TNTL 117/1

Els Elffers

Interpretatiestructuur : een onderzoek naar de relatie tussen woordvolgorde en zinsbetekenis in het Nederlands / Justine A. Pardoen. - Amsterdam : Stichting Neerlandistiek VU ; Muenster : Nodus, 1998. - 467 p. : ill. ; 24 cm. - (Uitgaven / Stichting Neerlandistiek VU ; 25) Ook verschenen als proefschrift Vrije Universiteit Amsterdam, 1998.

ISBN 90-72365-53-4 / ISBN 3-89323-429-2 Prijs:

Justine Pardoen introduceert in haar proefschrift Interpretatiestructuur. Een onderzoek naar de relatie tussen woordvolgorde en zinsbetekenis in het Nederlands (1998) een nieuwe kijk op taalkundig onderzoek, die zij karakteriseert als een ‘(radicaal doorgevoerde) interpretatieve benadering’ (p. 116, 436). Deze benadering impliceert een beschrijvingsmethode voor de relatie tussen woordvolgorde en zinsbetekenis die gebruik maakt van de toekenning van ‘interpretatiestructuren’ aan zinnen. De grafische weergave van interpretatiestructuren doet een beetje denken aan omgekeerde boomstructuren, en heel veel aan het type ‘relationele structuren’ dat we aantreffen in het syntactische werk dat de Nederlandse structuralist Uhlenbeck in de jaren rond 1960 het licht deed zien. Ik geef ter illustratie de interpretatiestructuur die Pardoen voorstelt voor de zin Hij weegt 80 kilo (p. 269):

Pardoen benadrukt de overeenkomst tussen haar benadering en die van Uhlenbeck. Ook hij hanteert volgens haar een interpretatieve benadering (p. 193, 434) en zijn structuren zijn ‘interpretatiestructuren’ (p. 192). Er zijn echter ook niet onaanzienlijke methodische verschillen (waarover straks meer).

Bij Pardoen bevat de interpretatiestructuur van een zin informatie over de al of niet ‘onafhankelijke conceptualisering’ van de verschillende woorden en woordgroepen in de zin. In de hierboven weergegeven structuur is bijvoorbeeld hij onafhankelijk geconcipieerd van wat volgt, maar weegt is niet onafhankelijk geconcipieerd van 80 kilo. Deze elementen vormen een geïntegreerde eenheid, die als geheel aan het voorgaande hij wordt toegevoegd. Het gaat er bij onafhankelijke conceptualisering dus om of een element zijn bijdrage aan de opbouw van de interpretatie van de zin zelfstandig levert (dit is volgens Pardoen ‘in het algemeen’ het geval (p. 91, 434, 437), of samen met een of meer volgende elementen.

Pardoens zinsanalyses verschillen niet alleen inhoudelijk, maar ook in methodologische status van meer gebruikelijke vormen van zinsanalyse, van ‘wat we gewend zijn’ (p. 206). Hoezeer een beschrijving als de bovenstaande ook het karakter lijkt te hebben van een claim over ‘hoe het zit’ met de zin Hij weegt 80 kilo, dat is schijn. Pardoens descriptieve voorstellen zijn niet bedoeld als pogingen, iets te beweren over zinsstructuren, en al helemaal niet over hoe het psychologisch bij sprekers en hoorders toegaat. Het zijn hulpmiddelen om bepaalde aspecten van de zinsbetekenis uit te leggen, en ze staan daarmee op één lijn met andere middelen om dit doel te bereiken, zoals parafrases of vertalingen in of met behulp van een andere taal, of met behulp van gebaren (p. 224, 228). Dit betekent ook dat ze beoordeeld moeten worden op hun bruikbaarheid in het kader van deze uitleg-activiteit, die zelf weer is ingebed in een bepaalde cultuur (p. 223). Veranderingen in deze pragmatische setting kunnen andere structuren verkieslijker maken (p. 206).

