TNTL 116/4
Wilbert Spooren
Structuur en textuur : thema en cohesie in Nederlandse expositorische teksten / door Geert Craps. - Gent : Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1999. - XXII, 861 p. : diagr., graf., tab. ; 24 cm. - (Bouwstenen op het gebied van de Nederlandse naamkunde, dialectologie en filologie, ISSN 1374-2094 ; nr. 2)
Bew. van proefschrift 1995.
ISBN 90-72474-27-9 Prijs: 2.178 BEF
Deze dissertatie is geschreven vanuit het raamwerk van Halliday’s systemisch-functionele taalkunde, een rijk onderzoeksparadigma, met een heel specifieke, socio-semantische invalshoek. In SFG wordt taal bestudeerd als een vorm van sociaal handelen, waarbij taaluitingen beschreven worden als uitdrukkingen van betekenis. Er bestaan maar weinig SFG-teksten die ook leesbaar zijn (een berucht voorbeeld is Jim Martin’s (1992) English text. Amsterdam etc.: Benjamins). Daardoor heeft veel werk in deze traditie een hoog esoterisch gehalte. Het is dan ook een verademing om een tekst te lezen die een zo minutieuze en veelzijdig onderbouwde analyse geeft van de themapositie in de Nederlandse zin vanuit het SFG-gedachtegoed en tegelijkertijd zo leesbaar geschreven is, met aantoonbare aandacht voor wat er in aanpalende tradities gebeurt.
In vijf hoofdstukken behandelt Craps zijn onderwerp. Hoofdstuk 1 geeft een algemene inleiding op de theoretische uitgangspunten en de ambitieuze vraagstelling van het boek (a. is er een linguïstische definitie van het begrip ‘tekst’? b. hoe ontstaan eenheid en structuur in een tekst? c. hoe dragen grammaticale structuur en cohesieve relaties bij aan de samenhang van een tekst?), alsmede een motivatie voor de behandeling van deze vraagstelling vanuit het raamwerk van SFG. Hoofdstuk 2 bespreekt de notie thema, dat gedefinieerd wordt als ankerpunt voor de interpretatie van de informatie in de rest van de zin; aan de orde komen onder andere verschillen tussen ideationele (inhoudelijke), interpersoonlijke (de relatie tussen zender en ontvanger betreffend) en textuele (de organisatie van de tekst betreffend) aspecten van een thema en de verwantschap van de notie met gerelateerde noties (zoals gegeven informatie en topic-informatie); ook wordt een gedetailleerde beschrijving gegeven van de manier waarop thematische informatie in het Nederlands gerealiseerd kan worden. Het is met name dit hoofdstuk dat voor de taalkundig geïnteresseerde lezer het meest interessant is. In hoofdstuk 3 volgt een beschrijving van het door Craps ontwikkelde KATS-model (gekwantificeerde analyse van de thematische structuur), waarmee de thematische structuur van een tekst kwalitatief en kwantitatief in beeld gebracht kan worden. In hoofdstuk 4 wordt dit model getoetst door een vergelijking te maken tussen structureringsstrategieën van professionele en niet-professionele schrijvers van zakelijke teksten. Hoofdstuk 5 geeft de conclusies van de auteur en de implicaties onder andere voor de tekstdidactiek.
Craps heeft zich heel breed georiënteerd, zoals blijkt uit zijn zeer omvangrijke lijst van geraadpleegde literatuur (25 pagina’s; vreemd genoeg ontbreekt een verwijzing naar Liesbeth Degands dissertatie, ook handelend over tekstsamenhang, ook geschreven vanuit het SFG-kader, en ook geschreven in België, zij het aan de andere kant van de taalgrens (A situation-based approach to causation in Dutch with some implications for text generation. Proefschrift Université catholique de Louvain, 1996)). Hij legt uitgebreid verantwoording af van zijn analyses, in bijlagen met een omvang van 120 pagina’s. Verder is hij zeer breed van stof (de vijf hoofdstukken beslaan 611 pagina’s). Het is buitengewoon eenvoudig voor de lezer om in dit enorme boek te verdwalen. Mede daarom had de schrijver zich de moeite moeten getroosten aan dit aanbevelenswaardige boek een index toe te voegen.
| MNL Homepage | TNTL |