TNTL 116/4
Herman Brinkman
Facetten van Boendale : literair-historische verkenningen van Jans Teesteye en de Lekenspiegel / Dirk Catherina Jozef Kinable. - Leiden : Dimensie, 1998. - IX, 240 p. ; 24 cm. - (Leidse opstellen ; 31) Proefschrift Rijksuniversiteit Leiden.
ISBN 90-6412-115-X Prijs: f 43,95
Rondom de Antwerpse schepenklerk Jan van Boendale en zijn oeuvre bestaan nog veel onbeantwoorde vragen. Een aantal anoniem overgeleverde teksten uit wat de ‘Antwerpse school’ wordt genoemd, werd reeds in de negentiende eeuw aan hem toegeschreven, zonder dat het doorslaggevende bewijs daarvoor kon worden geleverd. Zijn biografie vertoont, zoals bij zoveel andere Middeleeuwse auteurs, grote hiaten en onzekerheden. Verder zijn er onopgeloste kwesties rond -- onder meer -- de ontstaansvolgorde van sommige van zijn geschriften, de bronnen die hij gebruikte en de opmerkelijk vele gevallen van intertekstualiteit binnen zijn eigen werk en dat van de ‘Antwerpse school’. Vragen uit deze onderzoeksvelden is de Leidse lexicograaf en medioneerlandicus Kinable in zijn dissertatieonderzoek uit de weg gegaan, om zich te kunnen concentreren op enkele specifieke probleemgebieden: de receptiesituatie en, in het verlengde daarvan, de betekenis van Boendales geschriften voor de culturele en godsdienstige emancipatie van de leek. Tevens heeft hij zich streng beperkt tot het onderzoek van slechts twee werken, de Lekenspiegel en Jans teestye. Het proefschrift is een bundeling van vijf reeds eerder verschenen artikelen, aangevuld met een inleiding en een omvangrijk laatste hoofdstuk. De facetten van Boendale die worden belicht, rangschikt Kinable onder de noemers ‘literair-sociologisch’ en ‘cultuurhistorisch’. De hiermee gesuggereerde cohesie verhult niettemin een zekere onevenwichtigheid in de bundel ten aanzien van de gekozen onderzoeksperspectieven. De eerste twee hoofdstukken zijn gewijd aan de literair-sociologische context waarbinnnen het moralistische werk van Boendale ontstond en functioneerde: het primaire publiek wordt vanuit de opdrachten en vanuit de publieksaansprekingen gereconstrueerd. In de drie volgende hoofdstukken -- achtereenvolgens een structurele analyse, een onderzoek naar Boendales opvatting over zijn eigen tijd, en een beschouwing over zijn ethiek -- wordt de blik slechts gericht op Jans teestye. Het laatste hoofdstuk handelt over de catechetische componenten van de Lekenspiegel en de Teestye. Van een zekere ongebalanceerdheid is dus ook sprake op het niveau van de keuze van de onderzoeksobjecten.
Het onderzoek van Kinable heeft niettemin geresulteerd in een boek dat zich kenmerkt door een geduldige betoogtrant en dat getuigt van gedegen kennis van tal van aspecten van Boendales didactische werken, alsmede van de historische en de mentale wereld waaruit zij voortkwamen. Een belangrijke verdienste van de studie lijkt mij, dat het debat over Boendales publieksconcept, dat centraal staat in hoofdstukken I en II, nu definitief is uitgetild boven een discussie die veelal werd gevoerd in termen van oppositie tussen het stedelijke en het aristocratische milieu, en zo is losgemaakt van zwart-wit denken over de literaire milieus in hof en stad. In de meer analytische hoofdstukken toont Kinable zich de toegewijde lezer die Boendale zich ongetwijfeld gewenst heeft. Het nieuwe onderzoek, de zeer uitvoerige behandeling van Boendales didactisch oeuvre als catechetisch instrument, mag dan misschien niet tot de meest spectaculaire conclusies leiden, als proeve van zorgvuldige, contextuele lezing is het zeker geslaagd.
