TNTL 117/1

Ad Foolen

Duale syntaxis en polaire contractie. Negatief gebonden of-constructies in het Nederlands/ Ad Welschen. Amsterdam: Stichting Neerlandistiek VU (= Uitgaven Stichting Neerlandistiek VU, 27), ISBN 90-9012455-1 / Münster: Nodus Publikationen.

ISBN 3-89323-432-2. Proefschrift Amsterdam, 1999. xxii+512 p.

Prijs: f 65,--

Geen Neerlandicus of hij kent de term ‘balansschikking’, door Bos (1964) terloops geïntroduceerd als naam voor een constructie die voordien omschrijvenderwijs aangeduid werd, zoals Terwey (1892) dat deed in de titel van zijn artikel ‘Oover de zoogenaamde bijzinnen met of, die met een’ ontkennende hoofdzin in verband staan’. Ook Welschen geeft de voorkeur aan een dergelijke omschrijvende aanduiding. Van de term ‘balansschikking’ vindt hij dat ‘zolang het niet duidelijk is wat we er precies mee voorhebben, we de term maar beter [kunnen] vermijden, want hij wekt ook allerlei verkeerde verwachtingen’ (p. 61). Hij kiest daarom voor ‘Negatief gebonden of-constructie’ (zie de ondertitel), afgekort als NoC, een omschrijving waarin twee markante vormkenmerken van de constructie naar voren komen: het voegwoord of dat twee leden verbindt en het verplicht negatieve karakter van het eerste lid.

Als je er eenmaal op gespitst bent, kun je geen blad of boek opslaan of je komt NoC’s tegen. Hier volgen een paar recent door mij genoteerde voorbeelden (Welschen put in zijn boek uit een verzameling voorbeelden die hij in de loop der jaren waarin zijn studie tot stand kwam, heeft opgebouwd):

(1) Maar je ziet geen debiel of er zijn altijd nog mensen zwakker van geest. (Jos Joosten, KU-Nieuws, 11-12-98)
(2) Er is bijna geen Westvlaamse schoonmoeder of ze woont op een afstand van maximaal twee, drie kilometer van haar schoonzoon of -dochter. (P.C. Paardekooper, in Liesbeth Koenen, Het vermogen te verlangen, 2e druk, p. 309)
(3) Geen geweld zo zinloos of er valt wel een zin aan te geven. Vraag maar aan de NS. (NRC, 25-3-99)
(4) ‘Reagan is nog niet aan de macht of de ANWB vraagt om de maximumsnelheid te verhogen’, merkte Aad Ritsen op. (J.J. Voskuil, Het Bureau 5, p. 498)
(5) Nog geen twee maanden was ik bezig of ik begreep aan handen en voeten gebonden te zijn als ik geen betrouwbare vertalers kon vinden (J.J. Oversteegen, Etalage, 1999, p. 153)
(6) Ik kon mijn kont nog niet keren of je lag met Arthur in bed te kroelen. (Peter van Straaten, Agnes, VN, 19-12-98)
(7) Het kan niet anders of in hun Haagse jongensjaren -- in de Parsifalstraat en de Vreeswijkstraat -- moet hun eigen omgang met de taal zijn begonnen. (Ewoud Sanders, Jemig de pemig!, over Van Kooten en De Bie, 1999, p. 9)
(8) Het kan niet uitblijven of UPC gaat het op de beursvloer net zo goed doen als eronder (reclame van UPC, NRC, 10-2-99)

Deze en andere voorbeelden komen typisch voor in contexten waar de schrijver uit is op krachtige taal, expressief taalgebruik, waarbij generalisering makkelijk overgaat in overdrijving. Deze retorische, pragmatisch-expressieve gebruikswaarde van de constructie wordt door Welschen meermaals gethematiseerd, wat niet gebruikelijk is in eerdere literatuur, die zich vrijwel uitsluitend richtte op de syntactische en semantische aspecten van de constructie, en de ‘mismatch’ tussen die twee.

