TNTL 116/4

Jos Joosten

De literaire dood / red. Elrud Ibsch, Andrea Kunne, Cristina Pumplun. - Assen : Van Gorcum, 1998. - IX, 213 p. : ill. ; 24 cm

ISBN 90-232-3359-X Prijs: f 69,50

‘De Dood is "in"’, constateert Leo H. Hoek aan het begin van zijn bijdrage aan deze verzamelbundel, ‘na lange tijd een taboe-onderwerp te zijn geweest vormt de Dood nu het meest fascinerende en intrigerende vraagstuk dat de postmoderne mens bezig houdt in kunst, muziek, literatuur en in het dagelijks leven’. Het is wellicht ook de overweging geweest bij de onderwerpskeuze van de drie samenstellers van deze bundel opstellen, opgedragen aan Ferdinand van Ingen ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

Chronologisch geordend komt in negentien bijdragen de uiteenlopende manieren aan bod waarop de dood figureert of juist de hoofdrol speelt in (voornamelijk) West-Europese literaire teksten vanaf de klassieke oudheid tot heden. Geografisch én historisch buitenbeentje is het openingsartikel van Maarten Stol dat Soemerische dodenriten van rond 2000 v. Chr. behandelt. D.M. Schenkeveld bespreekt klassiek-Griekse epigrammen op jonggestorven kinderen. De reis door de tijd wordt voortgezet met Jan den Boefts beschouwing van het vroeg-christelijk martelaarschap. H.D. Meijering onderzocht met als uitgangspunt de sterfscène van Saul in het Oud-Jiddische Schmuelbuch de link met Duitse heldenepiek.

Meer bijdragen betreffen de Duitstalige letterkunde. Nienke Lammersen-Van Deursens schrijft over het redivivus-motief in de zestiende en zeventiende eeuw: een illustere persoonlijkheid keert terug uit de dood om het nageslacht te onderhouden over goed en kwaad van hun tijdperk. Cristina Pumplun bespreekt zeventiende-eeuwse rouwgedichten van de Neurenbergse dichter Sigmund von Birken. Thomas Mann komt aan bod in de bijdrage van Walter Schönau (over de novelle Der kleine Herr Friedemann) en Guillaume van Gemert (over Der Zauberberg). Recent werk betreft Andrea Kunnes beschouwing over Auslöschung, Ein Zerfall (1986) van de veelbesproken Oostenrijkse auteur Thomas Bernard en Elrud Ibsch’ beschouwing over ‘dood en schuld’ in Die letzte Welt en Morbus Kithara van diens in 1954 geboren landgenoot Christoph Ransmayr. Besproken buitenlandse auteurs zijn verder Victor Hugo en Stéphane Mallarmé (in Leo Hoeks bijdrage), Dostojewski, Gide, Camus en Coetzee (door Douwe Fokkema) en Elisabeth Eybers en Emily Dickinson (Hans Ester). A. Kibédi Varga schrijft over El Greco.

De Nederlandse letterkunde is vertegenwoordigd met beschouwingen van Tineke ter Meer over poë zie rond vluchtigheid en dood door de jonge Constantijn Huygens. Marijke Spies bekeek verschillende rouwgedichten ter gelegenheid van de heldendood van Michiel de Ruyter. Dick van Halsema analyseert de rol van de dode Jacques Perk in de poëzie van Albert Verwey en Willem Kloos. Dick Schram bespreekt de dood in Leon de Winters Hoffman’s honger.

De dood blijkt zich met andere woorden uitstekend te lenen als onderwerp voor een zeer levendig boek.


| MNL Homepage | TNTL |