Worden in dit proefschrift inderdaad geheel nieuwe wegen ingeslagen? Pardoen benadrukt enerzijds sterk dat dit zo is: ‘Met de analyse in de vorm van een interpretatiestructuur wordt in dit proefschrift in feite een nieuwe opvatting geïntroduceerd van de structuur van een zin’ (p. 41).

Anderzijds presenteert zij haar benadering niet als vanuit-het-niets-ontstaan, integendeel. Uit haar hele -- mede daardoor lijvige -- boek blijkt de doorwerking van een zeer brede en gedegen belezenheid op alle bestreken terreinen, en dat zijn er vele. Alle nieuwe ideeën worden gepresenteerd in aansluiting op en in discussie met eerder ontwikkelde visies, die soms weliswaar krachtig verworpen worden, maar vaak tegelijk ook als inspiratiebron dienen. Ook Pardoens meest essentiële theoretische vernieuwingen bouwen in meerdere of mindere mate voort op eerder werk. Daardoor plaatst zij zich ondanks een zeer eigen geluid toch in een of meer tradities. De belangrijkste inspiratiebronnen zijn:

(i) de vorm-betekenis-analyse (analytische taalkunde, form-content-analysis). Ondanks scherpe methodologische kritiek op deze benadering (zie verderop) deelt Pardoen het streven naar vaste 1-op-1-relaties tussen vorm en betekenis (p. 205). Ook manifesteren veel van haar analyses het voor deze benadering kenmerkende overhevelen van grammatica naar lexicon. Zo verdwijnt bij Pardoen het onderscheid tussen zelfstandig werkwoord, koppelwerkwoord en hulpwerkwoord. Voor het verantwoorden van de in die termen beschreven verschijnselen, is een beroep op de lexicale betekenis van het werkwoord (en eventueel van andere woorden uit de zin), en zijn verschillende mogelijkheden t.a.v. onafhankelijke conceptualisering voldoende (deel 2, hoofdstuk 2). Ook allerlei zinsdeel-onderscheidingen (bijvoorbeeld alle bekende ‘complementen van het gezegde’) verdwijnen langs deze weg (deel 2, hoofdstuk 3, zie voor dit punt ook Duinhoven 2000: 192).

(ii) linear modification-visies op woordvolgorde. Bolingers gelijknamige theorie is hier de belangrijkste inspiratiebron, zowel voor Pardoen, als voor Onrust en Verhagen, die op hun beurt van groot belang voor Pardoen zijn. Daarnaast speelt het werk van Uhlenbeck een centrale rol. Kenmerkend voor al deze visies is het idee dat de lineaire opeenvolging van elementen op zichzelf een linguïstisch relevante geleding van taaluitingen aanbrengt. Deze gedachte wordt op nogal verschillende manieren uitgewerkt, die Pardoen niet steeds voldoende van elkaar onderscheidt. In Pardoens begrip ‘onafhankelijke conceptualisering’ werkt hij door in de visie dat bij X-Y de interpretatie van X in principe niet afhankelijk is van de betekenis van Y. Het begrip ‘onafhankelijke conceptualisering’ zelf is direct geïnspireerd op de notie ‘onafhankelijke waarneembaarheid’, zoals ontwikkeld in Verhagen (1986) (p. 17, 127). Verhagen verklaart met behulp van deze notie bijvoorbeeld het interpretatieverschil tussen zieken in Je zult zieken helaas altijd moeten verzorgen en Je zult helaas altijd zieken moeten verzorgen. Verhagen stelt dat zieken, dat in de eerste zin tot het topic behoort, daar onafhankelijk waarneembaar is (waardoor het een generieke interpretatie krijgt) en in de tweede zin niet: daar behoort het samen met moeten verzorgen tot de comment en krijgt het een non-specifieke interpretatie (p. 124).