Vanaf Terwey (1892) is er, juist vanwege die ‘mismatch’, onzekerheid geweest of de constructie nu bij de nevenschikking of bij de onderschikking ondergebracht moest worden. Vormelijk lijkt de keuze voor nevenschikking het meest voor de hand te liggen -- beide conjuncten vertonen immers de woordschikking van de hoofdzin -- maar inhoudelijk lijkt er een ongelijkheid tussen de conjuncten te bestaan, die bij parafrase er makkelijk toe uitnodigt om een van de twee conjuncten als bijzin weer te geven, vgl.: Geen debiel die niet ...(voorbeeld 1 hierboven), Nog geen twee maanden was ik bezig, toen ik al begreep ...(voorbeeld 5), enzovoort. Den Hertog (1904/1973) behandelt de constructie bij onderschikking, maar toont zich net als Terwey terdege bewust van de ambigue status van de constructie (II: 23, 128-129, III: 246), en de ANS weerspiegelt deze onzekerheid in de traditie door in de eerste uitgave de constructie te behandelen bij het onderschikkende voegwoord of (1984: 647-649) om deze in de tweede uitgave te laten verhuizen naar het hoofdstuk over bijzondere vormen van nevenschikking (1997: 1554-56).

‘Blijkbaar kunnen we hier noch van nevenschikking noch van onderschikking spreken’, concludeerde Bos (1964: 243) al, en ook Welschen kiest ervoor om de constructie van het traditionele dilemma te bevrijden en onder te brengen bij wat hij noemt ‘duale syntaxis’, een ‘complex van duale zinsverbindingen [...] die alle meer of minder in de conditioneel-concessieve sfeer liggen’ (p. 372). Volgens Welschen ligt er bij de duale syntaxis ‘een omvangrijk grammaticaal studieterrein braak’ (p. 373). De door Van Zonneveld en Bastiaanse (1997) geanalyseerde constructies als Heden ik, morgen gij; Poppetje gezien, kastje dicht (met volgens de auteurs twee ondergespecificeerde IP’s als conjuncten) lijken me ook op dit terrein voor vervolgonderzoek thuis te horen, evenals asyndetisch verbonden tegenstellende conjuncten als in Vroeger stierven journalisten aan de drank en de gonorroe, tegenwoordig lijken ze zich naar de afgrond te clicken (NRC, 30-8-99), waarbij in dit laatste voorbeeld het correlatieve karakter van de conjuncten nog versterkt tot uitdrukking zou komen bij omkering van vroeger en stierven in het eerste conjunct.

De ondertitel van de voorliggende studie bevat de toevoeging ‘in het Nederlands’, maar die toevoeging is in zoverre overbodig, dat de NoC-constructie vandaag de dag alleen nog in het Nederlands (en Afrikaans en Fries) voorkomt. Zoals Welschen in de appendix van zijn boek laat zien, beschikten het Latijn en oudere fasen van het Engels over een soortgelijke constructie (waarbij resp. quin en but als voegwoorden optraden; zie voor enkele voorbeelden met quin p. 84 en 92 in Verwer 1996), maar voor de moderne westerse talen kunnen we zeggen dat we hier te maken hebben met een constructie die uniek is voor het Nederlands en z’n meest directe verwanten. In de internationale taalkundige literatuur is er dan ook niet over geschreven. De uniciteit van de constructie betekent overigens niet dat de inhoud van wat in een NoC-constructie uitgedrukt wordt, niet op een andere wijze in andere talen, en ook in het Nederlands, weergegeven kan worden. De retorisch-expressieve waarde kan daarbij echter makkelijk verzwakken of verloren gaan. Enkele voorbeelden, weer uit de eigen verzameling:

