TNTL 117/1
Anna de Haas
Juliana Cornelia de Lannoy (1738-1782) ambitieus, vrijmoedig en gevat / Wilhelmina Rosalie Dina van Oostrum. - Hilversum : Verloren, 1999. - 375 p. : ill. ; 24 cm. Proefschrift Universiteit Utrecht.
ISBN 90-6550-057-X Prijs: f 41,87
Met haar proefschift over werk en leven van Juliana Cornelia de Lannoy heeft W.R.D. van Oostrum een interessante en bovendien zeer leesbare bijdrage geleverd aan de ‘ontsluiting’ van de achttiende-eeuwse literatuur in het algemeen en van De Lannoys dichtwerk in het bijzonder. Het boek bestaat uit drie hoofdstukken: I. ‘Literaire conventie als wapen in de seksestrijd’, II. ‘Recht op weerwoord: tragedie in spiegelschrift’, en III. ‘Biografie in wording’. Deze worden gevolgd door een klein hoofdstuk IV: de ‘Conclusie’, waarna de noten, enkele bijlagen en een register het boek afsluiten.
Hoofdstuk I is gewijd aan de poëzie van De Lannoy, met name aan het gedicht waarmee zij in 1766 debuteerde: Aan myn geest. In hoofdstuk II wordt De Lannoys ultieme claim to fame onder de loep genomen, haar drie treurspelen: Leo de Groote (1767), De belegering van Haerlem (1770) en Cleopatra, koningin van Syriën (1776). In hoofdstuk III, het biografische deel, worden de contouren van het leven van de dichteres geschetst.
In haar ‘Conclusie’ verklaart Van Oostrum (p. 220) dat zij de ‘biografische notities’ juist aan het eind gezet heeft om te vermijden dat de lezer zou denken dat het om een biografie zou gaan. Dat is, denk ik, een onderschatting van de lezer, maar toch vooral jammer. Wanneer we in hoofdstuk I meteen in haar schrijversleven en ‘de seksestrijd’ belanden, dan is het toch prettig enig idee te hebben van wat voor persoon -- hoe schetsmatig ook geschilderd -- deze Juliana Cornelia de Lannoy nu eigenlijk was. Dit bezwaar is echter overkomelijk: de lezer kan, net als ondergetekende, met hoofdstuk III beginnen.
Dat haar persoonlijke leven ons slechts in grote lijnen bekend is, is wellicht niet helemaal toevallig. Uit hoofdstukken I en II blijkt zonneklaar, dat De Lannoy zelf haar literaire werk als haar leven, misschien bijna haar raison d’être beschouwde (vgl. p. 173, 217). De stilte van Geertruidenberg, waar zij vanaf haar twintigste tot haar dood woonde, is voor haar enerzijds een stimulans om te dichten, anderzijds wel eens benauwend. De Lannoy lijkt vooral een ambitieuze, intelligente en capabele vrouw, die in een soms wel erg stil oord terecht is gekomen. Iemand die te veel in haar mars heeft om genoegen te nemen met huishouden, burenbezoek en dorpsrust.
Waarom en onder welke omstandigheden precies De Lannoy besloten heeft dichteres te worden, is onbekend, maar dát ze dat besluit welbewust genomen heeft blijkt overduidelijk uit haar debuut, Aan myn geest. Deze ‘dichtbrief met satirische elementen’, zoals Van Oostrum het gedicht karakteriseert (p. 39), is in feite de intentieverklaring waarmee De Lannoy zich met veel aplomb als nieuweling op de weg naar de top van de Nederlandse Parnas posteert. Het is niet zozeer een sleutel tot haar werk, alswel tot De Lannoy als dichteres. Het gedicht is een gesprek tussen een ‘Ik’ -- De Lannoy als maatschappelijk personage en tegelijk als spreekbuis van de maatschappij c.q. de conventie -- en haar ‘Geest’ -- De Lannoy als stem van verzet en dichteres in spe. Heersende vooroordelen (m) tegen de literaire en wetenschappelijke capaciteiten van vrouwen verklaart zij tot precies dát: vooroordelen, barrières die zij zich voorneemt te slechten of, juister misschien, te negeren. Waarom zou de toegang tot de Parnas aan mannen voorbehouden zijn?