(iii) ‘pragmatische’ visies op taalonderzoek. Voor de gedachte dat interpretatiestructuren geen waarheidsclaim behelzen en niet ‘de’ structuur van een zin blootleggen, heeft Pardoen zich vooral laten inspireren door werk van Daalder en Onrust, en daarmee indirect door de Wittgenstein-interpretatie van Baker en Hacker. Het begrip ‘interpretatiestructuur’, is, inclusief de kijk op dit begrip als ‘uitleg’ of ‘verhelderend commentaar’ achteraf, ontleend aan Daalders notie ‘interpretatieve structuur’ (p. 79, 215). Kerngedachte is dat zinsanalyses creaties van de taalbeschouwer zijn; er wordt niet iets blootgelegd dat er al was. De verbanden die gelegd worden zijn geen causale verbanden; geformuleerde regels worden niet door taalgebruikers ‘gevolgd’. De enige werkelijkheid waar interpretatiestructuren in figureren is de werkelijkheid van het uitleggen van de betekenis van volledig begrepen zinnen.

Interpretatiestructuur bestaat uit twee delen, die globaal ‘theorie’ en ‘toepassing’ betreffen. De relatie tussen beide delen is niet hecht. Pardoen beschouwt van alle 26 hoofdstukken die deel 1 vormen slechts de laatste drie als ‘onmisbare inleiding op deel 2’ (p. 18), en zelfs dat is, gezien het sterk metatheoretische karakter van deze hoofdstukken, nog maar ten dele het geval.

De hoofdstukken van deel 1 betreffen grotendeels bestaande ideeën over informatiestructuur in het algemeen (o.a. Praagse School, Keijsper) en woordvolgorde in het bijzonder (o.a. de ANS, García, Onrust, Verhagen), in discussie waarmee het eigen standpunt over interpretatiestructuur en onafhankelijke conceptualisering wordt ontwikkeld. Een kernpunt daarbij vormt Pardoens visie dat ‘topic’-zijn onafhankelijke waarneembaarheid impliceert en dat onafhankelijke waarneembaarheid op zijn beurt onafhankelijke conceptualisering impliceert. Omgekeerd gelden deze implicaties niet (ten onrechte concludeert Pardoen hieruit dat ‘onafhankelijke conceptualisering’ een ‘fundamentelere’ notie is, p. 129).

Bijzondere aandacht wordt in deel 1 voorts besteed aan het syntactische werk volgens de zgn. ‘lineaire methode’ van Uhlenbeck. Naast gelijkenissen met haar eigen benadering signaleert Pardoen als belangrijkste verschil Uhlenbecks in haar ogen te ‘letterlijke’ hoordersstandpunt: zijn interpretatiestructuren hebben, in tegenstelling tot die van Pardoen, implicaties voor hoe het bij de hoorder toegaat. De door Kraak in 1966 gepresenteerde kritiek op deze benadering en Uhlenbecks verweer daartegen worden uitvoerig besproken, waarbij de, m.i. niet waargemaakte, claim is, dat de discussie en de misverstanden tussen de partijen kunnen worden opgehelderd vanuit een interpretatiestructurele visie op Uhlenbecks ‘relationele structuren’.

Deel 1 wordt besloten met een principiële discussie over de relatie tussen vorm, betekenis en interpretatie en een samenvatting van de uitgangspunten.

Het descriptieve deel 2 begint met twee inleidende hoofdstukken waarin de interpretatiestructuur van enkelvoudige zinnen van het type subject - verbum finitum - rest (SVfX) besproken wordt.

Daarna volgen twee zeer omvangrijke hoofdstukken (3 en 4), die elk een concretisering van dit type betreffen: X is in hoofdstuk 3 een nominale groep met een niet-werkwoordelijke aanvulling. In hoofdstuk 4 bevat X een werkwoordelijk element. Overigens behandelen beide hoofdstukken opmerkelijkerwijs ook constructies die onder het ‘andere’ hoofdstuk-type of onder geen van beide vallen.