Toch zijn er enkele punten van kritiek mogelijk waarvan ik er twee hieronder nader zou willen bespreken. In de inleiding gaat de auteur kort in op de materiële overlevering van de teksten (p. 8-9). Voor een studie waarin het onderzoeksperspectief voor een deel receptie-esthetisch is (zoals in de eerste twee hoofdstukken), lijkt een bespreking van de aard van de overgeleverde handschriften onmisbaar. Jammer genoeg legt Kinable weinig interesse voor handschriften aan de dag. Hij bespreekt wel een vijftiende-eeuws bezittersmerk in een Lekenspiegel-handschrift als receptie-gegeven (p. 51-52), maar in de inleiding laat hij na de toch wel grote verschillen in de overleveringssituatie van beide werken scherp te karakteriseren. Het opmerkelijke gegeven dat juist het kortere en dus eenvoudiger te kopiëren Jans teestye een veel geringere verspreiding moet hebben gekend blijft daardoor bijvoorbeeld onderbelicht. Maar ook in de opgave van de feiten is Kinable niet altijd even helder, of schiet hij tekort. De auteur schrijft dat Jans teestye is overgeleverd in één handschrift en twee korte fragmenten (p. 9). Dit is voor tweeërlei uitleg vatbaar: is een fragment nu een brokstuk van een (voor het overige) verloren gegaan handschrift of een excerpt in een volledig bewaard gebleven codex? Voor het onderzoek naar de receptie is dit een belangrijk onderscheid. Kinables geringe interesse voor materiële bronnen wordt al helemaal duidelijk wanneer blijkt dat hij in deze korte opsomming van bronnen het handschrift-Van Hulthem verzuimt te noemen, waar we het slot van Jans teestye terugvinden in de vorm van een zelfstandige sproke (tekstnr. 14). Reeds in 1991 hebben Van Anrooij & Van Buuren hierop gewezen (H. Pleij e.a., Op belofte van profijt. Stadsliteratuur en burgermoraal in de Nederlandse letterkunde van de middeleeuwen. Amsterdam, 1991, p. 185).
Soms heeft men het gevoel dat er kansen op synthese van de resultaten die in de diverse hoofdstukken worden geboekt, worden gemist. Kinable laat in hoofdstuk IV (Het tijdsbeeld in Jans teestye) bijvoorbeeld duidelijk uitkomen dat Boendale de optimistische visie op zijn eigen tijd die in de Lekenspiegel min of meer terloops voorkomt (Lsp. I, 26) en in Jans teestye zo stellig wordt verdedigd, niet heeft overgenomen uit een geschreven bron. Komt hij dan in hetzelfde hoofdstuk te spreken over de prioriteitsvraag met betrekking tot Lekenspiegel en Teestye -- werd de Teestye nu voorafgaand, of juist na de Lekenspiegel geschreven -- dan haast hij zich op te merken: ‘De complexe vraag of Boendale in navolgende passage al dan niet naar de Teestye verwijst, houdt direct verband met de volgordekwestie Lekenspiegel/Teestye en voert hier buiten de grenzen van deze studie’ (p. 107). Maar kan de ontstaansvolgorde van beide werken wel worden opgevat als autonoom probleem dat zich onbesproken laat verwijzen naar andere onderzoeksprojecten? Bij nader inzien raakt deze problematiek immers zeer nauw aan één van de primaire onderzoeksthema’s van het proefschrift, namelijk de receptiesituatie, en tevens aan de telkens weer naar voren komende vraag naar de auteursintentie. Deze laatste opmerkingen behoeven enige toelichting.
Dat er een speciale relatie tussen de Lekenspiegel en de Teestye bestaat, blijkt op vele plaatsen in het proefschrift. Beide werken worden in de proloog opgedragen aan Rogier van Leefdale en diens echtgenote Agnes van Kleef. Heel wat thema’s komen in beide werken aan de orde. Zelfs is het zo dat er tal van passages zijn aan te wijzen die in nagenoeg gelijkluidende bewoordingen zijn gesteld. Belangrijk is ook dat de hoofdstelling van de Teestye -- namelijk dat het volk zich in de loop van de geschiedenis ten goede heeft ontwikkeld -- ook in de Lekenspiegel wordt teruggevonden. Dit alles lijkt voldoende voor de conclusie dat op enkele belangrijke plaatsen één van de twee werken (deels) bewerkt is naar het andere.