Hier had Van Oostrum misschien meer oog moeten hebben voor de dubbelzinnigheid van het motto waarmee De Lannoy het ‘Aan den Lezer’ bij Aan myn geest ondertekent: l’agrément est l’ombre de la sagesse, door Van Oostrum vertaald als ‘het aangename is gevolg van wijsheid’ (p. 36). Bij iemand als De Lannoy, die haar woorden zorgvuldig weegt, moet men op alles bedacht zijn, temeer als zij ‘de Lezer’ vraagt om zijn/haar goedkeuring (p. 37): ‘instemming’ is één van de betekenissen van agrément, terwijl sagesse ook ‘behoedzaamheid, oppassendheid’ kan betekenen. Het motto kan op de schrijfster zelf slaan, maar ook opgevat worden als hint aan de lezer. Interpretatiemogelijkheden te over, zoals De Lannoy ongetwijfeld wist.
Ook in een aantal andere gedichten neemt De Lannoy het mannenbastion van de Nederlandse Parnas onder vuur. Zij doet dit zowel direct, als indirect door op geraffineerde wijze genres te gebruiken die vooral als ‘mannelijk’ werden beschouwd: het lyrische gedicht en het sonnet du coude (verrassingssonnet). Het is op deze tactiek dat de titel van hoofdstuk I slaat.
Het -- overtuigende -- beeld dat uit deel I oprijst, is dat van een vrouw die vooroordelen laat voor wat ze zijn en vast van plan is van dichten haar leven te maken. En het lijkt niet zo erg, dat er over haar persoonlijk wel en wee weinig bekend is, want we leren haar kennen zoals ze, denk ik, gekend wilde zijn: als dichteres, als vrouw die het persoonlijke ondergeschikt maakte aan haar literaire ambities. Dat wordt nog eens benadrukt door haar testament, waarin zij bepaalde dat al haar onvoltooide dichtwerk na haar dood vernietigd moest worden.
Al vanaf het prille begin was het De Lannoys bedoeling zich als treurspeldichteres te profileren. Dat was in drie opzichten een ambitieuze keuze. De gebruikelijke thema’s van het treurspel betreffen kwesties die al sinds mensenheugenis vooral mannen aangaan: volk, vrijheid, tirannie, macht, vrede en oorlog. De meeste belangrijke treurspelpersonages zijn dan ook mannen. Het was tegelijk een genre dat voornamelijk door mannen beoefend werd én, bovenal, het hoogst aangeschreven in de literaire hiërarchie. Dat laat zien hoe hoog De Lannoy haar ambities stelde: te schitteren in het genre der genres. Wie een goed treurspel schreef, kreeg een plaats op de top van de Parnas. Het is haar gelukt, in ieder geval met Leo de Groote en De belegering van Haerlem, haar eerste twee treurspelen. Met nummer drie, Cleopatra, liep het minder goed af.
Van elk van deze treurspelen bespreekt Van Oostrum in hoofdstuk II het onderwerp (historisch en als bewerkt door De Lannoy) en geeft zij de inhoud per bedrijf, een ‘interactietabel’ voor de hoofdpersonages, een bespreking van de belangrijkste personages en een analyse van de hoofdrollen (v/m).
