de moderne, beperkte betekenis (literaire teksten zijn fictionele teksten). Het is een voortdurend verrassend spel dat hier wordt gespeeld: met onbekende termen als ‘romandichter’ of heel vroege vindplaatsen (correspondentie uit 1765 tussen Frans van Lelyveld en Rijklof Michaël van Goens). Soms lijkt het begrip ‘letterkunde’ aan de winnende hand (per slot van rekening nam Van den Berg in 1999 afscheid als hooggeleerde in de Moderne Nederlandse Letterkunde), soms het begrip ‘literatuur’ (Te Winkel, Kalff, Baur en Knuvelder betitelden hun geschiedenissen met ‘letterkunde’, Van Bork/Laan, Anbeek en Schenkeveld met ‘literatuur’). De schoolboeken zijn buiten deze beschouwing gebleven en zelfs buiten de zeventig noten. Dat is jammer, want ik had graag ook het commentaar gelezen op titels als Literaire kunst (Lodewick, 1955), Geschiedenis van de Nederlandse literatuur tot de 20e eeuw (J.C. Brandt Corstius, 1959) of Randschrift. Kleine Nederlandse literatuurleergang (Drop, Van Gestel, Steenbeek).
| MNL Homepage | TNTL |