(9) Geen sociaal-agogisch congres zonder workshops waarin de deelnemers vrijelijk hun hart kunnen luchten. (Havana, Weekblad van de Hogeschool van Amsterdam, 31-3-99)
(10) Het studiehuis is nog niet overal ingevoerd en de leerwegen in het Mavo/VBO zijn alweer onderweg. (NRC, april 99)
(11) Het moet raar lopen als Glastra van Loon begin oktober niet een van de zes nominaties in de wacht sleept. (NRC, 6-8-99) (vgl. voor dit constructietype Welschen, p. 232-241)
(12) Kaum eine Alltagssituation, an dem das Männchen nicht scheiterte. (ARD, over HB-reclame)
(13) Kaum bist Du wieder hier, schneit es. (pers. comm.)

Met andere woorden, een taal kan best zonder de NoC-constructie, maar, zoals de studie van Welschen laat zien, in het Nederlandse taalgebruik is hij springlevend en ontleent hij z’n levenskracht mede aan de bijzondere expressiviteit ervan.

De levenskracht van de NoC is bovendien gegarandeerd doordat de constructie stevig verankerd is in het grammaticale systeem van het Nederlands. Enerzijds maakt hij deel uit van de familie van duale structuren, anderzijds is hij op het semantische vlak verbonden met een opvallend breed scala aan semantische inhoudstypen. Zo kan de constructie gebruikt worden voor het generaliseren over verzamelingen (geen mens -> alle mensen), maar ook voor het weergeven van een ongebruikelijk snelle opeenvolging van gebeurtenissen (nauwelijks was ik binnen of ...), alsook voor de uitdrukking van modaliteit (het lijdt geen twijfel of ...). Kortom, zowel in het taalsysteem als in het taalgebruik is de constructie niet als marginaal af te doen.

In de neerlandistische traditie heeft het besef van de zojuist genoemde inhoudelijke differentiatie binnen de constructie geleid tot pogingen om voor de NoC een aantal subtypen op te stellen. Bos (1964) neemt twee typen aan, de ANS onderscheidt er zes. Welschen besteedt het hele eerste deel van zijn studie aan deze problematiek van de te onderscheiden semantische subtypen (p. 1-244). Hij komt daarbij tot een indeling in vier basistypen, elk weer met eigen subtypen. Het is hier niet mogelijk deze genuanceerde indeling in kort bestek samen te vatten en recht te doen. Globaal gezegd hebben de eerste drie basistypen betrekking op inhouden die zojuist aangeduid zijn met ‘generaliserend’ (vgl. mijn voorbeelden 1-3), ‘snelle opeenvolging’ (voorbeeld 4-6) en ‘modaliteit’ (voorbeeld 7-8). Bijzondere betekenis hecht de auteur aan zijn ontdekking van een vierde basistype, dat in het taalgebruik weinig voorkomt, maar dat in zijn onderzoek een cruciale schakel bleek te vormen en ook diachroon van groot belang lijkt te zijn geweest in het ontstaan van de NoC-constructie. Dit vierde type komt tot uiting in een voorbeeld als Hij is niet eerder tevreden of hij heeft er een boek over volgeschreven, waarin relatief late realisering van een beoogd doel aan de orde is. Het vierde type, dat zich relatief laat in het onderzoek aftekende, bleek de sluitsteen te zijn voor een typologie die daarmee een bijzonder elegante vorm kon aannemen, namelijk een vierkant dat door twee dimensies in vier vakken opgedeeld wordt. De ene dimensie is die van binair vs. scalair, de andere die van includerend vs. excluderend. Zo valt type I (geen mens of ...) in het binair-includerende vak, type II in het scalair-includerende vak, enzovoort. Dus niet omdat een indeling in vier een mooie middenweg is tussen de twee typen van Bos en de zes van de ANS, maar omdat de vierdeling een innerlijk consistent en bijna logisch noodzakelijk beeld oplevert, is de nieuwe typologie als een grote vooruitgang te begroeten, die toekomstige onderzoekers nog maar eens moeten zien te verbeteren.