In hoofdstuk 3 wordt onder meer uitvoerig ingegaan op zinnen van het type Ik heb de band lek en Van Bree’s analyse van dit type (Van Bree 1981). Ook constructies met presentationeel er worden behandeld, onder andere in termen van het door Brentano en Marty geïntroduceerde onderscheid tussen ‘thetische’ en ‘categorische’ zinnen. Tenslotte worden dubbel-object-constructies behandeld, met bijzondere aandacht voor het semantische verschil tussen het indirect object met en zonder aan en de belangrijkste Nederlands-taalkundige literatuur hierover (o.a. Schermer, Janssen).

In hoofdstuk 4 gaat het vooral om zinnen waarin het werkwoordelijk element infinitief of voltooid deelwoord is. Veel aandacht krijgen constructies met zien en andere waarnemingswerkwoorden. Verder wordt uitvoerig ingegaan op beknopte bijzin-constructies (o.a. met proberen als hoofdwerkwoord). Volgordeverschijnselen in de werkwoordelijke eindgroep, IPP, en de toevoegbaarheid van om komen uitvoerig aan de orde. Ook hier dienen de ANS en de t.a.v al deze onderwerpen rijke Nederlands-taalkundige literatuur als belangrijke achtergrond waartegen Pardoen haar eigen ideeën presenteert.

Het Besluit bevat, wat onevenwichtig, zowel een samenvatting als een nadere uitwerking van het in de loop van deel 2 ontwikkelde idee over de ‘spilfunktie’ van het Vf.

De meeste van Pardoens descriptieve voorstellen volgen eenzelfde stramien. Er is sprake van een herinterpretatie van bestaande ideeën over zinnen in termen van onafhankelijke conceptualisering. Die ideeën betreffen bv. gevallen van meerduidigheid. Pardoen verantwoordt deze niet, zoals eerdere taalkundigen, in termen van een dubbele syntactische of informatiestructurele analyse, maar in termen van een dubbele interpretatiestructurele analyse. De meerwaarde van de herinterpretatie wordt steeds bepleit, hetgeen vervolgens nieuwe steun betekent voor de interpretatiestructurele benadering als geheel.

Observationeel bevat het boek niet heel veel nieuws, zij het dat er bij de behandelde onderwerpen vaak sprake is van enige -- soms waardevolle -- nuancering en aanvulling. Wel heeft de introductie van het begrip ‘onafhankelijke conceptualisering’ zelf natuurlijk observationele implicaties: we moeten taalelementen gaat ‘zien als’ al of niet onafhankelijk geconceptualiseerd. Pardoen besteedt ten onrechte geen aandacht aan eventuele problemen rond de empirische waarneembaarheid van deze moeilijk grijpbare, maar in haar boek cruciale eigenschap.

Ik geef één voorbeeld van Pardoens argumentatie. Op p. 248 bespreekt zij het verschil tussen lezen in constructies van het type Hij leest een boek (bij Pardoen zin (54)) resp. in constructies van het type Dat boek leest lekker (zin 55). Dit verschil, eerder wel beschreven via een verschillende klassifikatie van leest (resp. zelfstandig werkwoord en koppelwerkwoord), wordt door Pardoen ‘uitgelegd [...] als een verschil in de conceptualisering van leest. In (54) is leest onafhankelijk van een boek toegevoegd aan hij, overeenkomstig de interpretatie dat "hij" iets doet, dat met "lezen" zelfstandig gekarakteriseerd kan worden; de informatie dat het "een of ander boek" betreft, begrijpen we hierbij als een relevante specificatie. Maar de zin in (55) begrijpen we anders. We begrijpen dat niet "het boek leest", maar dat een idee "(iemand "leest lekker" is betrokken op "dat boek" [....] De interpretatie is hier dan ook aanleiding tot een structuur die laat zien dat leest niet onafhankelijk geconcipieerd is, maar in het kader van lekker [...]. Nu we dit verschil uitleggen als een verschil in conceptualisering van het werkwoord, zouden we op grond van de toegekende interpretatiestructuur kunnen zeggen dat leest in (54) te typeren is als een zelfstandig werkwoord, en in (55) niet. Maar waarom zouden we dit nog doen? Het voegt immers niets meer toe.’

