TNTL 117/2

W.J.J. Pijnenburg

Oude woordlagen in de zuidelijk-centrale dialecten / door A.A. Weijnen. - Amsterdam : Meertens Instituut, 1999. - XVI, 114 p. : ill., krt. ; 24 cm. - (Publicaties van het Meertensinstituut ; dl. 30)

ISBN 90-70389-59-2 Prijs niet opgegeven

[N.B. Deze bespreking bevat speciale tekens die niet door Netscape weergegeven kunnen worden. Zie de pdf-file voor de juiste weergave.]

Petit point is een term voor het echt fijne borduurwerk uitgevoerd met een halve kruissteek, zodat er veel op een vierkante centimeter gaan. Zo krijgt men een fijngetekende voorstelling, waarin alle nuances kunnen worden uitgedrukt. Een voorbeeld van vergelijkbaar taalkundig ciseleerwerk is Weijnens Oude Woordlagen in de zuidelijk-centrale dialecten. Dit boek, dat Weijnen in zijn negentigste levensjaar publiceerde in ‘nostalgisch terugdenken’ aan zijn dissertatie, handelt over gelaagdheid in de woordenschat van de zgn. Brabantse dialecten. Het voorwerk bevat een Voorwoord (p. vii-ix), een Literatuurlijst (p. x-xv) en een Lijst van kaarten (p. xvi). Het eigenlijke werk heeft een Inleiding (p. 1-7) en behandelt vervolgens de geschiedenis van de Brabantse woordenschat in negen hoofdstukken met de nadruk op het diachrone aspect (p. 8-90) en in nog eens zes hoofdstukken waarin ook aandacht wordt geschonken aan diatopische verscheidenheid en aan ontleningsrelaties (p. 91-101). De hoofdstukken VII en VIII, die resp. de invloed van het christendom en de taalkundige gevolgen van ontginning en herkolonisatie als onderwerp hebben, zijn te beschouwen als een concommittant verschijnsel in de ontwikkelingsgang van het Brabants tot het midden van de veertiende eeuw. In een hoofdstuk XVI Tot besluit wordt het gehele boek nog eens overlopen. Oude Woordlagen [...] wordt voltooid door een Register van zuidelijk-centrale dialectwoorden (p. 110-114) met 418 items.

Weijnens hoofdaandacht is hierbij uitgegaan naar de mogelijkheden om ‘het verschil in ouderdom van een aantal niet tot het ABN behorende erfwoorden vast te stellen’ (p. viii). Hij reikt ons hiertoe een aantal ijkpunten aan waarmee we een zinvolle periodisering van de Brabantse woordenschat kunnen aanbrengen. Deze zijn deels van extra-linguistische aard, deels ook gebaseerd op onze kennis van de historische grammatica van het Nederlands en zijn directe voorgangers.

Zo is het voorkomen van het (Zeeuwse) werkwoord slechten voor ‘eggen’ in westelijk Noord-Brabant terug te voeren op herkolonisatie vanuit Zeeland van het noordwestelijke veengebied in de periode 1245-1350. Daarentegen is de ontlening wouwer ‘vijver’, met anlautende w- naast jonger vijver met anlautende v- (beide uit Latijn uīuārium) als de oudere aan te merken, omdat zij blijkbaar stamt uit een periode dat de Latijnse consonantische <u> nog als [w] klonk en nog niet overgegaan was in [v]. De ontlening van wouwer (*wīwari- > Onl. *wīwar > wūwar (ronding) en wouwer (diftongering)) moet dus al vóór de tweede eeuw na Christus hebben plaatsgevonden.

Anders dan in zijn Nederlandse Dialectkunde (2e druk, 1966) begint Weijnen in Oude Woordlagen [...] bij de oudste lagen en werkt naar het heden toe.

