TNTL 117/2
Wim Hüsken
Door-trapte Meelis / W.D. Hooft. en Lichte Klaartje / J. Noozeman ; uitgeg. door Arjan van Leuvensteijn en Jeanine Stuart. - Amsterdam : Stichting Neerlandistiek VU ; Münster : Nodus, 1999. - 169 p. : ill. ; 24 cm. - (Uitgaven / Stichting Neerlandistiek VU ; 28)
ISBN 90-72365-58-5, ISBN 3-89323-433-0 Prijs: f 35,--
Het terrein van de zeventiende- en achttiende-eeuwse klucht is nog steeds voor het grootste gedeelte terra incognita. De kluchten van sommige schrijvers, vooral die uit het begin van het tijdperk, zijn redelijk goed bekend en er bestaan uitgaven van de meeste van deze teksten, maar hoe verder we verwijderd raken van Bredero, hoe dunner het ijs wordt. Een uitzondering in dit opzicht zijn de kluchten en komedies van Pieter Langendijk (1683-1756), maar voor tal van andere succesvolle schrijvers moeten we ons nog steeds wenden tot de oorspronkelijke drukken van hun werk. De meest recente ‘Bloemlezing uit de Nederlandse kluchten van het begin van de zeventiende eeuw tot 1730’, zoals de ondertitel ervan luidt, is al weer vijftien jaar oud: W. A. Ornée’s Van Bredero tot Langendyk (Zutphen: De Walburg Pers, 1985) omvat drieënzestig fragmenten uit spelen van even zoveel auteurs, waaronder negen anonymi, geselecteerd uit een bestand van rond vierhonderd teksten. Een bibliografie van het komisch toneel na ca. 1620 ontbreekt vooralsnog, laat staan een reeks van gedegen monografieën over (aspecten van) het genre.
Natuurlijk dient de vraag gesteld of het de moeite loont zich door deze rijstebrij van boertige teksten heen te lezen. Een eeuw geleden werd deze vraag steevast negatief beantwoord, vooral omdat de inhoud van de klucht als ‘vies’ werd ervaren. Nu dat bezwaar is weggevallen -- niettemin karakteriseren Van Leuvensteijn en Stuart Huygens’ Trijntje Cornelis nog altijd als een ‘ruige klucht’ (p. 39) -- en we in plaats daarvan juist een poging kunnen wagen tot een verklaring van de functie van obsceniteit, van fecalische humor en van de verhouding tussen mannen en vrouwen in de klucht, is het tijd iets te doen aan de relatieve onbekendheid van deze tekstsoort. De verschijning van de hier besproken uitgave geldt wellicht als een spreekwoordelijke druppel op de gloeiende plaat, maar hopelijk wordt zij spoedig gevolgd door meer.
Vooraf aan de eigenlijke teksteditie gaat, zoals gebruikelijk, een fikse inleiding. Tal van zaken komen hier aan bod: de vraag wat een klucht nu eigenlijk is, de aard van het komische, de kloof tussen heden en verleden, historische aspecten en, vooral, een analyse van de beide spelen qua inhoud, versificatie en taalgebruik.
Aan het eind van de paragraaf waarin de eerste vraag wordt beantwoord komen de inleiders tot een voorlopige definitie van het genre: een klucht is ‘de dramatische kunstvorm die het komische in het volkse leven verbeeldt’ (p. 2). De omschrijving houdt evenwel geen rekening met het perspectief van de toeschouwer: voor wie was wat waar en wanneer lachwekkend? En hoe weet je dat? Hoewel Van Leuvensteijn en Stuart niet uitsluiten dat kluchten diepere betekenissen kunnen hebben en hun auteurs kunstzinnige pretenties, gaan zij verder op deze kwesties niet in.
Voor een nadere bepaling van ‘Het geheim van de lach’ richten de editeurs zich op het bekende proefschrift over Konstanten in de komedie van Hans van den Bergh (1972) en op uiteenlopende beschouwingen van filosofen als Thomas Hobbes (1588-1679), Immanuel Kant (1724-1804), Arthur Schopenhauer (1788-1860), Sigmund Freud (1856-1939) en J. D. Bierens de Haan (1866-1943). Dat de vijf besprokenen vanuit een historisch en methodologisch oogpunt wellicht niet zonder problemen onder één en dezelfde noemer gevat kunnen worden, is voor een fenomenologische benadering als die welke hier blijkbaar wordt nagestreefd van ondergeschikt belang. Hoe dan ook: aan het eind van deze paragraaf krijgen we een nieuwe definitie van het genre van de klucht gepresenteerd: ‘de klucht is een dramatische kunstvorm die op komische wijze het volkse leven verbeeldt’ (p. 8). Dit kan bezwaarlijk een nadere precisering van de eerdere definitie genoemd worden. Immers, wie zich richt op ‘het komische in het volkse leven’ houdt er een sociologische visie op na, terwijl wie kijkt naar een ‘kunstvorm die op komische wijze het volkse leven verbeeldt’, heeft vooral oog voor genologie en structuur, een accentverschuiving die feitelijk in een geheel verschillende benadering uitmondt.
