TNTL 117/2
Mikel M. Kors
De Noordnederlandse historiebijbel : een kritische editie met inleiding en aantekeningen van Hs. Ltk 231 uit de Leidse Universiteitsbibliotheek / door M.K.A. van den Berg. - Hilversum : Verloren, 1998. - 847 p. : ill. ; 25 cm. - (Middeleeuwse studies en bronnen, ISSN 0929-9726 ; 56)
ISBN 90-6550-027-8 Prijs: f 158,72
De historiebijbel is een genre dat in de West-Europese volkstalen van groot cultuurhistorisch belang is geweest. Een historiebijbel bevat alleen historische stof uit het Oude en Nieuwe Testament, veelal aangevuld met commentaren, apocrief en profaan materiaal. Volgens de Duitse onderzoeker Vollmer is de vorm proza. In hoeverre hij daarin een gelukkig standpunt heeft ingenomen, is de vraag. De latere historiebijbels zijn weliswaar veelal ontrijmingen van soortgelijke werken uit vroeger tijd, maar dat zou eerder een reden moeten zijn de vroege fase mee te tellen. De veertiende eeuw is immers überhaupt de periode van de overgang van een literatuur in rijm naar een in proza. Het gaat dan niet aan hetgeen voorafging op grond van een vormcriterium uit te sluiten. Van den Berg volgt echter trouw Vollmers definitie. Hij bevindt zich daarmee weliswaar in goed gezelschap, maar beneemt zichzelf de mogelijkheid om in zijn inleiding bij de uitgave de Middelnederlandse dertiende-eeuwse traditie te bespreken. Nu worden in de inleiding alleen de Bijbel van 1360 en de Noord-Nederlandse historiebijbel behandeld, en dat is jammer, want de geschiedenis van de bijbel in de middeleeuwen omvat zoveel meer dan proza-historiebijbels alleen: er zijn ook evangeliaria, diatessarons, psalteria, etc. Door Jos Biemans is het materiaal voorbeeldig ontsloten in zijn Middelnederlandse Bijbelhandschriften. Er was dus zeker een mogelijkheid geweest een veel breder palet te schetsen, vooral omdat in de middeleeuwen ‘de’ historiebijbel net zomin bestond als ‘de’ bijbel. De postreformatorische bijbelopvatting kleurt dus nog steeds ongemerkt ons begrip van ‘de middeleeuwse bijbel’.
In het eerste hoofdstuk van zijn inleiding (p. 17-41) geeft Van den Berg allereerst een korte terminologische bepaling van het genre ‘historiebijbel’. Vervolgens gaat hij in op het verrichte onderzoek naar de historiebijbels in het Franse, Duitse en Nederlandse taalgebied. De belangrijkste Franstalige historiebijbel was de Bible historiale uit 1295 van Guyart Desmoulins, kapittelheer van St.-Pierre in Aire-sur-la-Lys (en niet in Arras, zoals Van den Berg schrijft), juist op de grens van het toenmalige Frans-Nederlandse taalgebied. Desmoulins’ tekst is later aangevuld met andere vertalingen en werd een ‘succès fou’. Men kan zich (met C.C. de Bruin) zelfs afvragen of de grote verspreiding van dit werk rond 1350 niet mede aanleiding is geweest voor de Bijbelvertaler van 1360 een Historiebijbel te gaan vertalen (voltooid in 1361. Daarom geef ik er de voorkeur aan in het vervolg van de ‘Historiebijbel van 1361’ te spreken). Veel studies zijn er over de Franse vertaling jammer genoeg niet en zelfs een editie ontbreekt. Wat dat betreft is het veel beter gesteld met het onderzoek naar de Duitse historiebijbels en het is daarom moeilijk te begrijpen waarom Van den Berg er maar 2,5 bladzijde aan besteedt. Uit de noten en de literatuurlijst blijkt immers dat hij uitstekend op de hoogte is van de bestaande literatuur (zijn proefschrift is zonder meer een ‘Fundgrube’ voor wie literatuur over dit thema zoekt). Op het gebied van methodologie en onderzoeksthema’s is hier zoveel materiaal te vinden, dat zij richtinggevend voor een studie van de Noord-Nederlandse historiebijbel zou kunnen zijn. Maar een studie geeft Van den Berg niet: het gaat om ‘een inleiding’ bij de tekstuitgave. Gezien de omvang van de editie (bijna zeshonderd pagina’s, exclusief registers en bijlagen) is dat te begrijpen, maar jammer is het natuurlijk wel, want wie kent de tekst beter dan de tekstuitgever? Het