Van belang hierbij is ook het eerste hoofdstuk, waar wordt gekeken naar de taalkundige situatie waarmee de binnenvallende Germanen werden geconfronteerd. Het substraat van het Brabants moet Keltisch geweest zijn, danwel -- om de vele substraatwoorden met p- te verklaren -- de taal van het p-volk, een Germaans noch Keltisch volk van Indo-europese origine. De taal van dit volk wordt door Gysseling Belgisch genoemd. Tot deze p-woorden behoren pag ‘tuierpaal’, plag ‘zode’, plegger ‘schort’ en eventueel plug ‘vlug’. Deze woorden, die men tot de oudste laag rekent, maar die volgens de wetten van de eerste (Germaanse) klankverschuiving niet zonder meer tot een Indo-europese grondvorm kunnen worden herleid, krijgen dan in tweede instantie, via de p-taal (het Belgisch) toch nog hun verklaring.

In het tweede hoofdstuk De Eerste Germaanse Occupatie hanteert hij het volgende criterium: wanneer een Nederlands (en Brabants) woord in het Oudsaksisch, het Oudhoogduits en het Oudengels (en het liefst natuurlijk ook in het Oudnederfrankisch en Oudfries) voorkomt, geldt het als een woord dat met de oudste Germanen in onze streken is meegekomen (p. 11). Men is even geneigd om te denken dat het dan uitsluitend westgermaanse woorden betreft en dus niet per se ook gemeengermaanse woorden, maar dat is ook de bedoeling. Het is het samenkomen van de plaats (de lage landen aan de zee) en het volk (een deel van de westgermaanse taalgemeenschap), dat de voorwaarden voor het latere Nederlands (Brabants) heeft geschapen.

Het derde hoofdstuk Romeins en Romaans geeft een impressie van de Latijnse en jongere romaanse leenwoorden in de periode tot en met het Oudnederlands. Deze zijn over het algemeen goed te dateren, omdat de contemporaine ontwikkeling in de Romania goed bekend is. Het reeds genoemde wouwer stamt van een oudere ontlening aan Lat. uīuārium, met Latijn u-consonans = Germaans [w], dan vijver uit Lat. vīvārium met Lat. [v] = Germ. [v]. De overgang van Lat. [w] tot Lat. [v] heeft tussen 200 en 400 na Christus zijn beslag gekregen. Met dit gegeven kunnen dus zowel wouwer als vijver in hun periode worden geplaatst. Wellicht is het goed nog even op te merken dat met de ontwikkeling van [w] tot [v] het foneem ook zijn sterk rondende invloed op de voorgaande vocaal verloor, zodat de lange [i] niet meer eerst tot lange [u] werd, maar met de overgeleverde vocaal rechtstreeks kon diftongeren: vijver.

Hoofdstuk IV behandelt de Franken en het daarmee verbonden delicate probleem van de continuïteit in de bewoning van Brabant. Zijn met de Romeinen in de vierde eeuw ook alle niet-romeinse bewoners weggetrokken, of is de Germaanse bevolking gebleven en werd met de komst van de Franken het Germaanse element nog versterkt. Feit is dat deze tweede Germaanse golf (in welke verhouding dan ook tot de eerste staand) in de woordenschat zijn sporen heeft nagelaten.

Als aanwijzing voor de beslissing dat een dialectwoord niet met de oudste Germanen maar pas met de Franken in de Nederlanden is gekomen, zie ik het feit dat het woord binnen het Germaans behalve in het Nederlands en / of het Rijnlands alleen nog in het hoogduits [sic] voorkomt (en uiteraard niet de kenmerken van latere ontlening aan het Duits draagt). De bewijskracht wordt nog aanzienlijk sterker als het woord ook als Germaanse ontlening in het Oudfrans is binnengedrongen [...] (p. 39).

Tot deze groep woorden horen onder andere maal ‘jonge koe’, bijs ‘bui’ en graaf ‘sloot’.