De Lannoys eersteling, Leo de Groote, is nog een conventioneel treurspel. Dat wil zeggen, het ligt geheel in de traditie die sinds eind zeventiende eeuw vorm en inhoud van het treurspel bepaalde. De plot is een klassieke hofintrige, van het soort waar men weinige jaren na De Lannoys treurspeldebuut de spot mee begon te drijven. De verdeling van goed en kwaad over de personages lijkt niet anders dan in treurspelen van haar voorgang(st)ers. Het feit dat De Lannoy haar vrouwelijke hoofdpersoon, Leontia, een actieve rol toebedeelde in het handelingsverloop c.q. de ontknoping is op zich niet bijzonder. In principe werd van alle hoofdpersonages in een toneelstuk verlangd dat zij actief bijdroegen tot de ontknoping: dat was één van de wetten van het treurspel. Vanuit dat perspectief gezien, kan dan gezegd worden dat De Lannoy de bijdrage van haar (vrouwelijke) personages aan handeling en ontknoping beter ‘regelde’ dan menig collega-treurspeldichter.
Het is haar tweede treurspel, De belegering van Haerlem, dat in hoge mate intrigerend en complex blijkt. Hier greep De Lannoy haar kans door een vrouw, Kenau Hasselaer, een echte hoofdrol te geven, in plaats van de voor veel ‘treurspelvrouwen’ gebruikelijke tweederangs hoofdrol. Ook blijkt zij een goed oog gehad te hebben voor de bijzondere mogelijkheden van een treurspel zonder een poëtisch gerechtigde afloop (de Haarlemmers worden voor hun moed immers niet beloond, integendeel): die van een genuanceerder karaktertekening dan gebruikelijk en de mogelijkheid om goed en kwaad, deugd en ondeugd minder zwart/wit af te schilderen dan gebruikelijk.
De belegering van Haerlem speelt zich grotendeels af vlak vóór de overgave van de stad en draait om de keuze tussen overgave of doorvechten. De gepresenteerde opties zijn: een uitbraak door de soldaten alleen, een uitbraak door soldaten met vrouwen, kinderen en ouden van dagen, of overgave. Hierdoorheen spelen overwegingen dat het eervoller is in de strijd te sterven dan zich over te geven danwel dat doorvechten zinloos is en nodeloos nog meer doden zal vergen. Ook de traditionele treurspelkeuze tussen persoonlijk belang en algemeen belang komt aan de orde: zijn eer en vrijheid c.q. verzet tegen tirannie belangrijker dan het leven van je naasten? In al deze overwegingen speelt ook een voor de participanten niet te beantwoorden vraag een rol: wat zullen de Spanjaarden doen als ze Haarlem binnentrekken: moorden en plunderen of lankmoedigheid en menselijkheid betonen? En in het verlengde daarvan: mag je burgers opofferen aan een hoger ideaal, waarvan allerminst vaststaat dat het daadwerkelijk bereikt zal worden?
De Lannoy laat zien dat voor elk van deze overwegingen iets te zeggen valt, of ten minste dat elk op zich begrijpelijk kan zijn. Een coulantie die in die tijd nog uitzonderlijk is op het toneel. Veelzeggend is, dat zij Kenau Hasselaer een rol toebedeelt, die in het treurspel doorgaans voorbehouden is aan mannen: die van het personage dat tot het laatste volhoudt dat vrijheid, vaderland en eer boven het eigen, persoonlijke belang gaan.
Met haar derde treurspel, Cleopatra, koningin van Syriën, lijkt De Lannoy weer tot traditioneler patronen terug te keren, met een ondubbelzinnig slecht, want machtsbelust personage (de usurpator Demetrius) en een aan de ambities van de mannenwereld ondergeschikte vrouw (Cleopatra). De keus waar Cleopatra (overigens een ander dan de Cleopatra) zich voor gesteld ziet, is tussen eer en natuur, tussen huwelijkstrouw en moederliefde, tussen sterven om de schande van een huwelijk met Demetrius, de moordenaar van haar man, te ontlopen, en trouwen met Demetrius om het leven van haar zoon te redden. Heel anders dan in De belegering van Haerlem blijft zo dit drama, althans waar het Cleopatra betreft, als het ware binnenskamers, en famille. Is Kenau een vrouw die zich bekommert om het lot van Haarlems burgers, eventueel ten koste van haar eigen dochter, Cleopatra bekommert zich om haar eigen eer en het leven van haar zoon. Zo uitdagend en breed als De belegering is, zo ‘gewoon’ en beperkt is Cleopatra. Ook de hedendaagse lezer, die waarschijnlijk al weinig op heeft met achttiende-eeuwse treurspelen, kan zich voorstellen waarom De belegering wel en Cleopatra geen succes had.
