TNTL 117/2

Nelleke Moser

Met minnen versaemt : de Hollandse rederijkers vanaf de middeleeuwen tot het begin van de achttiende eeuw : bronnen en bronnenstudies / Th.C.J. van der Heijden, F.C. van Boheemen. - Delft : Eburon, 1999. - 415 p. : ill. ; 25 cm

ISBN 90-5166-666-7 Prijs: ƒ 99,--

Retoricaal memoriaal : bronnen voor de geschiedenis van de Hollandse rederijkerskamers van de middeleeuwen tot het begin van de achttiende eeuw / samenst. F.C. van Boheemen en Th.C.J. van der Heijden. - Delft : Eburon, 1999. - 842 p. ; 24 cm

ISBN boek: 90-5166-678-0 Prijs: ƒ 149,50
ISBN cd-rom: 90-5166-698-5 Prijs: ƒ 99,--

Op 20 januari 1999 vond aan de Katholieke Universiteit Nijmegen de promotie plaats van F.C. van Boheemen en Th.C.J. van der Heijden. Het resultaat van hun werkzaamheden, waarnaar men in het rederijkersonderzoek reikhalzend had uitgezien, werd daarmee beschikbaar: twee dissertaties in één band (onder de titel Met minnen versaemt) en een overzicht van alle gegevens over Hollandse rederijkers en rederijkerskamers tot in de achttiende eeuw die in de archieven van Zuid- en Noord-Holland te vinden zijn (onder de titel Retoricaal memoriaal). Dat het even duurde voordat deze recensie verscheen, komt doordat de lijvige bronnenuitgave haar waarde het best in de praktijk kon bewijzen. Inmiddels heb ik in het afgelopen jaar herhaaldelijk deze schat aan informatie geraadpleegd en ondervonden hoeveel plezier men hiervan kan hebben.

De tekst van de bronnenuitgave is toegankelijk gemaakt op cd-rom, en wel in MSWord 97, Word Perfect 5.1 (DOS), Rich Text Format, HTML en PDF. Het basisbestand is in vier delen opgedeeld; alleen met het PDF-bestand kan men in de hele tekst zoeken. De zoekmethoden zijn vrij beperkt: men kan alleen zoeken op woorden die in de tekst voorkomen en dan van markering naar markering gaan. Om een voorbeeld te geven: wie wil weten of de Hollandse rederijkers bijzondere activiteiten ontplooiden ter gelegenheid van het pinksterfeest (ze beschouwden de Heilige Geest immers als hun grote inspirator), dient te zoeken met verschillende spellingsvarianten. Via de lettercombinaties ‘pinks’, ‘pinx’ en ‘pincx’ kan men de desbetreffende informatie vinden (‘tsin’, ‘pincs’ en ‘pincks’ leverden geen treffers op). Een nadeel is dat men in een citaat terecht kan komen waarvan de bron bladzijden eerder genoemd is; men moet dus teruggaan in de tekst om na te gaan op welke kamer en welk jaar de informatie betrekking heeft. De gegevens die Van Boheemen en Van der Heijden verzameld hebben, wijzen uit dat sommige kamers inderdaad een bijzondere band hebben met het pinksterfeest, hetgeen soms samenhangt met het vertier dat de jaarmarkt of de kermis rond die tijd biedt.

De waarde van het bronnenonderzoek blijkt ook uit de dissertaties, waarin gebruik gemaakt wordt van de gevonden gegevens om een bepaald thema uit de rederijkersgeschiedenis uit te diepen. Th.C.J. van der Heijden richt zich op de relatie tussen rederijkerskamers, kerk en overheid; F.C. van Boheemen schrijft over de wedstrijden die rederijkers organiseerden en verbindt hier nog een korte uiteenzetting aan over de relatie tussen rederijkers en charitatieve instellingen.