Vervolgens komt de vraag aan de orde of een historische klucht door ons (nog) kan worden gewaardeerd. Het is, toegegeven, een uiterst netelige kwestie en de inleiders komen er dan ook niet uit. Verschillende zaken spelen hier door elkaar: (1) kluchten zijn leesteksten, maar ze zijn tevens bedoeld voor een opvoering, (2) historische kluchten liggen verankerd in een waardepatroon dat verschilt van het onze, en (3) kluchten appelleren, evenals andere vormen van toneel, direct aan het individu: ‘Het spel roept -- als het goed is -- herinnering aan persoonlijk doorleefde emoties bij de toeschouwer op en hij projecteert deze op de gespeelde situatie en verbindt ze met de personages’ (p. 10). Afgezien van het feit dat bij het laatste punt levensgrote vraagtekens kunnen worden geplaatst, levert dit kluwen van benaderingswijzen geen speelruimte voor een eenduidig antwoord op de gestelde vraag. De getrokken conclusie ligt dan ook voor de hand: ‘Wij kunnen dus noch als toeschouwer, noch als pseudo-regisseur een volkomen betrouwbare uitspraak doen over de cultureel-historische waarde van de klucht’ (p. 12). Het is een inzicht dat geldt voor elke willekeurige uitspraak, door elk willekeurig individu, in elke willekeurige tijd. Immers, de waarheid bestaat niet.
De vierde paragraaf van de inleiding behelst een uitvoerige analyse van de twee spelen. Her en der treffen we uitspraken aan die, als interpretatie, van de nodige kanttekeningen moeten worden voorzien. In hoeverre geldt anno 1623 het ‘toedekken van de ware toedracht’ [het overspel wordt verhuld voor de schout, W. H.], bijvoorbeeld, als ‘toppunt van kleinburgerlijke moraal’ (p. 17)? En toont Kaerel, in Noozemans Lichte Klaartje, niet juist een hoogstaande moraal wanneer hij probeert het huwelijk te redden van de vrouw met wie hij eerder een slippertje had gemaakt? Van Leuvensteijn en Stuart verwijten hem in plaats daarvan simpelweg dat hij ‘geen zin [heeft] om met Claertje verder te gaan’ (p. 19). Bij de bespreking van de versificatie is vooral aandacht geschonken aan het gebruik van enjambementen in de beide spelen. Een en ander wordt op mathematische wijze toegelicht, waarin zelfs een ‘Formule voor het berekenen van de standaarddeviatie’ (p. 53) in bijlage niet ontbreekt. Tot slot bevat deze paragraaf dan nog enkele beschouwingen over het taalgebruik in de twee kluchten.
In de afsluitende paragraaf komen historische aspecten aan bod: vanwege gebrek aan voorstudies konden de inleiders weinig samenvattends meedelen over de ontwikkeling of over andere aspecten van het genre in de 17e en de 18e eeuw en moesten zij zich noodgedwongen beperken tot opmerkingen over eerdere stadia. De overtuiging dat kluchten vooral ook tijdens kermissen werden vertoond (zie p. 40) was al eerder door W. M. H. Hummelen op losse schroeven gesteld. (Zie zijn artikel ‘Toneel op de kermis, van Bruegel tot Bredero’, Oud Holland 103 (1989), p. 1-45, m. n. de opmerking in de Engelse samenvatting: ‘Of a total of thirteen examples [...] only three are serious plays [...]. This is inconsistent with historical information, which indicates that performances after processions at fairs [...] tended to be of a more serious than comical nature’ [p. 45].) De hoge waardering voor Noozemans Lichte Klaartje moge blijken uit het feit dat de klucht verschillende keren voor hoge buitenlandse gasten werd opgevoerd. Tot slot krijgen we nog wat biografische informatie over de auteurs van de twee kluchten. Dat er geen verwantschapsrelatie is tussen Willem D. Hooft en Pieter Corneliszoon Hooft, een vraag die bij minder ingewijde lezers wellicht zou kunnen opkomen, blijft onvermeld.
Wat de eigenlijke tekstuitgave betreft kunnen we kort zijn. De teksten volgen de gebruikte drukken op de voet met alle eigenaardigheden wat spelling en interpunctie betreft van dien. Men zou zich kunnen afvragen of dit een gelukkige greep is geweest omdat de tekstweergave die ervan het resultaat is het leesplezier aanmerkelijk vermindert. Als publiek voor hun uitgave hebben de editeurs daarmee blijkbaar eerder gedacht aan de ervaren lezer van zeventiende-eeuwse teksten dan aan geïnteresseerde leken of studenten. De kans dat van deze spelen binnenkort nieuwe edities verschijnen die uitgaveprincipes volgen die een ruimer publiek toegang tot de teksten verschaffen, mag immers gering worden geacht. Een complete hertaling of modernisering zou wellicht te ver zijn gegaan maar een tegemoetkoming aan lezers die minder ingewijd zijn in de typische eigenaardigheden van vroeg-moderne drukken zou hier beslist op zijn plaats zijn geweest. Op de rechterpagina’s van de tekstuitgave vindt de lezer uitgebreide woordverklaringen en toelichtingen.
Naast het in de vorige alinea vermelde punt van kritiek bestaat het belangrijkste gebrek van deze uitgave, zoals gezegd, uit het versnipperde karakter van de inleiding, resultaat van een poging de spelen vanuit meer dan één methodisch oogpunt te behandelen. Van een zuiver wetenschappelijk perspectief gezien was het al te ambitieus van de inleiders om verschillende paradigmata met elkaar te verenigen. Concentratie op één benadering -- bijvoorbeeld een historische waarbij men zich niet hoeft te bekommeren over zoiets glibberigs als het ‘wezen’ van het komische -- zou de inleiding een aanzienlijk grotere eenheid hebben verleend.
| MNL Homepage | TNTL |