Pardoen karakteriseert, deels voortbouwend op ideeën van Onrust en Verhagen, de interpretatiestructuren van zinnen van het SVfX-type ook in wat algemenere termen. Zinnen als (54) met een onafhankelijk geconcipieerd Vf worden ‘analytisch’, ‘transitief’ en ‘dynamisch’ genoemd; hun subject is het ‘agens’ van het ‘gebeuren’ waarvan een rechtstreeks verslag wordt uitgebracht. Zinnen als (55) met een niet onafhankelijk geconcipieerd Vf zijn zijn ‘synthetisch’ en ‘statisch’; hun subject is ‘topic’ binnen de weergave van een ‘oordeel’ of ‘toestand/situatie’. Deze tweedeling is helaas veel te rigoureus, al was het alleen al omdat bij veel zinnen die een gebeuren uitdrukken het subject tevens topic is.

Interpretatiestructuur is onmiskenbaar een ‘rijk’ boek. Het behandelt een breed scala van zowel metatheoretisch-taalkundige als descriptief-neerlandistische onderwerpen. Bij dit laatste type worden veel belangwekkende analyses behandeld, en soms met zinvolle observaties en argumentaties aangevuld, zoals, om één voorbeeld te noemen, met betrekking tot het belang van het adjectief voor de aanvaardbaarheid van zinnen als Mijn vrôuw is ziek vs. ?Mijn vrôuw is verkouden in par. 3.2.2. Ondanks zijn diversiteit en omvang handhaaft het boek een redelijk hechte structuur en interne consistentie, en het is van het begin tot het eind goed geschreven. Al deze eigenschappen maken het tot aantrekkelijke en leerzame stof voor studenten, zoals ook wordt opgemerkt in Duinhoven (2000: 191).

Het opwindendste aan het boek is natuurlijk de pretentie van een nieuwe en betere taalkundige benadering en de interessantste vraag is dan ook of het boek op dit punt overtuigt. Ik vind het jammer te moeten vaststellen dat dit niet het geval is.

Pardoens grootste fout is dat haar begrip ‘onafhankelijke conceptualisering’ lijdt aan de kwaal waaraan volgens Reichling (1967 [1935]: 227) het betekenis-begrip in zijn tijd leed: het is een ‘Mädchen für alles’. De meest diverse verschijnselen kunnen volgens haar geduid worden ‘in termen van onafhankelijke conceptualisering’, een hoogfrequente uitdrukking in Interpretatiestructuur. Het begrip ‘onafhankelijke conceptualisering’ wordt daardoor zo vaag en polyinterpretabel, dat het steeds onduidelijker wordt voor welke semantische eigenschap het nu eigenlijk staat en welke formele eigenschappen ermee correleren.

Bij Verhagens bijna uitsluitend NP’s betreffende ‘onafhankelijke waarneembaarheid’ is meestal nog wel navoelbaar waar het om gaat, en is het door duidelijke correlaten met accent- en woordordeverschijnselen duidelijk welke empirische claims er worden gemaakt. Pardoens nazaat van zijn begrip is op zeer diverse taalelementen van allerlei omvang en complexiteit toepasbaar, vaak zonder dat duidelijk wordt wat de substantiële eigenschap is die al die gevallen delen. Bovendien weten we bij onafhankelijke conceptualisering niet met welke formele eigenschappen het correleert. Dat lijkt per geval te verschillen en soms ontbreekt een formeel correlaat geheel (bijv. bij de twee interpretatiestructuren die Hij werkt op kantoor krijgt toegewezen, p. 38). Met woordvolgorde heeft het blijkens de in Interpretatiestructuur behandelde verschijnselen in elk geval heel weinig te maken, alleen al gezien de titel van het boek een verrassende conclusie. Er is dus door de afwezigheid van vorm-betekeniscorrelaten geen sprake van onderzoeksresultaten in de vorm van geformuleerde samenhangen tussen woordvolgorde en interpretatie. Pardoens veelvuldige uitspraken dat dit wel het geval is krijgen daardoor iets van een bezwering.