gedeelte waarin Van den Berg niet geheel descriptief te werk gaat, bedraagt slechts 38 pagina’s (p. 43-80). Hij geeft wel mogelijke thema’s voor verder onderzoek, maar op een geheel onverwachte plaats: in de laatste pagina’s van zijn Zusammenfassung (p. 842-5). Het is evident dat dit in de Nederlandse hoofdtekst prominent had moeten figureren. Het is bevreemdend dat men eveneens alleen hier de verantwoording vindt voor de beknoptheid van de inleiding: ‘Weil die Einleitung zur Ausgabe der Noordnederlandse historiebijbel auch aus wirtschaftlichen Gründen an einem bestimmten Umfang gebunden war, erwies es sich als unmöglich alle Aspekte die mit der Forschung dieser Historienbibel zusammenhängen, tiefgehend zur Sprache zu bringen. Eine Anzahl davon ist nur nebenbei erwähnt worden’ (p. 842). Dit had zeker ook in het Woord vooraf op p. 11 mogen staan.
In het vervolg van zijn eerste hoofdstuk geeft Van den Berg een kritische bespreking van de belangrijkste gegevens uit de onderzoeksgeschiedenis van de Noord-Nederlandse historiebijbel. Deze ontstond onafhankelijk van de Historiebijbel die de Bijbelvertaler van 1360 maakte. De ontstaanstijd is niet zeker. De vertaling bestond volgens Van den Berg in ieder geval rond 1400, omdat heraut Beyeren er, naast de Historiebijbel van de Bijbelvertaler van 1360, gebruik van heeft gemaakt in zijn Wereldkroniek. Interessant is ook het verband tussen de Duitse Grosse Seelentrost en de Noord-Nederlandse historiebijbel. Beide zijn op een groot aantal punten zo verwant dat ze op een gemeenschappelijk voorbeeld moeten teruggaan. Dat dit een Middelnederlandse tekst is geweest, is waarschijnlijk, omdat er in de Nederduitse tekst van de Seelentrost neerlandismen en verkeerd vertaalde Middelnederlandse woorden voorkomen. Bovendien blijkt Maerlants Rijmbijbel een belangrijke bron te zijn. Andersson-Schmitt plaatst de ‘oervorm’ van Seelentrost en de Noord-Nederlandse historiebijbel nog vóór 1350, maar Van den Berg zet hier terecht vraagtekens bij (p. 29-32.) Een belangrijk argument voor Andersson-Schmitt is de datering van het handschrift M; een inmiddels verloren gegaan fragment, dat door Reidemeister (in 1915) in de veertiende eeuw is gedateerd. A.-S. preciseerde de datering tot 1350, maar zonder dat zij het handschrift in kwestie kon zien! Het argument is dus flinterdun. Terecht dat Van den Berg zich niet op een datering vastlegt. Ik ben hier wat uitgebreider op ingegaan, omdat de lezer uit de recensie van Theo Coun in Nieuw Letterkundig Magazijn (17, 2, december 1999) zou kunnen opmaken dat Van den Berg deze problematiek geheel over het hoofd heeft gezien (zie aldaar, p. 29, eerste kolom), en dat ten onrechte.
Men kan zich op dit punt afvragen of heraut Beyeren voor zijn Wereldkroniek inderdaad gebruik heeft gemaakt van wat wij nu de Noord-Nederlandse historiebijbel noemen. Het zou evengoed kunnen zijn dat hij de versie tot zijn beschikking heeft gehad die hieraan ten grondslag heeft gelegen en die tevens het voorbeeld was voor de Seelentrost. Aangezien heraut Beyeren eveneens de Historiebijbel van 1361 gebruikt heeft, is het verder de vraag of de voorvader van de Noord-Nederlandse historiebijbel (en de Seelentrost) niet eveneens uit het Zuiden kwam. Ik kom daar zodadelijk op terug. Blijft het intrigerende feit dat er aan het einde van de veertiende eeuw blijkbaar twee Historiebijbels naast elkaar functioneerden, die bovendien beide in het Noorden verspreiding vonden, getuige de citaten in de Wereldkroniek. Nóg intrigerender is het gegeven dat er een Middelnederlandse historiebijbel is geweest die ons niet is overgeleverd, maar die toch tot in het Nederduitse taalgebied invloed heeft gehad. Hoe kan het dat ons daarvan niets is overgeleverd? We kunnen voorlopig in ieder geval vaststellen dat de bijbelvertaling in de Nederlanden een zeer complexe geschiedenis heeft gehad en dat verder onderzoek dringend gewenst is.