Na het op de typologie gerichte eerste deel gaat Welschen in het tweede deel van zijn studie (p. 245-436) diepgaand in op bepaalde deelaspecten van de NoC-constructie, en het geheel wordt afgesloten met een appendix (p. 437-499), waarin een eerste aanzet wordt gegeven tot een diachrone reconstructie van het ontstaan van de NoC in het Nederlands.

De in de appendix gemaakte excursies naar het Latijn, Engels en Duits laten zien dat hier nog een interessant terrein voor diachroon-comparatief onderzoek ligt. Het valt op dat de constructie in het Latijn en Engels een beperkter semantisch bereik had, wat mede tot de ondergang ervan in het Engels kan hebben bijgedragen. Welschen gaat ook in op de mogelijke constellatie van grammaticale factoren waardoor het Duits geen soortgelijke constructie heeft ontwikkeld (p. 491-494).

Net als bij de bespreking van het eerste deel is het onmogelijk om alle kwesties die Welschen in het tweede deel van zijn studie aan de orde stelt, recht te doen. Ik kan slechts kort ingaan op enkele centrale aspecten. Allereerst de syntaxis. NoC’s zijn typisch dubbel negatief of dubbel positief converteerbaar (vgl. p. 279 voor het volgende voorbeeld):

(14a) Er is geen mens of hij moet sterven. (uitgangsconstructie)
(14b) Er is geen mens die niet moet sterven. (dubbel negatieve parafrase)
(14c) Voor ieder mens geld dat hij moet sterven. (dubbel positieve parafrase)

Welschen stelt nu voor om een NoC als in (14a) syntactisch te zien als een contractie van de twee conversietypen b en c, waarbij van de negatieve parafrase het eerste lid behouden blijft en van de positieve het tweede, en waarbij of fungeert als indicator van de overstap, halverwege, van de negatieve naar de positieve parafrase. De constructie is een soort opzettelijke contaminatie van de negatieve en de positieve parafrase. Deze ‘afleiding’ moeten we overigens niet opvatten als een generatieve afleiding. Welschen maakt niet expliciet duidelijk welke status hij er wel aan toekent, maar een cognitief-diachrone zou heel wel zinnig kunnen zijn.

In paragraaf 9.4 poogt de auteur een verklaring te geven voor een specifiek syntactisch aspect van de constructie, namelijk het rigide woordvolgorde-karakter in het tweede conjunct van de NoC (nooit bijzinsvolgorde, ook niet bij onderschikking van de hele constructie: *men kan zeggen dat er geen Nederlandstalige is of hij deze constructie kent; goed: of hij kent deze constructie). Die verklaring zou gelegen zijn in het feit dat we bij het tweede lid met een zgn. rechtsgedisloceerde constituent te maken zouden hebben. Op mij kwam deze generatief georiënteerde analyse van dit deelaspect van de constructie enigszins als een Fremdkörper over in het geheel van het boek, dat zich voor de rest verre houdt van de generatieve benadering.

Welschen laat zien dat de conversie-+contractie-operatie leidt tot een constructie die een pragmatische meerwaarde heeft tegenover de eenvoudig dubbel positieve formulering. De negatie in het eerste conjunct geeft een impliciet dialogisch karakter aan de constructie: de spreker keert zich met niet-p tegen de mogelijke gedachte dat p. Geen mens of ... roept de gedachte op aan de mogelijkheid dat er wel degelijk mensen zouden kunnen zijn die ..., nog niet binnen aan het al wel degelijk binnen zijn. Een deel van de expressieve meerwaarde van de constructie stoelt juist op dit dialogische aspect van het eerste conjunct. Het krachtig ingaan tegen een denkbare alternatieve mogelijkheid, die bovendien de normale of meer voor de hand liggende mogelijkheid vertegenwoordigt, levert een resultaat op waarin de specifieke situatie nadrukkelijk als opmerkelijk en uitzonderlijk voor het voetlicht gebracht wordt.