Pardoen ziet helaas niet dat de ruime inzetbaarheid van het begrip ‘onafhankelijke conceptualisering’ alleen mogelijk is bij de gratie van inhoudelijke uitholling óf interne inconsistentie (integendeel: zij ziet die inzetbaarheid juist als teken van ‘kracht en reikwijdte’ (p. 436) van haar benadering). Als we zoeken naar het gemeenschappelijke in alle toepassingswijzen, houden we een begrip over dat vaag iets met ‘samenhang’ te maken heeft, maar op zo’n onduidelijke manier dat het op alles en niets naar willekeur kan worden toegepast. Nemen we de rijkere inhoudelijke invulling die we destilleren uit specifieke toepassingen serieus, dan stuiten we op tegenstrijdigheden bij andere toepassingen. Interpretatiestructuur geeft aanleiding tot een dramatische hoeveelheid voorbeelden van dit verschijnsel. Ik beperk me hier tot één illustratief geval.

Op p. 274-275 krijgt de zin Ze duwden hem de trap af twee interpretatiestructuren, waarin hem resp. wel en niet onafhankelijk geconceptualiseerd is van de trap af. Dit verschil correspondeert volgens Pardoen met de interpretatie van de trap af als resp. bepaling van richting en resultatieve werkwoordsbepaling. Op p. 280 krijgt Hij verfde de deur groen twee vergelijkbare interpretatiestructuren toegekend: de deur is al of niet onafhankelijk geconcipieerd van groen. Hier correspondeert dit verschil met een informatiestructureel verschil dat correleert met een verschil in hoofdaccent: resp. op groen en op de deur.

In beide gevallen wordt betoogd dat het zinsdeel na het Vf bij onafhankelijke conceptualisering zelfstandig aan het voorgaande wordt toegevoegd; in het andere geval gebeurt dit samen met het vierde lid. Maar hoe zit het nu met Ze duwden Piet de trâp af en Ze duwden Pîet de trap af? Het informatiestructurele verschil dat in het accent tot uitdrukking komt is hier evenzeer aan de orde als het richtingbepaling -- resultatieve werkwoordbepaling-verschil: er zijn vier mogelijkheden. Interpretatiestructureel zijn er echter maar twee opties. Wie bijvoorbeeld een interpretatiestructuur van Ze duwden Piet de trâp af in de resultatieve werkwoordbepaling-lezing wil construeren staat daarom voor een onoplosbaar tegenstrijdige opdracht.

We zien hier slechts één opzicht waarin het begrip ‘(wel of niet) onafhankelijke conceptualisering’ systematisch overbelast is; er zijn er zeer vele. Zolang dit zo is, is ‘onafhankelijke conceptualisering’ een onbruikbaar begrip.

Pardoens onvermogen om de notie ‘onafhankelijke conceptualisering’ inhoudelijk consistent af te bakenen, kan deels toegeschreven worden aan de diversiteit van haar ‘lineaire modificatie’- bronnen. Volgens Uhlenbeck en Verhagen gaat het bij X-Y altijd om de eventuele inbreng van Y bij de interpretatie van X; is die inbreng er, dan is er resp. sprake van ‘uitgesteld verband’ en ‘niet-onafhankelijke waarneembaarheid’. García en Onrust bespreken daarentegen de inbreng van X bij de interpretatie van Y: X fungeert als ‘kader’ waarbinnen Y wordt geïnterpreteerd. Pardoen merkt zelf op dat Bolinger beide doet, en ziet dit als een nadeel. Zelf presenteert ze echter een inconsistent beeld: enerzijds wordt ‘onafhankelijke conceptualisering’ consequent gedefinieerd en afgebakend ‘ten opzichte van wat volgt’, anderzijds wordt het ‘kader’-idee gekoesterd. Pardoen verstrikt zich hierdoor in tegenstrijdigheden. Bijvoorbeeld is op p. 348 sprake van een zin waarvan het laatste element beschouwd wordt als ‘niet onafhankelijk geconceptualiseerd van wat volgt’, en op p. 347 is plotseling sprake van niet-onafhankelijke conceptualisering ten opzichte van een voorafgaand element.