De betrekkingen van rederijkerskamers met kerk en overheid worden gekenmerkt door een aantal paradoxen, die Van der Heijden weet te verhelderen. Rederijkerskamers waren in de vijftiende eeuw vaak gelieerd aan een broederschap en dienden als spreekbuis van de katholieke kerk. Ze luisterden processies op door het opvoeren van toneelstukken die op bijbelse stof waren gebaseerd. Ondanks hun sterke band met de katholieke kerk voelden veel rederijkers zich in de zestiende eeuw sterk aangesproken door het gedachtegoed van de Reformatie. Dit kan worden verklaard uit het feit dat ze zo goed thuis waren in de bijbel en het voor hen niets vreemds had dat leken zich in de volkstaal bezig hielden met bijbelse stof. Het is begrijpelijk dat rederijkers, toen zij zich ontpopten als voorvechters van de Reformatie, uit de gratie vielen in het katholieke milieu waarin ze tot dan toe hadden gefunctioneerd.

Vanaf de twintiger jaren van de zestiende eeuw werden de Hollandse rederijkers door de katholieke overheid in hun activiteiten belemmerd: opvoeringen en wedstrijden werden gecontroleerd of verboden, publicaties werden op de zwarte lijst geplaatst, kamers werden gesloten en de oprichting van nieuwe kamers werd verhinderd. Rederijkers die zich schuldig maakten aan ketterij, werden vervolgd. Desalniettemin werden er ondertussen wel degelijk toneelstukken opgevoerd en wedstrijden georganiseerd dankzij steun van de lokale overheid. Alleen als de landelijke overheid in de persoon van de landvoogdes op maatregelen aandrong, wilde een baljuw wel eens tegen een kamer optreden. De lokale overheid steunde de rederijkerij bovendien zowel in natura (eten en drinken, huisvesting) als met geld (de vergoeding van gemaakte onkosten, belastingvoordeel). Deze subsidie bracht tegelijk een vorm van controle met zich mee: de overheid hield toezicht op de oprichting van nieuwe kamers, het financiële beheer en de toelating van leden. Rederijkerskamers leverden op hun beurt een bijdrage aan het algemeen belang door opvoeringen te houden voor charitatieve doeleinden. Het feit dat de kamers op die manier bijdroegen aan het algemeen maatschappelijk welzijn is een belangrijke reden waarom de kerk er niet in slaagde het verschijnsel rederijkerij definitief uit te roeien. Na de alteratie in 1572 was nog slechts een enkele kamer katholiek. In plaats van de katholieke kerk was nu echter de gereformeerde kerk een fervent bestrijder van de rederijkersbeweging. Op vrijwel elke synode werd de kwestie ‘rederijkers’ (of toneel in het algemeen) in negatieve zin aan de orde gesteld en de kerkeraden probeerden via de wereldlijke overheid maatregelen tegen rederijkers te nemen, zoals het ontzeggen van oefenruimte. Ook had de kerk haar eigen machtsmiddelen: hardnekkige rederijkers konden worden uitgesloten van het avondmaal en zelfs worden afgesneden van de gemeente. Baljuws en schouten bleken wederom vaak toleranter te zijn dan de landelijke overheid en de kerk. Ondanks plakkaten en verboden konden rederijkers nog steeds rekenen op subsidies en werd ze bij het organiseren van opvoeringen geen strobreed in de weg gelegd. Van der Heijden geeft een goed inzicht in de problematiek rond de rederijkersbeweging in een politiek en godsdienstig woelige periode.