Houden we ons bij de ‘vrouweninvalshoek’ als kader voor de interpretatie van de vrouwenrollen in De Lannoys treurspelen, dan werkt dat bij De belegering van Haerlem beslist overtuigend: hier heeft De Lannoy in Kenau Hasselaer een vrouw neergezet, die bijna letterlijk strijdt voor haar recht te mogen meebeslissen over het lot van de stad en haar bevolking. En waar men met enige welwillendheid in Leo de Groote een vrouw aan het werk kan zien (zowel aan als in het stuk), is dat in Cleopatra allerminst direct duidelijk. Van Oostrums interpretatie van deze laatste rol berust mijns inziens toch iets te veel op het ‘er staat niet wat er staat’-principe. De Lannoys presentatie van Cleopatra als speelbal van de mannen om haar heen, zou volgens Van Oostrum bedoeld zijn als ‘bevestiging van en een klacht tegen de voor vrouwen heersende sociale conventie’, een portret dat ‘van de door mannen beheerste kritiek een nieuw type empathie’ zou vragen (p. 153). Kijk en luister, heren, zo vergaat het een deugdzame vrouw in de manipulatieve mannenwereld, zou de impliciete boodschap van De Lannoy zijn. Of de betrokken heren de vereiste ‘moed zichzelf in de spiegel te willen zien’ (p. 153) inderdaad niet hebben opgebracht en het stuk daarom doodzwegen, is niet bekend, maar wordt door Van Oostrum als mogelijk beschouwd. Het zou echter ook kunnen, dat de kritiek de rol van Cleopatra zag als een die al door zoveel vrouwen in zoveel treurspelen vervuld was en daarom teleurstellend: zij voldeed niet aan de hoge verwachtingen die men van De Lannoy had. Men kan zich dan uit beleefdheid stil gehouden hebben. ‘De’ kritiek was in de achttiende eeuw geen veelkoppig monster, maar een nog door weinigen en in kleine kring beoefend vak. En op de Parnas, waar De Lannoy inmiddels wel gearriveerd was, viel men elkaar liever niet af.
Gezien De Lannoys intentieverklaring in Aan myn geest is het zeker legitiem de vraag te stellen wat zij als vrouwelijke schrijver beoogde met haar werk en wat haar plaats is in de (vrouwen)geschiedenis danwel in de seksestrijd. In deel I maakt Van Oostrum op overtuigende wijze duidelijk dat De Lannoy zich expliciet als vrouw een plaats wilde verwerven in de literaire mannenwereld. Dat de wereld van het geschreven woord door mannen overheerst werd, is niet anders dan een historisch feit, en dat entree tot die wereld voor een vrouw niet zomaar voor de hand lag eveneens. Dat De Lannoy op bijna militante wijze zich toegang tot die wereld verschafte en zich, eenmaal daar, kwalitatief makkelijk kon meten met de heren -- Van Oostrum laat er, terecht, geen twijfel over bestaan.