In zijn eigenlijke studie van de Noord-Nederlandse historiebijbel (hoofdstuk 2, p. 43-80) gaat Van den Berg allereerst in op de historiebijbel als bewerking van de Vulgaat (p. 43-56). Hij onderscheidt een aantal vormen van bewerking: 1. tekstreductie; 2. verplaatsing van tekst; 3. interpolatie. De derde categorie, de interpolatie, is het interessantst, Van den Berg besteedt er althans de meeste aandacht aan (p. 49-56). De inlassen uit andere Bijbelboeken zijn ingegeven door het verlangen van de bewerker om meer informatie te geven. Belangrijker zijn de inlassen uit andere bronnen. Jammer genoeg schrijft Van den Berg: ‘Aan de grote inlassen die door Ebbinge Wubben en Andersson-Schmitt gesignaleerd zijn, wil ik in deze inleiding voorbijgaan’ (p. 49). Daar bewijst hij de lezer geen dienst mee, die natuurlijk graag wil weten wat die inlassingen zijn en hoe ze binnen de bewerkingstechniek zijn te plaatsen. Ze hadden in de inleiding niet mogen ontbreken. De kleine uitbreidingen betreffen in de eerste plaats verklaringen op woordniveau. Ook bepaalde begrippen en personen worden nader toegelicht. De wat grotere toevoegingen zijn veelal aan de hoofdbronnen van de vertaler ontleend (zoals Historia scholastica en Rijmbijbel). Het doel van deze inlassen formuleert Van den Berg als volgt: ‘[ze] versterken door een scherper contrast van het goede en het kwade, en door een emotionele kleuring van gebeurtenissen het verhalende karakter en maken het bijbelverhaal voor de lezer beter inleefbaar’ (p. 54.) Wat verder opvalt, is het feit dat de vertaler tamelijk nauw aansluit bij de Vulgaat en naar verhouding weinig materiaal uit andere bron toevoegt.
Tot slot van zijn tweede hoofdstuk behandelt Van den Berg het ‘taalgebruik’ van de vertaler in het licht van de bewerkingstechniek. Het is een wat magere paragraaf geworden, waarschijnlijk omdat de auteur niet aan een echt onderzoek van de vertaaltechniek heeft willen beginnen (wat natuurlijk ook een gigantische klus zou zijn geweest). De conclusie van Van den Berg luidt dat de tekst van de Noord-Nederlandse historiebijbel tot doel had ‘op een adequate wijze de bijbelse geschiedenis aan de lezers over te brengen, zodat deze er onder andere van konden leren hoe God zich met zijn schepping bezighoudt, haar leidt en telkens opnieuw, ondanks het voortdurend menselijk falen, beschermt en behoedt’ (p. 61). De vraag is dan natuurlijk: welke lezers kan de vertaler op het oog hebben gehad?
Op die vraag poogt Van den Berg in zijn derde hoofdstuk (p. 63-80) antwoord te geven. Hij onderzoekt daartoe de proloog en bekijkt hoe de auteur zijn ideeën realiseert in de hoofdtekst. Voor de vertaler staat het verwerven van de hemelse zaligheid centraal en daarin neemt het lezen van de Schrift voor hem een belangrijke plaats in. Men moet zich daarom verre houden van heidense lectuur. Uit de tekst blijkt het didactische karakter van zijn bijbelvertaling, bijvoorbeeld doordat hij oudtestamentische modelpersonen en –gebeurtenissen schept die vooruitwijzen naar hetgeen in het Nieuwe Testament gebeurt. Niet alleen bijbelse figuren worden onderdeel van de boodschap van deze historiebijbel, ook Alexander de Grote neemt een prominent voorbeeld in als deugdzaam vorst. Hij is navolgenswaardig, zelfs al was hij heiden. De lezer moet begrijpen dat hij extra begenadigd is, omdat de hemel voor hem wel binnen handbereik is en voor iemand als Alexander per definitie niet. Uit de proloog blijkt dat er een verloren gegaan gedeelte is met het Nieuwe Testament. Dat is natuurlijk jammer, omdat zo het oorspronkelijk effect van de vooruitwijzingen verloren is gegaan.
