TNTL 116/4
Jos Joosten
Langzaam leren lezen : Paul Rodenko en de poezie / Odile Heynders. - Tilburg : Syntax Publishers, cop. 1998. - 137 p. ; 24 cm
ISBN 90-361-9639-6 Prijs: f 42,50
Voor het grotere publiek is Paul Rodenko (1920-1976) vooral bekend als de bloemlezer die zijn volk experimentele poëzie leerde lezen (met name door zijn fameuze Nieuwe griffels schone leien uit 1954), of als vertaler en bewerker van scabreus getoonzette verhalen uit de Duizend-en-één-nacht. Aanzienlijk minder faam geniet Rodenko als dichter en essayist. In die laatste hoedanigheid lijkt hij blijvend te moeten lijden onder het image van moeilijkdoener, ooit verwoord met de -- op een of andere manier door veel mensen als humoristisch ervaren -- opmerking van W.F. Hermans: ‘Rodenko’s volzinnen zijn zwaar als gesmolten olifantenvet’. De laatste tien jaar lijkt een kentering gaande in de Rodenko-waardering. Begin jaren negentig verschenen zijn vierdelige verzamelde essays en beschouwingen die de nodige hernieuwde aandacht opleverden (zoals een themanummer van het tijdschrift Bzzlletin) en onlangs promoveerde Koen Hilberdink op een biografie van Rodenko. Langzaamaan groeit het besef dat onze letteren met Paul Rodenko een figuur bezitten van onnederlandse allure, die een grote internationale belezenheid paarde aan kennis van de meest recente filosofische en poëtische opvattingen van zijn tijd.
Als belangrijk voortbrengsel van de Rodenko-revival mag ook de kleine studie Langzaam leren lezen: Paul Rodenko en de poëzie gelden, een bundeling van zeven essays van Odile Heynders, een van de prominente Rodenko-kenners. Alle artikelen zijn eerder gepubliceerd en zullen herkenning opleveren bij degenen die de Rodenko-literatuur al volgden. Toch is bundeling alleszins gerechtvaardigd: ten eerste vanwege de grotere bereikbaarheid en blijvendheid, alsook vanwege het feit dat uit de verzameling accenten naar voren komen die in Heynders’ losstaande beschouwingen minder uit de verf kwamen.
Langzaam leren lezen heeft, ondanks zijn bescheiden (137 pagina’s) omvang (én wat slordige lay-out), tal van verdiensten en nu mag reeds gezegd dat iedereen die hierna nog iets over Rodenko’s werk wil zeggen of schrijven niet om Heynders’ bevindingen heen kan. Haar aanpak is overigens verbluffend in zijn eenvoud. Heynders is simpelweg Rodenko’s verzamelde werk (en dan echt álles, dus bijvoorbeeld ook de ‘vrijmoedige verhalen’) grondig gaan (her)lezen. Een terugkeer tot de bron die in zoverre bijzonder is omdat ze er zich (impliciet) mee verzet tegen een trend waarvoor met name Vijftig en omgeving zich heden erg goed lijkt te lenen: het bedrijven van romantische literatuurgeschiedenis, zoals in boeken als Rooduijns en Hoflands Dwars door puinstof heen. Heynders plaatst Rodenko niet a priori in het -- al te -- bekende kader van de Vijftiger-revolutie, waarin zijn belang vooral dat van bloemlezer zou zijn, maar ze vindt al zoekende de plaats die hem op basis van eigen teksten toekomt. De ondertitel van haar boek (‘Paul Rodenko en de poëzie’) is wat dat betreft te beperkt. Het aardige is juist dat er ook aandacht is voor Rodenko’s populaire producten: zowel de bloemlezingen als de vrijmoedige verhalen (die een oplage van meer dan een miljoen exemplaren haalden). Heynders beschouwt ook die teksten als volwaardig onderdeel van Rodenko’s literaire ideeënwereld. In haar optiek zijn verzamelingen als Nieuwe griffels schone leien niet slechts een bijproduct van Rodenko, bedoeld om een groot publiek bekend te maken met de avant-gardistische poëzie: ‘Het bloemlezen stond centraal in Rodenko’s kritische praktijk, omdat het hem een goede mogelijkheid bood zijn persoonlijke poëzieopvatting te confronteren met de poëtische productie van het moment’. Heynders is nog voorzichtiger dan gebruikelijk om Rodenko onder Vijftig te scharen. Zij ziet, enigszins verrassend, aanleiding hem eerder in de Angelsaksische traditie van Pound en Eliot te plaatsen dan bij Franse voorbeelden als de poètes maudits of de surrealisten. Haar conclusie: ‘Rodenko staat als dichter in de context van Nederlandse dichtkunst geïsoleerd: hij toont verwantschap met de experimentelen, maar mist het element van het kinderspel, van de primitieve spontane emotie die dichters als Andreus en Lucebert in hun poëzie tot uitdrukking laten komen’. De niet literair-historisch beperkte invalshoek maakt het Heynders mogelijk een nieuwe belangwekkende dimensie van Rodenko’s oeuvre bloot te leggen. Ze laat overtuigend zien hoe de opvattingen van Rodenko parallellen vertonen met het werk van (met name) Derrida, en ze bestempelt hem zelfs tot ‘poststructuralist avant la lettre’, wat een verrassend actuele dimensie blijkt van Rodenko’s oeuvre.