Het is echter de vraag of De Lannoy met dat optreden zich ook daadwerkelijk inliet met de seksestrijd, zoals Van Oostrum meent. Het beeld dat oprijst uit deel I is toch meer van een dichteres die opkomt voor zichzelf en haar eigen talenten. Dat zij, bij implicatie, op zou komen voor (de literaire rechten van) de vrouwen, is mogelijk, maar blijft mijns inziens onbewezen, al stelt zij zichzelf een heel enkele keer heel in het algemeen ten voorbeeld. Zoals ook Van Oostrum op grond van het beschikbare materiaal moet constateren (o.a. p. 198), had De Lannoy slechts zeer incidenteel contact met vrouwen, literair of anderszins (van haar ruim 45 gelegenheidsgedichten zijn slechts vier bestemd voor, overigens niet-schrijvende, vrouwen, en geen van haar werken is opgedragen aan een vrouw). Zij had dichtende en soms even militante voorgangsters, maar nooit verwijst zij naar hen en nergens blijkt dat ze zichzelf zag als een schakel in de historisch lange keten van vrouwelijke dichters. Dichtende tijdgenotes had zij ook, zelfs een treurspelschrijvende (leef)tijdgenote, Lucretia Wilhelmina van Merken, maar ook in dit geval is er niets waaruit blijkt dat zij contact met elkaar hadden of zelfs maar wat zij van elkaar vonden (ter vergelijking: andere schrijvende vrouwen voelden zich wel degelijk als zodanig met elkaar verbonden, zoals blijkt uit bijvoorbeeld Van Oostrums noot 8 op p. 223). Het kan natuurlijk heel goed dat de blijken van zulke contacten verloren zijn gegaan, maar dan is het wel opvallend dat er van De Lannoys contacten met mannen (Bilderdijk, Feith) wél bewijzen zijn overgeleverd. Een plaats voor De Lannoy in de seksestrijd is mijns inziens dan ook niet zo vanzelfsprekend. Zij voerde toch vooral een strijd voor haar eigen talenten en zij heeft die strijd op eigen kracht gewonnen.
De treurspelen van De Lannoy kunnen in deze context een dubbelfunctie vervullen: niet alleen betreedt zij daarmee mannenterrein en probeert zij mannen te evenaren, misschien zelfs te overtreffen in een uitgesproken ‘mannelijk’ genre, maar het genre op zich biedt haar ook de mogelijkheid vrouwen een prominentere rol in zaken van algemeen belang te geven dan daarin gebruikelijk was. Dat zou in overeenstemming zijn met haar overtuiging dat in de werkelijkheid vrouwen in militaire, politieke en juridische zaken wel degelijk een rol kunnen spelen (p. 19). Maar hoe je het ook draait of keert, ze lijkt die opvatting alleen in De belegering van Haerlem met kracht en verve te hebben uitgedragen. Ik heb toch vooral de indruk gekregen dat De Lannoy, wat het treurspel betreft, zich eerder richtte op het genre als (ook voor een vrouw) te bereiken top dan op het genre als vehikel voor de seksestrijd.
De concentratie in deel II op de ‘vrouwenkant’ van haar treurspelen beneemt ook jammer genoeg het zicht op De Lannoys plaats in de ontwikkeling van dat genre. Zij schreef tenslotte in een tijd van literaire veranderingen en het was interessant geweest haar plaats daarin erbij te betrekken, vooral omdat Van Oostrum zelf enige vingerwijzingen geeft. De Lannoy was, zoals Van Oostrum terecht memoreert (p. 108), de eerste die zich openlijk afvroeg of de in een treurspel traditioneel vereiste poëtische gerechtigheid wel zo noodzakelijk was, maar hoe zat het met haar ‘sensibele mannen’, de heren onder haar treurspelpersonages die in tranen uitbarsten? Dát was beslist anders dan in voorgaande decennia. Een onverzoenlijke Spanjaard als Toledo (in De belegering van Haerlem), iemand die niet kijkt op een dode meer of minder, zou zich tot mededogen laten vermurwen door Kenau Hasselaer, die hem dwingt het leed van haar dochter Amelia bij het lijk van haar echtgenoot Ripperda te aanschouwen? Het klinkt onwaarschijnlijk en dat is het misschien ook (een achttiende-eeuwse criticus had De Lannoy makkelijk kunnen verwijten, dat Toledo niet, als vereist, ‘in zijn karakter’ blijft), maar De Lannoy laat het gebeuren en dát ze het laat gebeuren is interessant. En passant blijkt uit Van Oostrums beschrijvingen en samenvattingen ook dat de treurspelen passen in een al eerder door mij gesignaleerde trend naar een steeds grotere nadruk op medelijden als zeer positief te waarderen ‘hartstocht’, zowel bij het publiek als bij toneelpersonages. En zo zullen er wel meer aspecten van De Lannoys toneel zijn die het eigentijdser, misschien zelfs vernieuwender maken dan op het eerste gezicht lijkt.