Van den Berg probeert de Noord-Nederlandse historiebijbel aan een publiek te koppelen. Hij doet dit op een iets te voor de hand liggende wijze, namelijk door een verbinding te leggen met de Moderne devotie, en dan met name met de Broeders en Zusters van het Gemene leven. Al te vaak wordt de Moderne devotie als verklaringsmodel van stal gehaald voor alles wat zich op religieus gebied in de vijftiende eeuw voordoet. Dat ligt in dit geval echter minder voor de hand dan het lijkt. Om te beginnen had Gerard Zerbolt van Zutphen, de theoreticus van de Moderne devotie, zich rond 1395 in zijn De libris teutonicalibus gekeerd tegen het lezen van de bijbel in de volkstaal. Juist de historische boeken konden geheel verkeerd begrepen worden. Eigenlijk beschouwde hij alleen de evangelische stof als ongevaarlijk. Zoals is aangetoond, had Zerbolt in zijn traktaat vooral de leden van de beweging van het Gemene Leven op het oog; hij heeft het dus niet eens in de eerste plaats over een breed lekenpubliek!1 Johannes Scutken (gest. 1423) beperkte zich in zijn vertaling voor de lekenbroeders van het klooster te Windesheim tot het evangelie en de psalmen, en dat deed hij nog voordat Zerbolt zijn traktaat schreef. Het lijkt dus weinig waarschijnlijk dat de gemeenschappen van Broeders en Zusters van het Gemene Leven zich tegen deze communis opinio hebben gekeerd. Voor de ontwikkeling van een ‘diepe godsdienstzin’ (p. 79) is een project als de historiebijbel eigenlijk ongeschikt: hetgeen de samensteller bij zijn lezer wil bewerkstelligen is nu juist, zoals Van den Berg laat zien, een tamelijk basale christelijke instelling. Het ligt dus meer voor de hand om leken als doelgroep te veronderstellen, vooral omdat historische verhalen hen meer zullen hebben aangesproken. Zo is de Alexander-stof natuurlijk veel interessanter voor een lekenpubliek dan voor semi-religieuzen. Van Maerlant heeft dit stofcomplex niet voor niets aan zijn Rijmbijbel [bedoeld is Spiegel historiael] toegevoegd; het was een flatterend voorbeeld voor zijn broodheer. De Bijbelvertaler van 1360 maakte in de Historiebijbel, die hij voor de Brusselse patriciër Jan Taye samenstelde, eveneens gebruik van dit stofcomplex en inspireerde zich daarvoor op Maerlant. Als we de proloog van de Noord-Nederlandse historiebijbel bezien, dan lijkt de volgende passus toch met name voor leken bedoeld: Voel luden sijn die lesen waerlike boken van consten ende van craften, ende storien van ouden heren, die der werelt dienen (p. 221-2). Naast de artes-literatuur, doelt de vertaler hier kennelijk op epische stof. Zouden Broeders en Zusters van het Gemene Leven zich aan dergelijke lectuur hebben vergrepen? Het lijkt hoogst onwaarschijnlijk. Maar juist leken die epische verhalen tot zich namen, konden makkelijk worden verleid met de Alexander-stof, die door de vertaler natuurlijk heel handig wordt omgebogen naar een religieus program (zie hierboven.)