Heynders snijdt nog een interessante kwestie aan. In misschien wel het belangrijkste hoofdstuk van haar boek, ‘Tussen Forum en Merlyn’, onderzoekt ze diverse redenen waarom de mensen rond het tijdschrift Merlyn, ondanks hun op het oog gelijklopende opvattingen, nooit veel oog voor Rodenko hebben gehad. Ze komt onder meer tot de harde conclusie dat Merlyn zijn ‘voorganger als tegenstander heeft beschouwd en hem heeft willen "doodzwijgen", om zo het " nieuwe" tijdschrift met meer effect aan de man te brengen. Het nieuwe moet benadrukt worden, want daarmee krijgt men aandacht’. Het moet zeker niet uitgesloten worden dat dit meegespeeld heeft (hoewel het omgekeerde ook voorstelbaar is: het literair-strategisch belang van een indrukwekkende, eenzaam opererende voortrekker). Maar ik geloof dat Heynders wel een essentieel levensbeschouwelijk onderscheid tussen Merlyn en Rodenko onderschat dat misschien nog wel sterker debet is geweest aan de, inderdaad opmerkelijke, merlinistische veronachtzaming.
Heynders legt vooral de nadruk op Rodenko’s beïnvloeding door de Russische filosoof Leo Sjestov. Hierdoor komt een andere invloed op zijn denken minder aan de oppervlakte: Rodenko’s essays zijn doordrenkt van wat hij nomadisch of heraklitisch denken noemt. In Rodenko’s wereld is álles in permanente wording: tegenover de Westerse, statisch-Platoonse werkelijkheidsopvatting stelt hij Heraclitus’ pantha rei. Hij gaat niet uit van een gefixeerde ideeënwereld waarin alles is zoals het moet zijn, maar van permanente dynamiek als motor achter al het zijnde (Joosten 1992, p. 534-535). Dit maakt dat hij het literaire kunstwerk nooit ziet als het eindige, totaal affe, volledig te doorgronden object van zinvolle structuren waar de merlinisten zo graag de tanden in zetten.
Ten tweede onderscheidt Rodenko zich van Merlyn door zijn politieke engagement. En dat is meteen een punt dat ook bij Heynders zelf nauwelijks aan bod komt. Voortvloeiend uit en onlosmakelijk verbonden mét zijn heraklitische opvatting huldigt Rodenko een radicale politieke opvatting dichtbij het anarchisme (Joosten 1994). Rodenko beoogt geen ééndimensionale politieke boodschap te verpakken in literatuur, maar bepleit een soms wat vaag geformuleerd subtiel, ontwrichtend engagement dat met zijn fixatie op de taal overigens -- ook al -- verrassend postmoderne trekken heeft: ‘Het fundament van de staat, van elke law and order, is de taal, dat wil zeggen de taal als traditie, systeem, sociale code; wie de taal aantast, tast de staat aan. En in deze aantasting van de taal zelf als sociale code ligt nu juist het revolutionaire van de moderne poëzie; niet, of in veel mindere mate, in haar sociale "engagement"’. Merlyn met zijn strikt ergocentrische autonomie-opvatting had totaal geen boodschap aan een eventuele maatschappelijke dimensie van poëzie. Voor Rodenko echter sprak de link tussen literatuur en maatschappij vanzelf: ‘De permanente revolutie van het anarchisme en de moderne poëzie is het enige werkzaam tegengif tegen mutisme, katatonie, apathie, slaapziekte, machtswellust, grootheidswaan, bureaucratisme en vetzucht’. Terwijl Rodenko’s streven als literatuurvernieuwer altijd gewaardeerd werd, lijken literatuurbeschouwers nooit veel raad te weten met zijn radicale maatschappelijke opvattingen. Ook Heynders doet er verder niet veel mee.
Heynders’ essayistische aanpak maakt dat ze schools wetenschappelijk leest noch schrijft, maar (voorzichtige) uitstapjes maakt naar biografische details en al evenmin schroomt eigen voorkeuren en afkeren uit te spreken. Uit Langzaam leren lezen spreekt dan ook een prettige persoonlijke betrokkenheid die tegelijk uitdaagt tot tegenspraak. Een klein voorbeeld hiervan. Naar aanleiding van een maatschappelijk georiënteerde uitlating van Rodenko over Achterberg is Heynders’ prikkelende conclusie: ‘De relatie gedicht -- groter geheel van maatschappelijke verbanden wordt hier misschien wel wat te gemakkelijk gelegd en overtuigt nu, aan het einde van de twintigste eeuw eigenlijk niet meer’. Ik denk dat Rodenko over het algemeen niet geneigd was tot eenduidige opvattingen over de verhouding tekst-maatschappij (zoals ik hiervoor al kort aangaf) en ik denk bovendien dat zo’n opvatting noch haaks staat op het (post)moderne denken, noch op het actuele poëziedebat. Dit soort opmerkingen zeggen vooral iets over Heynders’ persoonlijke kijk op literatuur en werkelijkheid en als zodanig zijn ze de krenten in een toch al aller smakelijkste pap. Heynders’ boek is de (enig?) juiste mix tussen academische en persoonlijke opvattingen over literatuur en literatuurbeschouwing. Langzaam leren lezen zet twee belangrijke stappen in één keer: niet alleen Rodenko's werk zélf vernieuwt zich onder haar handen, ook de discussie óver Rodenko krijgt een waardevolle impuls met het belangrijke boek van deze onderzoekster van de post-merlinistische generatie.
Bibliografie
Joosten 1992 -- Jos Joosten, ‘Ik ben ’s dichters loopjongen niet: over de Verzamelde essays en kritieken van Paul Rodenko’. In: De Gids 150 (1992), 7 (juli), p. 533-538.
Joosten 1994 -- Jos Joosten, ‘De dingen die niet vanzelf spreken: Paul Rodenko’s totale engagement’. In: Parmentier 5 (1994), 3 (herfst), p. 2-12.
| MNL Homepage | TNTL |