TNTL 117/1
Ton van Strien
G. A. Bredero's Moortje en Spaanschen Brabander / bezorgd door E.K. Grootes. - Amsterdam : Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1999. - 421 p. : ill. ; 25 cm. - (Delta)
ISBN 90-253-0296-3 geb. Prijs: f 49,95
Bredero blijft boeien. Met zo’n vijf uitgaven van Moortje de afgelopen eeuw en tegen de tien van de Spaanschen Brabander doet hij het niet slecht voor een Nederlandse toneelschrijver, levend of dood; Moortje is bovendien een paar jaar geleden nog opgevoerd en de Brabander zal binnenkort ook wel weer eens aan de beurt komen. Het zijn en blijven briljante stukken waar je, zoals in de geschiedenis gebleken is, op het toneel alle kanten mee op kunt. En nu kunnen theatermakers (vinden neerlandici wel eens) verbazingwekkend veel kanten op met ongeacht welke stukken, maar in dit geval moeten ze vooral hun gang blijven gaan.
De nieuwe editie van Moortje en de Brabander in de serie Delta is -- het hoeft nauwelijks gezegd -- fraai om te zien, en (uiteraard ‘zwaar leunend’ zoals de editeur zegt, op het werk van de voorgangers) voortreffelijk geannoteerd, ook zonder discussies van het type ‘wat is precies "haasje-koddette-fluyta (sluyta)"’ (p. 416) waarvoor de liefhebbers (ik ben er één van) nog altijd in de oudere uitgaven terecht kunnen, met Stutterheims editie van de Spaanschen Brabander in de Werken als onbetwist hoogtepunt. Ook het Nawoord, met informatie over achtergrond en inhoud van de twee stukken, is naar verhouding beknopt, maar toereikend. Aan de orde komen de plaats van Moortje en de Brabander in de ontwikkeling van het komisch toneel in de vroege zeventiende eeuw, de verhouding tot de bronnen, de strekking, maar ook minder veelbesproken aspecten als de contemporaine enscenering van de stukken. Een paar illustraties waren daar niet misplaatst geweest (misschien wil de redactie in voorkomende gevallen in de toekomst ook eens een tekenaar aan het werk zetten), maar het is welkome informatie. Wie dit Nawoord gelezen heeft, is op de hoogte; de teksten bevatten bovendien volgens Grootes een groot aantal correcties ten opzichte van die in de Werken. Kortom, een betrouwbare tekst met een ‘niet al te zwaarwichtige wetenschappelijke commentaar’, zoals ongeveer staat in de algemene verantwoording van de Deltareeks (p. 422) -- waarbij ik de associatie van ‘wetenschappelijk’ met ‘zwaarwichtig’ dan maar even laat passeren.
Toch is het boek, juist voor een Deltadeel, mijns inziens niet echt geslaagd. Voor het ‘algemene publiek met literaire belangstelling’ waar de serie zich volgens de flaptekst op richt, zijn Moortje en de Brabander -- ook met de beste annotatie -- nog altijd buitensporig moeilijke teksten om te lezen, en ik vraag me af of editeur en redactie dat wel in voldoende mate hebben beseft. Het nawoord lijkt er in elk geval nauwelijks op gericht te zijn om juist zulke lezers tegemoet te komen. Zo klinkt het direct al aan het begin: ‘Ik vat de intriges hier niet samen; de lezer die de stukken nog niet kent, zal gebaat zijn bij het doornemen van de door Bredero zelf gegeven korte inhoud en de lijst van personages [...]’ (p. 378). Dat kan natuurlijk. Maar of het verstandig is om de lezer direct naar zo’n massief blok zeventiende-eeuws proza te verwijzen, met zijn complex van neven- en ondergeschikte bijzinnen en participiumconstructies? Nu wordt de soep niet zo koud gegeten als ze wordt opgediend, want wie het nawoord leest krijgt heus wel het nodige te weten over de inhoud van de stukken. Maar dat gebeurt (de paragraaftitels geven het ook aan) aan de hand van verschillende ‘aspecten’ van de stukken, waarbij het perspectief dus telkens verspringt. Het valt mij sterk op in de behandeling van Moortje: ‘De inhoud van het eerste bedrijf kan in één zin worden samengevat [...]’ (p. 392); ‘Een opmerkelijk element in het begin van het tweede bedrijf is Koenraats terugblik op Ritsarts gedrag [...]’ (ibid.); ‘De volgende scène opent met een monoloog van Katryntje [...]. Deze komt bij Terentius niet voor’ (p. 393). ‘Het derde bedrijf brengt Roemert -- hij vertegenwoordigt het klassieke type van de miles gloriosus’ (p. 394). ‘De derde en vierde scene hebben een met elkaar overeenkomende structuur.’