De notie contractie (contractie-door-conversie) zoals hierboven in verband met de syntaxis gebruikt, moet niet verward worden met de notie contractie zoals Welschen die in zijn semantische analyse van de constructie gebruikt. Hij spreekt hier van ‘polaire contractie’, en deze notie is zo centraal in de semantische analyse dat hij ook in de titel van het boek een plaats heeft gekregen. Welschen toont m.i. overtuigend aan dat polaire contractie de overkoepelende semantische operatie is die bij alle semantische typen van de NoC terugkeert. Polaire contractie kan dus als de constructie-betekenis van de NoC aangemerkt worden. Cognitief zijn er bij de NoC twee verzamelingen, gebeurtenissen of ‘zones’ in het geding die normalerwijze netjes verdeeld zijn, elkaar niet in de weg zitten. Middels de NoC wordt nu geïndiceerd dat de twee verzamelingen (individuen, gebeurtenissen, enz.) in het onderhavige geval tegen de verwachting in niet netjes verdeeld zijn, in elkaar overlopen (elkaar overlappen, in de verdrukking brengen, enz.). Het overgangspunt tussen de twee verzamelingen, gebeurtenissen, enz., ligt niet netjes in het midden, maar wordt naar de ene zone of pool opgeschoven, zodat er voor de zone die in de verdrukking komt, niet veel meer overblijft. Deze tendentiële samentrekking van het overgangspunt naar de ene pool wordt polaire contractie genoemd.

De ruimte ontbreekt hier om dit voorstel uit te werken voor elk van de vier NoC-types. Slechts een enkel voorbeeld: Ik was nog niet binnen of het begon te regenen. Normalerwijze is er een rustige overgang tussen de eerste gebeurtenis en de tweede. Maar het overgangspunt (in dit geval tussen ‘binnenkomen’ en ‘regenbegin’) wordt nu naar voren gehaald, zodat de twee gebeurtenissen als het ware gaan samenvallen. In dit voorbeeld wordt het overgangspunt zelfs over het beginpunt van de eerste gebeurtenis heengetrokken: het begon als het ware al te regenen voordat ik binnen was, waardoor het rustig binnenkomen als fase in de verdrukking komt.

Met de notie polaire contractie keert Welschen zich tegen de in de literatuur vaak naar voren gebrachte these dat de NoC in feite een conditionele relatie tot uitdrukking brengt. Dit laatste idee lag voor een op de logica georiënteerde taalkundige traditie voor de hand, in de logica geldt immers: ¬pvq ≡ p→q. Op het generaliserende eerste subtype van de NoC is de conditionele parafrase inderdaad heel natuurlijk toepasbaar (geen mens of ... = als iemand een mens is, dan ...), maar op de andere subtypen veel minder makkelijk of niet (probeer maar uit bij de voorbeelden (4-8) die ik aan het begin van deze bespreking gegeven heb). Het lijdt voor mij geen twijfel dat Welschens voorstel de natuurlijke taal recht doet waar de conditionaliteitshypothese daar maar zeer gedeeltelijk toe in staat is.

Ik maak de balans op. De balansschikking, of NoC, als deze nieuwe aanduiding ingang vindt, krijgt met de monografie van Welschen een nieuwe syntactische analyse, een nieuwe semantische unificatie en een nieuwe semantische subtypologie. Nieuw betekent hier telkens naar mijn oordeel tegelijk ook beter. Bovendien komt de pragmatische waarde (dialogisch, expressief) van de constructie voor het eerst duidelijk op de kaart te staan. Alles bij elkaar geen geringe prestatie.

