TNTL 116/4
Arie Jan Gelderblom
Huiselijke poezie / samenst.: Ellen Krol. - Amsterdam : Querido, 1999. - 195 p. ; 19 cm. - (Griffioen)
ISBN 90-214-0592-X Prijs: f 15,--
In 1997 promoveerde Ellen Krol aan de Universiteit van Amsterdam op de dissertatie De smaak der natie. Opvattingen over huiselijkheid in de Noord-Nederlandse poëzie van 1800 tot 1840. Dit proefschrift, een reflectieonderzoek, traceerde zorgvuldig de Nederlandse opvattingen over huiselijke dichtkunst in de genoemde decennia. Citaten uit de gedichten zelf kwamen er echter niet of nauwelijks in voor. Voor verdere lectuur uit het materiaal moest men naar de bibliotheek, in de hoop daar in wegkruimelende negentiende-eeuwse bandjes nog iets te vinden van Tollens, Klijn of Spandaw.
Die -- wellicht weinig bevredigende -- bibliotheekgang kan nu worden uitgesteld. In de Griffioenreeks heeft Ellen Krol een interessante collectie verzen uit de huiselijke sfeer uit het begin van de negentiende eeuw samengebracht, geordend volgens de menselijke levenstrap. Destijds populaire dichterlijke onderwerpen komen er in een eigen categorie tot hun recht: het kind in de wieg, huiselijk geluk, huiselijke rampen, het vaderland, het graf, om er enkele te noemen.
Het 13 pagina’s tellende Nawoord is belangwekkend, doordat het de gedichten problematiseert en in kort bestek overtuigende antwoorden formuleert op vragen die de lezer onmiddellijk gaan kwellen. Hoe kon deze poëzie, die de communis opinio later zo oubollig is gaan vinden, ooit zo populair zijn? Hoe is het te verklaren dat er zo weinig teksten door vrouwen zijn geschreven? Wat heeft deze schrijfkunst te maken met de politieke omstandigheden rond 1800 en daarna? Het zou de spanning wegnemen als hier alle antwoorden al werden herhaald, maar de conclusie van de samenstelster dat we te maken hebben met een vernieuwingsbeweging, weg van het classicisme in de richting van een persoonlijke ervaring van het leven binnen nationale kaders, klinkt zeer aannemelijk. Daaruit vloeit de prominente rol van mannen voort. Vrouwen horen in letterkundige vernieuwingsoperaties zelden bij de voorlopers. De blik op de huiselijke kring is een mannelijke focalisatie die een mannelijke fantasie concretiseert; vrouwen fungeren daarin vooral als beschreven object, als inschikkelijke ingrediënten van een gemakkelijk leven.
Vanuit het hier verkende materiaal laten zich mooie vervolgonderzoeken bedenken, met name in de discipline van de gender- en mentaliteitsstudies. Er zijn bijvoorbeeld gegevens te vinden voor de exploratie van de begrippenreeks tekst/beeld-lichaam-natie: de natie als negentiende-eeuwse invented tradition werd in de beeldvorming dikwijls geprojecteerd op de individuele lichamen van haar leden, en in teksten en beelden uit de populaire cultuur ziet men met eigen ogen hoe dat gebeurde. Zie in deze bloemlezing bijvoorbeeld p. 130-134 waar Spandaw in een Welkomstgroet aan mijn jongste zoon de boreling associeert met het vaderland dat herleeft na de napoleontische tijd:
’k zie mijn vaderland herboren,
bloeiend in een frisse jeugd.
Tegelijkertijd wijzen veel intertekstuele motieven terug naar de literatuur van de Gouden Eeuw. Begrips- en mentaliteitshistorici met belangstelling voor continuïteit en diversiteit in het Nederlandse nationale discours, krijgen hier veel fascinerende stof aangereikt. Dat er strikt literair misschien niet zoveel te genieten valt (Krol spreekt onomwonden van literaire kitsch, p. 159), is daarbij vergeleken maar een gering bezwaar.
| MNL Homepage | TNTL |