Mijns inziens maakt Van den Berg een fout door de intenties van de samensteller, zoals die blijken uit zijn proloog en de bewerkingstechniek, in verband te brengen met de handschriftelijke overlevering. Immers, de overgeleverde handschriften van de Noord-Nederlandse historiebijbel ontstonden pas in de tweede helft van de vijftiende eeuw, ruim een halve eeuw nadat de tekst volgens Van den Berg al circuleerde! Wat deze handschriften ook over het publiek mogen zeggen, ze hoeven helemaal niets te maken te hebben met de oorspronkelijke bedoelingen van de vertaler. Opvallend is het fenomeen dat van de zeven overgeleverde handschriften er zes door dezelfde beroepskopiist zijn gemaakt. Hij maakte in drie colofons bovendien melding van het feit dat hij tegen betaling een vervolgdeel, met de Destructie van Jerusalem, het Nieuwe Testament en de Apocalyps (ik neem tenminste aan dat de kopiist dat bedoelt als hij het heeft over dat Eynde der Werelt), kan afschrijven. Voor wie de handschriften bestemd zijn geweest, daarnaar kan men slechts gissen. In twee daarvan staan bezitterskenmerken van latere particuliere bezitters. Eén handschrift bevat bezittersaantekeningen uit het einde van de vijftiende en het begin van de zestiende eeuw (p. 97), waarvan een van Lambrecht Jacob Visschersz uit Schiedam. Het is daarom vergezocht als Van den Berg de plaatsnaam ‘Schiedam’ koppelt aan een klooster van zusters van de Derde Orde van St.-Franciscus. Hoe moeten wij ons in deze periode een dergelijke overgang van institutioneel naar privé-bezit voorstellen? Het lijkt er veeleer op dat dit handschrift van meet af aan een particulier heeft toebehoord. Ook het feit dat zes handschriften door een beroepskopiist werden vervaardigd, wijst op een particuliere klantenkring. De verschillende stromingen binnen de Moderne devotie hadden immers hun eigen schrijfateliers en hun boekproductie was, zoals Thomas Kock in een fraaie studie heeft aangetoond, vooral voor gebruik intra muros bestemd, de fantastische verhalen over het schrijven ‘pro pretio’ ten spijt.2
We zijn nu al iets vooruitgelopen op gegevens uit Van den Bergs vierde hoofdstuk, waarin hij de zeven handschriften aan een codicologische analyse onderwerpt (p. 81-112), waarbij de meeste aandacht uitgaat naar het basishandschrift van zijn editie. Handschriftbeschrijvingen zijn zonder twijfel nodig, maar ze moeten geen doel op zich zijn. Zo hadden alle codicologische en paleografische gegevens gebruikt moeten worden voor de vraag: wat waren het doel en de functie van deze handschriften met de historiebijbel? (En niet, zoals we zagen: wat zeggen deze handschriften over de oorspronkelijke functie van de historiebijbel?) Uit het vele materiaal dat ligt opgetast valt zeker iets zinnigs af te leiden, maar Van den Berg laat deze kans liggen. Nemen we als voorbeeld het basishandschrift Leiden, Ltk. 231, dat uit 1458 stamt. Dit boek bestond waarschijnlijk eerst uit twee aparte delen; na het huidige f. 109 begint een nieuwe foliëring weer bij I. Pas in de zestiende eeuw werden de beide delen in één band samengevoegd. Uit die periode stamt ook de (niet al te fraaie) miniatuur, die is afgebeeld op p. 91. Een latere gebruiker heeft het handschrift voorzien van klavieren. Verder staan er latere bezittersnamen, waaronder van een Meester J..zs (wat op privé-bezit wijst), maar uit welke periode die stammen, wordt niet vermeld. Er is dus nogal wat met dit boek gebeurd. Schreef de beroepskopiist zijn werk in kleinere delen, zodat zijn werk makkelijker te verwerven was? En slaat het colofon op f. 245 dan wel op alle voorgaande folia, of alleen op het deel f. 109-245? Wie was degene die het boek later liet binden en ook nog eens van klavieren voorzag? Wat zegt een en ander over de oorspronkelijke en de latere functie van het handschrift? Het zijn vragen die door de beschrijving worden opgeroepen, maar die hiermee alleen niet kunnen worden beantwoord. Het zijn, met andere woorden, vragen die een eerste codicologisch onderzoek naar voren brengt en die vervolgens aan het handschrift zelf nog eens getoetst hadden moeten worden.
