TNTL 116/4

Jan Noordegraaf

"... die ihnen so liebe hollaendische Sprache" : zur Geschichte des Niederlaendischen im Westmuensterland und in der Grafschaft Bentheim / mit Beitr. von Johannes Baumann, Ludger Kremer und Steven Leys ; hrsg. von Ludger Kremer und Timothy Sodmann. - Vreden : Landeskundliches Institut Westmuensterland, 1998. - 288 p. : ill., krt. ; 25 cm. - (Westmuensterland ; Bd. 8)

ISBN 3-927851-92-2 Prijs niet opgegeven

In dit goed verzorgde werk zijn drie studies gebundeld die elk een deel belichten van de geschiedenis van het gebruik van het Nederlands in enkele West-Munsterlandse gebieden die niet tot het prinsbisdom Münster behoorden en zelfstandige territoria waren, en in het graafschap Bentheim dat lange tijd sterk op Nederland georiënteerd is geweest. Het boek snijdt een interessant onderwerp aan. Het gaat kort gezegd over taalgeschiedenis, diverse vormen van taalcontact en het functioneren van de Nederlandse taal op Duitse bodem. De titels van de studies geven de behandelde thema’s duidelijk aan. In de eerste bijdrage, een stuk van de hand van Kremer over ‘Grenzniederländisch: Das Niederländische im Westmünsterland’ (p. 11-51) , wordt de historische situatie in een aantal van die gebieden nader geschetst. Het betreft het graafschap Steinfurt en de heerlijkheden Gronau, Gemen, Werth en Anholt, overwegend calvinistische enclaves die nauwe contacten onderhielden met Nederland en de Nederlandse kerk. Kremer plaatst zijn bevindingen in een breder kader en geeft een duidelijk algemeen overzicht, zodat zijn stuk goed kan dienen als inleiding op de beide andere studies. Terwijl Kremers stuk vooral op eerdere literatuur is gebaseerd, is voor de verhandelingen van Baumann en Leyse uitvoerig geput uit beschikbare archiefstukken.

Het stuk van Baumann, ‘Der Übergang von der niederländischen zur hochdeutschen Schriftsprache in der Grafschaft Bentheim seit 1752’ (p. 53-126), gaat terug op een verhandeling die hij in 1963 schreef als ‘Zulassungsarbeit zum Staatsexamen für das höhere Lehramt’. In het graafschap Bentheim had het Nederlands in de kerk, op school, maar ook elders een stevige positie verworven. In 1752 moest de door schulden geplaagde graaf van Bentheim zijn land aan het koninkrijk Hannover verpanden en vanaf die tijd diende de officiële correspondentie in het Duits plaats te vinden, terwijl het Nederlands op andere terreinen nog lang de boventoon voerde. Baumann laat zien hoe het door allerlei omstandigheden nog meer dan een eeuw duurde voordat de overgang naar het Duits zich op alle gebieden had voltrokken.

Leys schrijft over ‘Dialekt und Schriftsprache in der ehemaligen Herrlichkeit Gronau/Westfalen’ (p. 129-287). Deze omvangrijke bijdrage is een bewerkte en enigszins geactualiseerde versie van een Antwerpse licentiaatsverhandeling uit 1988. Leys’ centrale vraagstelling luidt: ‘wie schreef in Gronau, vanaf wanneer, aan wie, waarover, en in welke taal?’ Wat het Nederlands betreft zien we dat in het begin van de achttiende eeuw de Hoogduitse schrijftaal in Gronau uit een aantal domeinen geheel of gedeeltelijk verdrongen werd door het Nederlands. Dominees en schoolmeesters speelden in dit proces een belangrijke rol. Nadat de heerlijkheid echter bij het centralistische Pruisen was ingelijfd (1813), zette de neergang van het Nederlands in, zowel om politieke redenen als ook vanwege de economische en verrassend snelle maatschappelijke heroriëntatie van de bevolking van Gronau.

Het boek is adequaat geïllustreerd. Er is geen index. Bij elk stuk is een uitvoerige literatuurlijst opgenomen en een samenvatting in het Nederlands.


| MNL Homepage | TNTL |