Bij het bestaan van al deze overeenkomsten zijn het dan juist de verschillen die interessant worden. En verschillen zijn er zeker: in het bijzonder in lengte (de Teestye is maar een fractie van de Lekenspiegel) en in vormkeuze (een encyclopedisch werk tegenover een dialoog). De vraag die bij zulke verhoudingen gesteld moet worden is natuurlijk: wat is de aard van de relatie tussen de beide werken? De problematisering van juist deze vraag wordt in Kinables boek node gemist. Want deze vraag hangt, zoals gezegd, nauw samen met de primaire receptiesituatie en de auteursintentie van beide teksten. Een ding lijkt zeker: de ontstaansgeschiedenis van de Teestye is gebed in een atmosfeer van discussie, onenigheid en controverse. Een aantal signalen duidt daarop. Ten eerste: al in de proloog maakt Boendale melding van een vroeger meningsverschil tussen hem en zijn mecenas over een of meer inhoudelijke kwesties. Dit is een binnen de Middelnederlandse literatuur zeer uitzonderlijk gegeven (zie het proefschrift van Gerard Sonnemans). Ten tweede: er wordt een stelling als uitgangspunt van de Teestye gekozen die -- zoals in het onderzoek van Kinable zelf duidelijk naar voren komt -- tot de meest controversiële van zijn tijd moet hebben behoord: Kinable kan geen enkele auteur aanwijzen die het met Boendale eens zou zijn geweest! Hierdoor is het werk al bij voorbaat in de sfeer van de controverse getrokken. En ten derde: in zijn vormgeving (de disputatie) doet de Teestye zich veel meer dan de Lekenspiegel kennen als werk dat ontstaan is uit de behoefte om te overtuigen. Waar de Lekenspiegel gericht is op belering langs de weg van het exposé, de systematische uiteenzetting, is de Teestye veel meer gericht op belering met gebruikmaking van persuasieve middelen. Dit alles lijkt niet alleen de opvatting van Te Winkel te sterken, dat de Teestye ‘over het algemeen den indruk [maakt], dat het opzettelijk geschreven is ter nadere toelichting en verdediging van eenige in den Leekenspiegel verkondigde stellingen’ (Ontwikkelingsgang, II, 16), maar ook -- en dat is van direct belang voor Kinables onderzoeksthema -- dat de Teestye zijn ontstaan dankt aan de wijze waarop de Lekenspiegel is gerecipieerd. Wie als middeleeuws auteur en passant controversiële opvattingen debiteert kan erop rekenen ter verantwoording te worden geroepen. In een letterlievend milieu als dat van Van Leefdale bleef men begrijpelijkerwijs met enkele vragen zitten wanneer men iets las dat niet strookte met de heersende opvattingen. Een vervolgopdracht waarin de auteur de gelegenheid krijgt om zijn afwijkende standpunt nader te beargumenteren past precies in een klimaat waarin auteur en opdrachtgever in een dynamische interactie staan.
Kinable ziet in de keuze voor de dialoogvorm van Jans teestye geen specifiek gegeven, maar meer in algemene zin een blijk van appreciatie van de grote Maerlant (p. 74 e.v.). Dat Boendale werd geïnspireerd door Maerlant staat buiten kijf. Maar zoals Kinable ook aangeeft, neemt Boendale reeds in de opening van zijn gedicht een positie in die tegenovergesteld is aan de visie die Maerlant zijn protagonisten in de inhoudelijk en tekstueel verwante Eerste Martijn laat verkondigen. Jacob en Martijn zijn het roerend eens over de teloorgang van de moraal; Jan en Wouter echter allerminst. Omdat Kinable terecht veronderstelt dat uit de tekst van de Teestye een vertrouwdheid van het publiek met de Wapene Martijn kan worden afgeleid ( p. 76-77) -- lees dus: bij Rogier van Leefdale en zijn vrouw -- zou men kunnen vermoeden dat die lectuurervaring mede de achtergrond vormt van de meningsverschillen tussen Boendale en zijn opdrachtgevers. Drie literaire werken, twee lezers en een auteur in creatief samenspel. De casus-Lekenspiegel/Teestye zou, zo bezien, een prachtig voorbeeld kunnen zijn van de manier waarop auteursintentie en receptiesituatie in wisselwerking aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan van een literair werk.
Het is duidelijk dat Kinable zich niet heeft willen bezondigen aan speculatieve opvattingen. Zijn studie nodigt echter wel uit tot doordenken. Doordat het tal van aanknopingspunten biedt, zal dit proefschrift ongetwijfeld nieuwe impulsen kunnen geven aan onderzoekers die zich in de toekomst willen verdiepen in het werk van de eigenzinnige Antwerpse literator.
| MNL Homepage | TNTL |