In het vijfde hoofdstuk (p. 113-26) onderzoekt Van den Berg uitgebreid het dialect van zijn basishandschrift. Terecht concludeert hij dat de kopiist waarschijnlijk in (Zuid-)Holland gelokaliseerd moet worden. Er is echter ook een duidelijk substraat dat in de richting van Brabant wijst. Had de kopiist een Brabants voorbeeld of kwam de Noord-Nederlandse historiebijbel oorspronkelijk uit Zuid-Nederland? Hiervoor merkte ik al op dat heraut Beyeren misschien wel de oerversie van de Noord-Nederlandse historiebijbel heeft gebruikt. Men moet bedenken dat in de tweede helft van de veertiende eeuw veel handschriftelijk materiaal van het zuiden naar het noorden is gekomen, getuige bijvoorbeeld de vroege receptie van Ruusbroecs werk in Holland3 en het feit dat de Historiebijbel van 1361 reeds in het derde kwart van de veertiende eeuw in Holland aanwezig was.4 Opvallend is ook dat het enige handschrift dat niet door de beroepskopiist werd geschreven, Leiden, BPL 1800, in een Brabants dialect is. Als dit allemaal waar is, dan geldt het adjectief ‘Noord-Nederlandse’ alleen voor de secundaire handschriftelijke receptie, en die komt op conto van de Hollandse beroepskopiist. Met andere woorden: het was zijn initiatief om deze oude versie nieuw leven in te blazen. Dat zou goed passen in het tijdsgewricht: zijn eerste afschrift dateert van 1458, het laatste van 1485. In deze periode, in 1477, wordt de Delftse bijbel gedrukt, waarin de Historiebijbel van 1361 een belangrijke bron is. Zou het volgende mogelijk zijn? Er zijn aan het einde van de veertiende eeuw twee historiebijbels beschikbaar: de Historiebijbel van 1361 en een wellicht Brabantse historiebijbel. Deze laatste was de bron voor de Grosse Seelentrost en hij vormde de basis voor de Noord-Nederlandse historiebijbel, en werd gebruikt door heraut Beyeren in zijn Werelkroniek. Het blijft de vraag of de kopiist van de Noord-Nederlandse historiebijbel meer deed dan alleen zijn voorbeeld afschrijven of dat hij zelf de tekst nog heeft aangepast. Bij de Delftse bijbel heeft men bijvoorbeeld het materiaal van de Historiebijbel van 1361 grondig geadapteerd. Maar zolang er geen handschriften met het gemeenschappelijk voorbeeld van de Noord-Nederlandse historiebijbel en de Seelentrost opduiken, valt over de eventuele redactionele werkzaamheden van de kopiist niets te zeggen.
In het zesde hoofdstuk (p. 127-33) geeft Van den Berg een verantwoording van de editie. Hij kiest als legger voor het oudste handschrift, Leiden, Ltk. 231, uit 1458. In hoeverre hier de idee ‘bonus quia vetus’ een rol speelt, is niet duidelijk. Ltk. 231 bevat de nodige slordigheden en omissies en levert zelfs de proloog niet over. De tekst behoeft dan ook correcties, die bij de editie worden verantwoord. In feite streeft Van den Berg dus naar een vorm van reconstructie: een verbeterde versie van Ltk 231, op basis van de vijf andere handschriften die door de beroepskopiist werden geschreven. Van den Berg laat BPL 1800 uit 1469 buiten beschouwing, terwijl dit als enige handschrift niet door deze beroepskopiist is geschreven. Als reden wordt opgevoerd dat het een gecontamineerd handschrift is en afwijkt van de overige zes. Dat laatste zegt niets, want de beroepskopiist gebruikte natuurlijk steeds dezelfde legger; de verhouding tussen deze zes handschriften en BPL 1800 is dus niet 6:1, maar gewoon 1:1 (dit blijkt ook uit het stemma, dat vreemd genoeg niet hier maar in de Zusammenfassung op p. 837 staat.) Men kan dus met evenveel recht zeggen dat de handschriften van de beroepskopiist ‘niet uniform van redactie’ zijn ten opzichte van BPL 1800. En met die contaminatie valt het nogal mee: het gaat om 16 folia die rond 1530 aangevuld zijn, kennelijk omdat het handschrift defect