TNTL 116/4
Bart Besamusca
Medieval Dutch drama : four secular plays and four farces from the Van Hulthem manuscript / translated with an introduction by Johanna C. Prins. - Asheville, N.C : Pegasus Press, c1999. - p. cm. ; .. cm. - (Early European drama translation series ; 3)
ISBN 1-88981-807-0 Prijs: $12.95
Deze Engelse vertaling van een aantal toneelstukken in de codex -Van Hulthem is als deel drie verschenen in de serie ‘Early European Drama in Translation’ (EEDT). Het doel van de reeks is, aldus het woord vooraf, ‘to provide reliable, inexpensive translations of major European vernacular plays from the Middle Ages and Renaissance for use in a wide variety of undergraduate and graduate courses.’ Dat enkele Middelnederlandse spelen in deze serie opgenomen zijn, is verheugend.
Medieval Dutch Drama bevat Engelse vertalingen van de vier abele spelen en de bijbehorende kluchten: Esmoreit en Lippijn, Gloriant en Buskenblaser, Lanseloet van Denemerken en Die Hexe, Vanden Winter ende vanden Somer en Rubben. Aan de teksten gaat een inleiding van veertig bladzijden vooraf. De vertaalster, Johanna Prins, bespreekt achtereenvolgens het handschrift-Van Hulthem, de edities van de stukken (waaronder de basistekst van Prins’ vertaling, de (indertijd kritisch ontvangen) uitgave van Louise van Kammen uit 1968), de literaire context, de taal, stijl en structuur van de spelen, enkele aspecten van de opvoering en de secundaire literatuur. Vervolgens worden de afzonderlijke stukken besproken en wordt de wijze van vertalen verantwoord. Als geheel maakt het betoog een weinig diepgravende indruk. Omdat Prins in kort bestek heel veel informatie kwijt wil, is haar inleiding erg descriptief uitgevallen. Voor het beoogde publiek, studenten die het Nederlands niet machtig zijn, lijkt me dit geen ernstig bezwaar. Voor neerlandici stelt haar inleiding echter teleur.
Prins’ betoog is bij verschijnen ervan helaas al ten dele verouderd. Dat wordt veroorzaakt door de recente, grote belangstelling voor de (teksten in de) codex-Van Hulthem. Zo werd juist in 1999 de tekstenverzameling uitgegeven in de reeks ‘Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden’ (deel VII), werd de facsimile-uitgave gepubliceerd en werd de verzameling toegankelijk gemaakt door de Cd-rom Repertorium van teksten in het handschrift-Van Hulthem. Dat deze belangrijke publicaties te laat verschenen om in de inleiding verwerkt te kunnen worden, is pech voor Prins en jammer voor haar lezers.
Slechts twee jaar voordat Prins’ boek gepubliceerd werd, verscheen als deel 29 in de reeks ‘Carleton Renaissance Plays in Translation’ ook een Engelse vertaling van Middelnederlandse spelen: Netherlandic Secular Plays from the Middle Ages: The "Abele Spelen" and the Farces of the Hulthem Manuscript, vertaald en ingeleid door Theresia de Vroom (Ottawa: Dovehouse Editions, 1997). Het vrijwel gelijktijdig op de markt komen van deze twee boeken nodigt uit tot een vergelijking. Wie dat doet, stelt allereerst vast dat De Vroom meer spelen vertaald heeft: ook de onvolledig overgeleverde stukken Truwanten en Drie daghe here zijn in haar uitgave opgenomen. Verder levert een steekproefsgewijs onderzoek van de vertalingen op dat Prins dichter bij het Middelnederlands blijft dan De Vroom. Bovendien struikelt men bij Prins niet over de typefouten, zoals het geval is bij De Vroom, die bijvoorbeeld de naam van mijn Leidse collega Wim van Anrooij verhaspelt tot Van Androoij. In beide gevallen bevat de uitgave uitsluitend vertalingen van de Middelnederlandse spelen.
De laatst vermelde overeenkomst brengt mij op een algemeen punt. Dat de Middelnederlandse letterkunde internationaal toegankelijk gemaakt wordt, kan men alleen maar toejuichen. En als het beoogde publiek studenten betreft, zoals bij Medieval Dutch Drama het geval is, of anderstaligen met een brede belangstelling, zijn vertalingen als die van Prins en De Vroom het aangewezen middel om de Middelnederlandse letterkunde beschikbaar te stellen. Maar ik zou ervoor willen waarschuwen om bij een meer gespecialiseerd publiek deze weg te volgen. Als neerlandici hun buitenlandse collega’s in staat willen stellen Middelnederlandse teksten min of meer adequaat in hun onderzoek te betrekken, is er naar mijn mening maar één type editie dat voor hen bruikbaar is. Ik heb het oog op uitgaven waarin de Middelnederlandse tekst in een of andere editievorm (een kritische uitgave heeft mijn voorkeur, maar daar valt over te twisten) opgenomen is, vergezeld van een anderstalige regel-voor-regel-vertaling. Alleen zo’n uitgave stelt buitenlandse lezers in staat zonder onoverkomelijke problemen kennis te nemen van het Middelnederlands en biedt hun bovendien de mogelijkheid om de vertaling op plaatsen waar dat nodig is -- te denken valt aan detailinterpretaties en woordveldonderzoek -- te toetsen aan het origineel. Naar ik hoop, zullen in de komende jaren in het voetspoor van de Walewein-uitgave van David F. Johnson (verbeterde herdruk: Cambridge, Brewer, 2000) vele tweetalige edities met Middelnederlandse werken verschijnen. Een dergelijke uitgave van de abele spelen zou ik Johanna C. Prins graag toevertrouwen.
| MNL Homepage | TNTL |