De culturele, economische en linguistische eenheid, die sinds circa 550 rondom de Noordzee ontstaat, had zijn invloed op de taal in de Nederlanden, allereerst natuurlijk in het westen. De hiermee verbonden typische taalkundige verschijnselen worden ingweonismen genoemd. Hierover handelt hoofdstuk V. Met de bespreking van deze ingweonismen behandelt Weijnen een periode die deels samenvalt met de Oudnederlandse periode, waaraan hoofdstuk VI is gewijd. Weijnen rekent tot het Oudnederlands de taalfase tussen 476 (val van het West-Romeinse rijk) tot circa 1150 (verdoffing van de onbeklemtoonde lettergrepen). Men kan zich afvragen of het niet beter was geweest de hoofdstukken V en VI in omgekeerde volgorde te behandelen. Oudnederlands, en daarbinnen het Oudbrabants, zet toch allereerst de Frankische lijn door, terwijl voor het Brabants ingweonismen eerder een randverschijnsel zijn.

Tot deze Oudnederlandse periode wordt een woord gerekend, als ‘het een erfwoord is en het woord alleen in het Nederlands is geattesteerd, terwijl wij geen speciale redenen hebben om het als door Franken of andere stammen meegebracht te beschouwen’ (p. 57). Het betreft onder andere hesp ‘ham’, ang ‘arend van een zeis’, beemd ‘hooiweide’.

Een sociolinguistische invalshoek heeft hoofdstuk VII Invloed van het Christendom. De relevante periode valt ook deels samen met het Oudnederlands, namelijk de periode van de Angelsaksische zending met aansluitend de invloed van merovingische en karolingische abdijen, deels zelfs nog met de periode van de eerste christianiseringsgolf (vgl. Sint Servaas, bisschop van Tongeren, gestorven op 13 mei 384). Het betreft dan voornamelijk woorden uit de eredienst en begrippen rond de activiteiten van de kloosters.

In aansluiting bij dit laatste wordt in hoofdstuk VIII de woordenschat uit de periode van de ontginning en herkolonisatie bekeken. Bij beide spelen twee aspecten een rol: het genre woord (christelijke term, term uit de ontginning en landbouw door de monniken) en de verspreiding van dat woord, dat door die ontginningen en herkolonisatie mee naar een nieuwe plaats werd genomen. De duur van deze periode schat Weijnen op ongeveer 800 jaar, namelijk van 550 tot 1350. Het betreft woorden uit gebieden waarvan met behulp van de archeologie, de topografie en de geschiedenis kan worden aangetoond dat ze in de betreffende periode zijn bevolkt: deze woorden kunnen daar dus niet ouder zijn dan de tijd van de kolonisatie. Het betreft woorden als angelog ‘erf’, bijvang ‘voorerf’ en slechten ‘eggen’.

Maar ook voor latere tijden moeten we tot concrete dateringen komen. Hiervoor geldt als regel dat als een woord in het Brabants van beide zijden van de rijksgrens is opgetekend, dit woord wel van voor 1648 moet zijn. Hierover handelt hoofdstuk IX, Het Middelnederlands. Het moeilijkst is hierbij een grens te trekken tussen Oud- en Middelnederlands, een grens die er als zodanig niet is. Het gaat dan om afleidingen en (verholen) samenstellingen, waarvan de vorming eerst in de Middelnederlandse periode heeft kunnen plaatsvinden. Weijnen noemt eeuwsel 'voederweide' (naast het ww. eeuwen en het znw. eeuwte), moezik ‘aalt, gier’ een samenstelling met zeik als tweede lid en herder nieuwvorming ter vervanging van ouder herde ‘herder’.