was geraakt. Verder wijkt BPL 1800 af in de vertaling van 2 Koningen 1 en 2, alsmede in het Tobias-verhaal (beide uitgeven als resp. bijlages 1 en 2, pp. 155-77.) De eerste afwijking gaat in tegen de Nederduitse Historiebijbel, maar de tweede stemt hier juist mee overeen. Dan rijst het bange vermoeden dat BPL 1800 wat te gemakkelijk als basishandschrift is afgewezen. Dat wordt nog versterkt door hetgeen Van den Berg als laatste argument tegen dit handschrift inbrengt: ‘Tenslotte is het handschrift als enige niet in het dialect van het vroegste handschrift overgeleverd’. Hier verliest Van den Berg uit het oog dat de Hollandse afschriften op dezelfde bron teruggaan, die, zoals hij zelf heeft aangetoond, waarschijnlijk Brabants was. De Noord-Nederlandse historiebijbel is samen met de Seelentrost afhankelijk van een onbekende voorouder. Zoals al meermalen gezegd: deze voorouder zou wel eens uit Brabant kunnen komen. Het is dus nog maar de vraag of een editie van BPL 1800 niet dichter bij de taal van de voorouder zou hebben gelegen dan de kopieën van de Hollandse kopiist. Het lijkt erop dat Van den Berg te veel aandacht heeft gegeven aan het aantal Hollandse afschriften. Maar samen hebben ze net zoveel te vertellen als BPL 1800, die zelfs stemmatologisch gezien onafhankelijk is (men zie p. 837). Met andere woorden: de huidige editie is niet meer dan een uitgave van de Noord-Nederlandse kopie van een historiebijbel. Of deze historiebijbel zelf ook Noord-Nederlands is, acht ik op zijn minst twijfelachtig.
Na dit zesde hoofdstuk volgt de bibliografie (p. 135-54). Een nogal ongelukkige plaats, omdat ook in het hierop volgend editiedeel voortdurend verkorte literatuur wordt aangehaald. Het is dus altijd bladeren als men een verwijzing wil opzoeken; de bibliografie had beter aan het einde gestaan. Na de bibliografie volgen 9 bijlagen (de eerste twee zijn hierboven al genoemd), die alle verband houden met de editie (p. 155-218). Volgens het register vormen deze negen bijlagen het achtste hoofdstuk, maar in de tekst is deze nummering niet terug te vinden.
Het negende hoofdstuk bevat het hoofddeel van dit boek, de kritische editie van hs. Leiden, Ltk. 231 (p. 221-789). Het bevreemdt dat onder de titel ‘9 Kritische editie van de Noordnederlandse historiebijbel Ltk 231’ de proloog staat afgedrukt, die nu juist niet in Ltk 231 voorkomt! Men kan dat weliswaar uit de voetnoot opmaken, maar de presentatie had hier natuurlijk anders gemoeten, door in de hoofdtekst het handschrift te vermelden waaraan de proloog wel ontleend is. Onderaan de pagina’s met de editie vindt de lezer een reeks verklarende noten. Deze bevatten verwijzingen naar bronnen, paleografische en/of codicologische informatie en woordverklaringen. Deze laten weinig vragen onbeantwoord; het gaat om duizenden voetnoten (als we 15 per bladzijde als gemiddelde aanhouden, dan zijn het er ca. 8000). Het leeuwendeel betreft woordverklaringen en uit hun aard blijkt dat Van den Berg een breed publiek op het oog heeft. Dat is geen nadeel, want een tekst als de onderhavige is nu eenmaal voor meer dan alleen medioneerlandici van belang. De hoofdtekst is goed leesbaar, dankzij de modernisering van de spelling en het aanpassen van interpunctie. De editeur heeft bovendien alinea’s aangebracht (in ieder geval als er in het handschrift een paragraafteken voorkomt, maar er zijn meer alinea’s dan paragraaftekens). Al met al ziet de editie er degelijk uit. Een vergelijking tussen de tekstuitgave met enkele afgebeelde folia, brengt aan het licht dat de transcriptie nauwkeurig is. De uitgave wordt ontsloten door een aantal registers: een namenregister en een zakenregister (dit laatste heeft overigens ook betrekking op Inleiding en Zusammenfassung).