Mij lijkt het hele idee van ‘lineaire modificatie’ taalkundig onvruchtbaar. Als informatie in porties wordt aangeboden, is het, gegeven de menselijke intelligentie, onvermijdelijk dat de porties in het interpretatieproces hun schaduwen voor- en achteruit werpen. Deze afhankelijkheidsrelaties hebben bij taal evenmin iets te maken met de inhoud van de informatie (en de semantische relaties tussen onderdelen van die inhoud, zelfs als die met de term ‘modificatie’ aan te duiden zijn) als de interpretatieve afhankelijkheden bij het legpuzzelen. Als tijdens het puzzle-proces een blauw stukje ‘nader gespecificeerd’ wordt als ‘zee’ dankzij het ‘kader’ van wat er al ligt, of juist via feedback van later bekeken (conglomeraten van) stukjes, heeft dat niets te maken hebben met de inhoudelijke structuur van de afbeelding (bijv. een zeegezicht van Van der Velde).

Een ander punt waarop Pardoen haar eigen zaak geen goede dienst bewijst, is haar kritiekloze aansluiting bij het ‘pragmatisme’ van Daalder e.a. Ik kan in deze kijk op taalkundig onderzoek niets anders zien dan een over-reactie op een allang achterhaald wetenschapstheoretisch naïef realisme en taalkundig naïef mentalisme. De standpunten dat theorieën feilbare menselijke constructa zijn en dat taaltheorieën niet noodzakelijkerwijs sprekersprocessen afbeelden zijn inmiddels vrijwel algemeen aanvaard. Er is geen enkele reden tot een alles-of-niets: naïef-realistische taaltheorieën of helemaal geen theorieën, maar ‘hulpmiddelen in uitleg-situaties’. In feite is Pardoens praktijk daar ook helemaal niet naar: ze verdedigt, zoals iedere taalkundige, de door haar als juist gepresenteerde analyse met taalkundige argumenten, en maakt nooit een doel-middelen-vergelijking met andere uitleg-methoden.

Het gaat hier niet alleen om een wat ongelukkige metatheorie. De pragmatistische misvattingen leiden bijvoorbeeld in de praktijk gauw tot een oneigenlijke immunisering tegen kritiek; de bekritiseerde analyse had immers niet de pretentie te zeggen ‘hoe het zit’? Ook is het pragmatisme al te makkelijk naar willekeur inzetbaar voor kritiek. In Interpretatiestructuur worden bijvoorbeeld op grond van hun niet-pragmatistische karakter het werk van Keijsper en de gehele vorm-betekenis-benadering buiten spel gezet.

Dat een Nederlands-taalkundig proefschrift fundamentele gebreken vertoont is betreurenswaardig. Niettemin staat in Interpretatiestructuur veel substantieels en deels ook nieuws over een breed scala van descriptieve problemen op het gebied van de Nederlandse syntaxis in de ruimste zin des woords; deze positieve eigenschap blijft onverlet.

 

Literatuur

Van Bree 1981 -- C. van Bree: Hebben-constructies en datiefconstrcuties binnen het Nederlandse taalgebied. Een taalgeografisch onderzoek. Proefschrift Leiden, 1981.

Duinhoven 2000 -- A.M. Duinhoven: ‘Bespreking J. Pardoen, Interpretatiestructuur. Een onderzoek naar de relatie tussen woordvolgorde en zinsbetekenis in het Nederlands’. In: Nederlandse Taalkunde 5 (2000), p. 187-192.

Reichling 1967 [1935] -- A. Reichling: Het woord. Een studie omtrent de grondslag van taal en taalgebruik. Zwolle, 1967 [1935].

Verhagen 1986 -- A. Verhagen:, Linguistic theory and the study of word order in Dutch. A study of interpretive aspects of the order of adverbials and noun phrases. Dordrecht, 1986.


| MNL Homepage | TNTL |