De omvangrijke studie is doorspekt met vele excursies, o.a. over diachronie (zoals al aangeduid), over historiografie (Welschen gaat terug tot Bilderdijk) en over vreemde taaldidactiek (hij laat op p. 10 e.v. zien hoe in een leerboek Frans voor Nederlanders NoC-constructies soms gelukkig, soms minder gelukkig in het Frans weergegeven worden). Hij zet de NoC af tegen constructies die zich ook van of bedienen, zoals de EoC, de exceptieve of-constructie, als in Ik ga vanmiddag wandelen, of het moet regenen, een constructie die Den Hertog nog op één hoop gooide met de NoC. De vele excursies maken het boek tot een rijk boek, maar ook tot een boek waarin men de hoofdlijn wel eens uit het oog kan verliezen. De vele schematische overzichten van de hoofdpunten bieden door het boek heen telkens wel compensatie voor de uitweidingen, maar een index zou de toegankelijkheid van het boek, zeker ook bij latere raadpleging, sterk vergroot hebben.

Welschen heeft met zijn studie laten zien dat een cognitief-constructionele benadering van dit bijzondere Nederlandse zinsbouwpatroon tot een verdiept inzicht ervan kan leiden. Het is fascinerend om te zien hoe onze taal zo’n abstracte cognitieve notie als polaire contractie heeft weten toe te passen op een grote variatie aan inhouden (de vier typen en hun subtypen), en hoe ze daarvoor een syntactische uitdrukkingsvorm gevonden heeft, de NoC-constructie, waarvan de vorm niet noodzakelijk voortvloeit uit de notionele inhoud, maar die toch wel een heel ingenieuze vormgeving blijkt te zijn, met zelfs iconische waarde. De duale structuur weerspiegelt de duale inhoud, met of als balanspunt, waarbij inhoudelijk echter een uit balans hangende, naar de ene pool overhellende, verhouding begrepen moet worden.

Welschens boek is geen gemakkelijk boek, menigeen zal ook moeten wennen aan zijn heel eigen stijl van formuleren, maar wie zich laat meevoeren in de wondere wereld van de NoC, zal zich tot het einde van het boek blijven verbazen, en beseffen dat als het Nederlands (Fries, Afrikaans) ooit verloren mocht gaan, daarmee ook een unieke gegrammaticaliseerde conceptualisering van gebeurtenissen zou verdwijnen.

De NoC is, zoals gezegd, een typisch neerlandistisch onderwerp (tekenend is dat er geen vaste grammaticale term voor is in het Engels of een andere taal). Met het boek van Welschen krijgt de constructie voor het eerst een eigen, en meteen kloeke, monografie. De inzichten die deze studie heeft opgeleverd lijken mij echter het bereik van de constructie en van het Nederlands te boven te gaan. Ze zijn van waarde voor de algemene linguïstische theorievorming en het is dan ook te wensen dat de auteur zijn bevindingen nog eens in een Engelstalig artikel samenvat.

 

Literatuur

ANS 1984 -- G. Geerts e.a. (red.): Algemeen Nederlandse Spraakkunst. Groningen/Leuven, 1984.

ANS 1997 -- W. Haeseryn e.a. (red.): Algemene Nederlandse Spraakkunst. Groningen/Deurne, 1997.

Bos 1964 -- G.F. Bos: Het probleem van de samengestelde zin. Den Haag, 1964.

Den Hertog 1904/1973 -- C.H. den Hertog: Nederlandsche spraakkunst. Amsterdam, 1904/1973.

Terwey 1892 -- T. Terwey: ‘Oover de zoogenaamde bijzinnen met of, die met een’ ontkennenden hoofdzin in verband staan’. In: Taal en Letteren 2 (1892), p. 76-91.

Verwer 1996 -- A. Verwer: Schets van de Nederlandse taal. Grammatica, poëtica en retorica. Amsterdam,1996.

Van Zonneveld & Bastiaanse 1997 -- R. van Zonneveld en R. Bastiaanse: ‘Nevenschikking zonder nevenschikker: "Heden ik, morgen gij"’. In: Tabu 27 (1997), p. 113-123.


| MNL Homepage | TNTL |