Van Boheemen boog zich over het wedstrijdmateriaal. Hij richt zich vooral op de organisatie van de wedstrijden en beantwoordt vragen als wie er wanneer een wedstrijd organiseerde, wie eraan deelnamen, welke prijzen vergeven werden, of er nog wedstrijdbundels van bewaard zijn, wat de opdracht was en dergelijke. Dankzij het grondige archiefonderzoek heeft Van Boheemen veel meer wedstrijden weten te traceren dan tot nu toe bekend waren. Hij komt op een totaal van minimaal 141, maar misschien wel meer dan 167 wedstrijden voor de hele onderzochte periode. Het brede onderzoek maakt het mogelijk tendensen waar te nemen in de vereisten voor een wedstrijd: werd men eerst vooral uitgenodigd om een spel van zinne op te voeren, later wordt de voordracht van refreinen een belangrijk onderdeel van de wedstrijd, en (zoals Van Boheemen schrijft) ‘naarmate de zeventiende eeuw vordert, komen we meer en meer onderdelen tegen die zich in de marge van het strikt literaire bevinden’, zoals vaandelslingeren of balslaan. Een andere tendens heeft betrekking op de deelname. Terwijl wedstrijden aanvankelijk uitsluitend bestemd waren voor leden van Hollandse kamers, zijn in de loop der jaren ook deelnemers uit andere gewesten welkom en tevens dichters die niet bij een kamer zijn aangesloten (de ‘particulieren’). In de tweede helft van de zeventiende eeuw krijgen de wedstrijden dan weer een sterk kleinschalig en regionaal karakter.

Bij het lezen vielen enkele discrepanties op tussen de bronnenuitgave en het dissertatiedeel. Eén van de vele verdiensten van het archiefonderzoek is de opheldering rond een Goudse wedstrijd in 1585. Deze was alleen bekend dankzij een uitgave van de bijdragen in 1611, zodat niet alleen de zeventiende-eeuwse censuurcommissie, maar ook latere onderzoekers ervan uitgingen dat de wedstrijd in dat jaar had plaatsgevonden. Hoewel in de bronnenuitgave blijkt dat het juiste jaar 1585 is (p. 286-287), wordt de wedstrijd niet genoemd in het wedstrijdenoverzicht van Van Boheemen, niet bij 1585 en niet bij 1611 (p. 272 en 307). Een andere discrepantie betreft het ontstaansjaar van de Dordtse kamer. In het bronnendeel wordt als vroegste jaartal 1460 genoemd (p. 222), maar dit jaartal wordt (als waarschijnlijke vergissing van Schotel) verworpen door Van Boheemen in zijn dissertatiedeel, ten gunste van het jaar 1485 (p.183). Ook de ontstaansjaren die hij noemt voor de kamers van Goedereede en ’s-Gravenzande (p. 183, noot 357) komen niet overeen met de jaartallen die genoemd worden in de bronnenuitgave (p. 244 en 336).

Tot slot enkele opmerkingen van redactionele aard. Soms is er sprake van verdubbeling van de informatie. Zo wordt als voorbeeld van een interne wedstrijd een wedstrijd genoemd die in Hoorn in 1646 werd georganiseerd, waarna opgemerkt wordt dat dit niet de enige interne wedstrijd was: zo werd er in Hoorn in 1646 ook een georganiseerd. Dezelfde informatie wordt bovendien in gelijke bewoordingen in de voetnoten gegeven (Met minnen versaemt, p. 200-202, noot 413 en 417). In de bibliografie worden sommige titels tweemaal gegeven. Het is voorstelbaar dat men bij zo’n reusachtige onderneming het overzicht soms wat verliest, maar het geheel had dus iets dunner kunnen zijn. Het dissertatiedeel is alleen ontsloten door een register op plaatsnamen. Dat levert voor Leiden maar liefst 217 paginanummers op, zonder nadere specificatie van de aard van de informatie die men daar aantreft. Ten slotte zou het in de papieren uitgave van het bronnenboek prettig zijn geweest als in de koptekst van iedere pagina een korte aanduiding van de plaats en het jaartal was geplaatst, om een snelle oriëntatie te bevorderen. Uit deze laatste opmerkingen blijkt hoe gevaarlijk het is om de(ze) lezer te verwennen met een boek dat zoveel biedt: het voedt diens gemakzucht, terwijl gepaste eerbied voor deze titanenarbeid op zijn plaats is. Alsof het allemaal nog niet mooi genoeg is!


| MNL Homepage | TNTL |