Ik begrijp dat dit niet per ongeluk is gebeurd, maar het resultaat is ongelukkig. En het wordt er voor de niet-ingevoerde lezer niet beter op doordat vaak niet de inhoud van de stukken, maar de vakdiscussie centraal staat. Dat kan zelfs wel eens verwarrend werken. De Spaansche Brabander ‘zou het antwoord zijn op Hoofts Warenar’, staat op p. 381 -- maar bedoeld is, blijkens het vervolg, dat dat door sommigen ten onrechte is beweerd. ‘Er is op gewezen dat Bredero "het zo subtiele verschil tussen comedie- en kluchttoon" niet altijd weet te handhaven’ (p. 386). Bedoeld is opnieuw dat dat (door Rens) ten onrechte is gezegd, vanuit een anachronistische genreperceptie. Hoe dan ook krijgt het betoog door deze benadering vanuit het vak een wat zwalkende koers: veel aandacht voor fouten en anachronistische visies uit het verleden, veel Stutterheim, veel Van Stipriaan, maar veel minder Grootes die nu eens duidelijk en voor mijn part eenzijdig een visie op de stukken geeft. ‘Of [de Brabander] eigenlijk wel een blijspel genoemd kan worden, is in de twintigste eeuw [...] door verscheidene critici betwijfeld’ (p. 384). ‘Dit verschijnsel [sc. de spanning tussen met de mond beleden deugd en liederlijk gedrag] is op verschillende manieren benaderd’ (p. 397). ‘Het lijkt wat te zwaarwichtig om in de pesterige uitnodiging aan de kreupele doodgraver [...] de introductie van een doodsmotief te zien’ (p. 402). Stutterheim ‘is er wel van overtuigd dat er maar twee jongens in het spel voorkomen, en dat hun oorspronkelijke namen Joosje en Kontant zijn’ (p. 403).
Ik had dus, met alle waardering voor het gebodene, graag wat meer ‘interpretatie’ gezien, in de zin van ‘tot leven brengen’ die dat woord in de muziek heeft. Een geschreven toneeltekst is een partituur (de vergelijking zal wel vaker gemaakt zijn), en in dit geval een verdraaid lastige partituur, die we het best eerst maar eens in zijn geheel met de lezer kunnen doornemen voordat we de problemen aan de orde stellen. Wat is de intrige? Hoe is het tijdsverloop? Wie treden er van scène tot scène op en hoe valt hun gedrag te karakteriseren? Dat er op sommige vragen geen eenduidig antwoord te geven is, vormt dan vanzelf het uitgangspunt voor de -- nimmer eindigende -- discussie. Het blijft toch wonderlijk dat alleen al de persoonsaanduidingen in de oude drukken zulke problemen kunnen geven (p. 403), en dat hoort de lezer te weten. Het is zeker ook nodig te vertellen wat de bronnen waard zijn (p. 411-415). Maar ga er dan niet vanuit dat termen als ‘drukvorm’, ‘katern’, ‘blinddruk’ etc. zonder toelichting gebruikt kunnen worden (p. 412-413). Ook had ik liever een paar foto’s gezien van de besproken ‘correcties-op-de-pers’ (wat tegelijk een indruk zou geven van het uiterlijk van de bronnen), dan de obligate kopieën van de titelpagina’s op p. 6 en 206, die zonder toelichting toch niet meer zijn dan ‘plaatjes’.
Bredero lezen: leuker hoeven we het niet te maken, wel makkelijker. Het had ook al een stuk geholpen als de lezer in de presentatie van de tekst wat meer tegemoet was gekomen. Moeten niet-filologisch gevormde lezers de Spaanse Brabander en Moortje wel in de originele spelling lezen? De kwestie ‘moderniseren of niet’ is onlangs aan de orde gesteld door M.A. Schenkeveld-van der Dussen in Nederlandse letterkunde (jaargang 4, 1999, p. 385-390); en hoewel ik me als mede-auteur van een van de delen van Delta aan de opzet van de reeks geconformeerd heb, begin ik me toch af te vragen of het niet beter anders kan. Edities waarin alle letters en leestekens kloppen moeten er natuurlijk zijn, maar daar hebben we de Monumenta voor, aere perennius. Een klassiekenreeks, gericht op een breed publiek, hoeft niet langer mee te gaan dan een jaar of vijfentwintig, en dan moet het weer opnieuw, volgens de eisen van díe tijd. En op dit moment ken ik maar weinig lezers die zich met plezier een weg puzzelen door het ‘eerste uytkomen van het eerste bedrijf’, behalve zij die al weten wat een ‘uytkomen’ ís, en ook onmiddellijk begrijpen dat myn (zoals in r. 2) vaak mij betekent, enzovoort. Het is onmogelijk dat allemaal te annoteren, maar juist daarom zou een gemoderniseerde tekst zo’n opluchting betekenen -- zeker als men nog een stapje verder zou gaan dan alleen maar uytkomen weergeven als ‘uitkomen’ en myn als ‘mijn’. Delta zou er niet minder wetenschappelijk, en nóg minder zwaarwichtig op worden als de redactie eens een experiment in die richting zou willen wagen. Laten we beginnen met (een selectie uit) de Neederlandsche Histoorien (Nederlandse Historiën, verder zou ik ook niet willen gaan) van Hooft. Of de Emblemata amatoria (1611), en dan het hele boek. Aan Hofwijck (het blijft wel met een c) wordt al gewerkt.
| MNL Homepage | TNTL |