De kritische editie brengt ons voor het eerst een complete Middelnederlandse bijbeltekst in proza. Immers, de uitgaven van De Bruin in zijn CSSN-reeks leveren alleen de ‘zuivere’ bijbeltekst en bevatten geen apocriefe boeken of commentaren. Zoals Van den Berg in zijn inleiding laat zien (p. 27-8), is deze editie voor wetenschappelijke doeleinden onbruikbaar. Van den Bergs uitgave is daarentegen een toonbeeld van hoe het wel moet en is derhalve een mijlpaal in het onderzoek naar de middeleeuwse volkstalige bijbel.
Het boek is netjes uitgevoerd en, bijna ongelofelijk, het blijft zelfs op de laatste bladzijde nog openliggen. Het is dus niet nodig, zoals tegenwoordig helaas meer en meer het geval is, om voor gebruik de knie in de rug van het boek te zetten en na lezing de losse bladen naar de papierbak te brengen. Eén kanttekening slechts: de voetnoten zijn in een onmogelijk klein lettertype gezet; mag het een puntje meer zijn?, is de lezer geneigd te vragen.
Dit proefschrift laat de recensent met enigszins gemengde gevoelens achter. De editie is een grote prestatie, waaraan heel, heel veel tijd moet zijn besteed. Dat weet eenieder die zich heeft ingelaten met die vorm van tekstuitgave die werkelijk de moeite waard is en tegen de tand des tijds bestand is (al is het mode om dat niet te denken): de kritische uitgave. Verder is het van groot belang dat we nu voor het eerst over een echte middeleeuwse bijbeltekst beschikken, dus mét de commentaren en inlassen uit andere bron. Een groot voordeel ten opzichte van de editie door De Bruin. Eigenlijk zou diens uitgave overgedaan moeten worden -- door Van den Berg, is men geneigd te zeggen. Tegenover deze positieve zaken staat het feit dat de inleiding erg beknopt is en, belangrijker: er worden kansen voor open doel gemist, zoals een integratie van de vele codicologische gegevens in het studiegedeelte en een bevredigende oplossing van de vraag voor wie deze tekst bestemd is geweest. Verder blijft het voor de lezer onzeker of we wel van de ‘Noord-Nederlandse’ historiebijbel mogen spreken. De handschriften die Van den Berg voor zijn editie heeft gebruikt zijn Noord-Nederlands, maar veel meer valt er niet te zeggen. Of de onderhavige historiebijbel niet veeleer Zuid-Nederlands is, zou verder onderzocht moeten worden. Aan de andere kant is er de mogelijkheid om de gemiste kansen alsnog te benutten; voor Van den Berg zelf en voor de lezers van zijn boek. Een lijstje van de vele mogelijkheden geeft Van den Berg aan op p. 842-5.
Noten
1
Men zie hierover de studie van Nikolaus Staubach: ‘Gerhard Zerbolt von Zutphen und die Apologie der Laienlektüre in der Devotio moderna’. In: Thomas Kock & Rita Schlusemann (eds.), Laienlektüre und Buchmarkt im späten Mittelalter. Frankfurt am Main, 1997, p. 221-89.2
Thomas Kock: Die Buchkultur der Devotio moderna. Handschriftenproduktion, Literaturversorgung und Bibliotheksaufbau im Zeitalter des Medienwechsels. Frankfurt am Main, 1999 (Tradition-Reform-Innovation. Studien zur Modernität des Mittelalters, 2).3
Zie H. Kienhorst, M.M. Kors: ‘Corpusvorming van Ruusbroecs handschriften’. In: Ons geestelijk erf 72,1 (1998), p. 3-53, inz. 15-16. Aan de hier genoemde veertiende-eeuwse manuscripten moet nog het handschrift Londen, BM, Add. 18164 worden toegevoegd, dat weliswaar rond 1450 wordt gedateerd, maar dat nog wel tot het einde van de veertiende eeuw kan worden gerekend.4
Zie M.M. Kors: ‘Job en Psalmen binnen het oeuvre van de Bijbelvertaler van 1360. Naar aanleiding van de veertiende-eeuwse handschriften met de Zuid-Nederlandse bijbelvertaling’ (te verschijnen in TNTL).| MNL Homepage | TNTL |