Er kleeft nog een ander nadeel aan de ‘vrouweninvalshoek’. Hoezeer het ook waar is dat vrouwen er lang over gedaan hebben zich een plaats van enige omvang en status op de Parnas te veroveren, hoezeer het ook waar is dat de mannelijke tijdgenoten van De Lannoy zich lang niet altijd fatsoenlijk gedroegen jegens vrouwen als zij, het is toch wat onbevredigend om elke, eigenlijk vrijwel per definitie mannelijke, reactie op De Lannoys oeuvre in termen van sekse te duiden. Van Oostrum hanteert die maatstaf niet alleen voor de positieve en negatieve kritiek, maar zelfs voor het zwijgen van de kritiek (in het geval van Cleopatra). Onvermijdelijk wordt zo elk oordeel suspect. Moeten we Bilderdijks mening, dat met de dood van De Lannoy alles wat, in dichterlijk opzicht, ‘onze rivaliteit waardig was’ verdween, interpreteren als het oordeel van een man die haar als concurrente zag (aldus Van Oostrum, p. 25), of misschien toch als uiting van oprechte waardering voor een collega? In het laatste geval zou het namelijk zo ongeveer de hoogst mogelijke lof zijn geweest die De Lannoy ten deel had kunnen vallen.
De ‘literaire meetlat’ mag mannelijk van maat geweest zijn (p. 131), het was wel de enig beschikbare. Dat ook De Lannoy die meetlat hanteerde, hoeft dus niet te verwonderen. Corneille, Racine, Crébillon en Voltaire waren haar voorbeelden en vertegenwoordigden tevens het niveau dat zij ambieerde, een ambitie die zij met vele, zo niet de meeste van haar mannelijke collegae deelde. De ‘mannelijkheid’ van de kritiek ligt dus niet zozeer in de meetlat zelf (maar wie weet wat nader onderzoek zal uitwijzen), maar in het feit dat hij vrijwel uitsluitend door en voor mannen gehanteerd wordt. De Lannoy zocht een plaats in en daarmee de erkenning van deze door mannen beheerste literaire wereld. Beide heeft zij gekregen en niet de minsten onder de heren in dat bolwerk getuigden van hun waardering en zelfs bewondering voor haar werk. Men kan wel zeggen dat De Lannoy mede uitdrukkelijk als dichteres gewaardeerd werd (of juist niet) en daaraan de vrijwel exclusieve mannelijkheid van het kritische wereldje meten, maar men kan óók stellen dat het feit dat zij een vrouw was de waardering en bewondering van velen in datzelfde wereldje niet in de weg gestaan heeft.
Maar laat er geen misverstand over bestaan: de ‘vrouweninvalshoek’ is niet slechts beperkend. Van Oostrums Juliana Cornelia de Lannoy zit vol feiten en observaties, die hier helaas onbesproken moeten blijven, maar die, de een meer, de ander minder, laten zien wat zo’n specifieke benadering al of niet op kan leveren. Met name de analyse van De belegering van Haerlem bewijst ondubbelzinnig, dat zij niet te versmaden vruchten kan afwerpen. De verrassende complexiteit en veelzijdigheid van dit treurspel komen juist zo bezien geheel tot hun recht. Ook het inzicht in de geraffineerde wijze waarop De Lannoy van andere genres gebruik maakte en deze van allerlei subtiele dubbele bodems voorzag, is het resultaat van juist deze benadering. Het licht dat Van Oostrum aldus op De Lannoy en haar dichtkunst laat schijnen, is niet alleen verhelderend, maar brengt ook een nog altijd als saai beschouwde periode van onze literatuur- en toneelgeschiedenis tot leven.
| MNL Homepage | TNTL |