De laatste zes hoofdstukken handelen over beïnvloeding en beïnvloedbaarheid. Daarbij spelen de termen expansie, consistentie en leenwoord een rol: Hoofdstuk X gaat in op de Vlaamse expansie, hoofdstuk XI op de Brabantse consistentie, hoofdstuk XII op de Antwerpse expansie, hoofdstuk XIII op Hollandse invloed, hoofdstuk XIV op Franse invloed en ten slotte hoofdstuk XV op de Duitse invloed op de Brabantse woordenschat. Wat de Brabantse consistentie betreft, kan erop gewezen worden dat er dialectkaarten zijn, ‘waarop een beeld naar voren komt dat vrij duidelijk in overeenstemming is met de omgrenzing van het oude hertogdom Brabant, al vanaf de dertiende eeuw’ (p. 84). Dit veronderstelt dat er expansiecentra waren binnen het hertogdom (Antwerpen, Brussel, Leuven) die een verschijnsel konden uitstralen, ‘dat praktisch alle zuidelijk centrale dialecten (en ook weinig meer) bestrijkt’ (p. 84).

‘Het boek is uiteindelijk voor vakgenoten bedoeld’, zegt Weijnen op p. viii en het heeft als opzet ‘een bijdrage te leveren tot de stratificatie van de dialectwoordenschat, vooral wat de erfwoordenschat betreft, van de zuidelijk-centrale dialecten’.1 Het betoog wordt aanschouwelijk gemaakt door een aantal kaartjes die, met uitzondering van de kaarten no. 8 en 16, goed te lezen en te interpreteren zijn.

Oude Woordlagen [...] is een bezonnen overzicht over een deel van de Nederlandse, i.c. de Brabantse woordenschat in zijn chronologische opbouw. Zonder speculatieve bespiegelingen, maar met een gedegen argumentatie die is gepuurd uit een periode van wetenschapsbeoefening die bijna een eeuw overblikt. Het is gebaseerd op een goed geheugen voor details en een geordend kaartsysteem. Grote lijnen kunnen immers alleen maar getrokken worden, als er veel details voorhanden zijn. Over het gebruikte materiaal zegt de auteur (p. viii-ix), dat dit hoofdzakelijk bestond uit gegevens van gepubliceerde lexicologische dialectkaarten uit diverse taalatlassen, ‘honderden handschriftelijke kaarten die Van Ginneken destijds door zijn secretaresse heeft laten tekenen op grond van de antwoorden op de enquêtes Kern, Te Winkel en Willems en zijn eigen Nieuwe Eeuw-enquête’ (p. viii-ix). Het is materiaal dat geïnterpreteerd en aangevuld is met parate kennis: ‘Uiteraard [...] heb ik gebruik gemaakt van wat ik mij, ook bv. uit Leuvense Bijdragen, de RND en de HCTD herinnerde’ (p. ix). Er zijn uit het oeuvre van Weijnen talrijke publicaties aan te halen, waarvan de essentialia hier weer aan de orde komen. Ik noem slechts Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937), De dialecten van Noord-Brabant (tweede druk, 1987) en het Etymologisch dialectwoordenboek (1996). In die zin is het ook een synthese van het werk van de dialectoloog Weijnen, die zijn grootste expansie beleefde met zijn Atlas Linguarum Europae, maar ‘in een nostalgisch terugdenken’ weer terugkeerde naar zijn Brabantse dialecten, deze keer niet alleen de Noord-Brabantse, maar alle Brabantse (zuidelijk-centrale) dialecten.



Noot

1 Hier en daar trof ik nog wat zetfoutjes aan b.v. op de pp. 72-79: bloofgelegd i.p.v. blootgelegd (p. 72, r. 9 van boven), onmiddelijk i.p.v. onmiddellijk (p. 74 r. 2 van boven); ’s-Hertogenboch i.p.v. ’s-Hertogenbosch (p. 75, r. 2 van onder en nogmaals op p. 76, r. 8 van boven), ... in het moeilijk uit te maken ... i.p.v. ... is het moeilijk uit te maken (p. 78 r. 7 van boven) en geem i.p.v. geen (p. 79, r. 2 van onder).


| MNL Homepage | TNTL |