TNTL 117/2
Maaike Beliën
Samengevoegde woorden : voor Wim Klooster bij zijn afscheid als hoogleraar / onder red. van Hans den Besten, Els Elffers, Jan Luif. - Amsterdam : Leerstoelgroep Nederlandse Taalkunde, Universiteit van Amsterdam, 2000. - XI, 289 p. : ill. ; 22 cm
ISBN 90-805195-5-3 Prijs: f 35,--
Ter gelegenheid van het einde van Wim Kloosters loopbaan aan de Universiteit van Amsterdam is een zeer gevarieerde feestbundel verschenen, zowel qua besproken taalverschijnselen, als gekozen benaderingen. Deze veelzijdigheid reflecteert Kloosters professionele interesse, die volgens de redactie in het voorwoord gekenmerkt wordt door de volgende vier aspecten: generatieve syntaxis, de beschrijving van het Nederlands, didactiek en taalkundige poëzie-analyse.
Kloosters enthousiasme voor generatieve syntaxis wordt gedeeld in de bijdragen van: Den Besten, over syntactische posities en de Nederlandse raisingpassief; Koster, over het ideaal van een uniform localiteitsprincipe; Seuren, over pseudocomplementen; en De Vries, over de ergativiteit van reflexieve constructies in het Nederlands, Heerlens en Frans. Het grensgebied tussen syntaxis en morfologie wordt verkend in de bijdragen van Hamans, over het suffix -o en prefixen als euro- in het Nederlands, en Van Marle, over de vermeende defectiviteit van combinaties als mastklimmen. De bijdragen van Balk en Broekhuis zijn wetenschapstheoretisch van aard. Balk bekritiseert de notie ‘grammaticaliteit’ zoals die gehanteerd wordt in de TGG. Broekhuis suggereert dat het gebruik van negatie in theorievorming een teken is dat een verschijnsel nog niet goed begrepen is.
Didactiek komt aan de orde in de bijdragen van Van Dort-Slijper, Florijn en Muller. Van Dort-Slijper bespreekt factoren die de verwerving van de spelling van meervoudsmorfemen beïnvloeden. Florijn pleit voor een pedagogische grammatica waarmee een tweede-taalleerder zelf kan beslissen wat hij of zij tot zich neemt. Muller contrasteert Nederlandse zinnen waarin het voornaamwoord het optreedt, met hun vertalingen in het Papiamentu.
Poëzie is te vinden in de bijdragen van Schermer-Vermeer en Stroop. Schermer-Vermeer gebruikt een gedicht van Judith Herzberg ter ondersteuning van het voorstel om de categorie ‘lidwoord’ te laten vervallen. Stroop analyseert de vorm en betekenis van teen in Het sceen teen moeste ghestorven sijn, de vijfde regel uit het Egidiuslied.
De redactie prijst Klooster om zijn scherpe taalobservatie wat semantische verschijnselen betreft. Een flink aantal bijdragen in de bundel zijn semantische studies. Hoekstra beschrijft de betekenis van sa ‘zo’ en lyk ‘gelijk’ in het Fries, Komen het verschil tussen Ik ken Nederlands vs. Ik kan Nederlands, Luif contrasteert Nederlandse preposities en postposities, en Verkuyl duren en kosten. De Haan gaat in tegen een compositionele analyse van de Nederlandse passief. Elffers, Van der Leek en Welschen onderstrepen het belang van pragmatische of discourse-factoren in de analyse van respectievelijk vast en zeker, niet denken dat en denken dat niet, en maar en hoeven.
Nog niet genoemd zijn nu, tot slot, de vijf bijdragen in de bundel op het gebied van taalverandering: die van Cornips, over reflexieve en ‘kale’ middel-constructies in het Heerlens en Rijnlands; Van Dijk, over het ontstaan van werkwoordsgroepen als hebben laten stelen in het Nederlands; Duinhoven, over schijnbaar overspannen samentrekkingen in ouder Nederlands; Van der Horst, over de sociale waardering voor taalelementen, zoals bijvoorbeeld gij, in de periode dat ze uit het Nederlands verdwenen; en Philippa, over volksetymologie.
| MNL Homepage | TNTL |