TNTL 117/2
Eddy Verbaan
Boekencensuur in de Noordelijke Nederlanden : de vrijheid van drukpers in de zeventiende eeuw / Ingrid Weekhout. - Den Haag : Sdu Uitgevers, cop. 1998. - XVI, 580 p. : ill. ; 24 cm. - (Nederlandse cultuur in Europese context ; 11. IJkpunt 1650). Ook verschenen als proefschrift Katholieke Universiteit Nijmegen, 1998
ISBN 90-12-08617-5 Prijs: ƒ49,50
Nederlanders. Immigranten ontvangen zij met open armen, hoerhuizen staan zij oogluikend toe en controversiële teksten drukken zij zonder blikken of blozen. In de zeventiende-eeuwse Republiek heersen vrijheid en tolerantie. Vroeger schreven we dat toe aan onze ingeboren vrijheidszin: ‘La liberté a été en Hollande un besoin de nature’, noteerde een zekere Louis Fortoul in 1884 (p. 1). Tegenwoordig zien we het eerder cynisch, als een gevolg van nuchter pragmatisme en een gedecentraliseerd staatsbestel: de verboden en bepalingen waren niet van de lucht, maar de ogen werden gesloten als het ging om politiek of geldelijk gewin. Bovendien maakte de voortdurende competentiestrijd tussen de steden en gewesten onderling en tussen de wereldlijke en kerkelijke overheden de zaken extra ingewikkeld. Officieel was de ‘vrijheid’ aan banden gelegd, maar de soep werd niet zo heet gegeten als ze werd opgediend.
Het zeventiende-eeuwse boekenbedrijf is hier een uitstekend voorbeeld van: de censuurwetgeving stond de vrijheid van drukpers de jure maar in veel mindere mate de facto in de weg. Een simpele constatering die evenwel vragen oproept: hoe groot was die drukpersvrijheid en waaruit sproot zij voort? Die vragen liggen ten grondslag aan het proefschrift van Ingrid Weekhout: Boekencensuur in de Noordelijke Nederlanden met de juistere ondertitel De vrijheid van drukpers in de zeventiende eeuw.
Hoewel Weekhout de uitgangspunten van haar onderzoek wat ongelukkig formuleert (zij wil met haar boek vooral de opvatting bestrijden dat er sprake was van een zeer grote drukpersvrijheid als gevolg van een ‘principiële vrijheidsbehoefte’) is haar boek niet van belang gespeend. Aan de uitvoeringspraktijk van de censuurmaatregelen was tot nu toe nauwelijks aandacht besteed en de situatie in de steden was überhaupt onderbelicht gebleven. Toch moesten juist daar interessante en belangrijke gegevens te vinden zijn. Eerder onderzoek van A.H. Huussen had dat al voor Groningen aangetoond (‘Censuur in Stad en Ommelanden van Groningen 1594-1795’. In: Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis 2 (1995), p. 13-33). Om in die lacunes te voorzien, heeft Weekhout onderzoek gedaan in de archieven van de uitvoerende censuurinstanties op federaal, gewestelijk en stedelijk niveau. Daarbij beperkte ze zich tot de Staten-Generaal en de provincie Holland (hoofdstuk 1), tot de steden Rotterdam, Deventer en Den Bosch (hoofdstuk 3, 4 en 5), en tot vier periodes waarin de roerige tijden veel censuur deden vermoeden (1617-1625, 1647-1655, 1667-1675, 1687-1695). Aan de Nederduitse en Waalse Gereformeerde kerken wordt apart aandacht besteed (hoofdstuk 2). In ieder hoofdstuk confronteert Weekhout de wetgeving, geplaatst binnen de politieke en historische situatie, met de door het archiefonderzoek verkregen inzichten in de uitvoeringspraktijk.
Het archiefonderzoek is door zijn uitvoerigheid en systematische aanpak één van Weekhouts troeven. De geraadpleegde bronnen zijn zorgvuldig verantwoord. Heel nuttig is een overzicht van ‘nulresultaten’ in de bijlagen. Mooi is ook een chronologisch overzicht van door de centrale en Hollandse overheid verboden boeken. Dat overzicht behelst een verbetering van de gezaghebbende lijst van Verboden boeken in de Republiek der Vereenigde Nederlanden die W.P.C. Knuttel in 1914 publiceerde. Tussen 1576 en 1700 telde Weekhout 263 censuurmaatregelen; Knuttel telde er slechts 146 – deels omdat hij geen volledig archiefonderzoek deed, deels omdat hij andere criteria hanteerde.
Weekhout verduidelijkt dat de Staten-Generaal zich terughoudend opstelden en doorgaans het initiatief van Holland volgden, de provincie waar de meeste drukkers gevestigd waren. Bovendien blijkt uit het materiaal dat de censuurwetgeving in de loop van de zeventiende eeuw steeds meer werd beschouwd als een gewestelijke (en stedelijke) aangelegenheid. Naast de wetgeving van de Staten-Generaal voerde ieder gewest dan ook een eigen beleid. De provinciale Staten bepaalden de strafmaat van de federale plakkaten en zij vaardigden zelf plakkaten uit of veroordeelden in resoluties specifieke werken. In principe traden zij alleen op tegen ‘de allerergste uitwassen’: drukwerk dat de interne rust of de veiligheid van de staat bedreigde. Soms gingen zij tot actie over als de klachten van buitenlandse gezanten of de synodes niet waren te negeren.
De meeste verboden, zo analyseert Weekhout de opgestelde lijst, betroffen dan ook werken in de politieke sfeer (ruim twee derde). Tijdens de bestandstwisten werden bovendien veel boeken in de politiek-religieuze sfeer door een maatregel getroffen. Censuur op zuiver godsdienstige literatuur vond slechts plaats op beperkte schaal. De wereldlijke overheden die in Weekhouts boek de revue passeren, trokken zich weinig aan van de kerkelijke vertegenwoordigers en rekenden zaken als censuur tot hun eigen, unieke competentie. Zij speelden de synodes en kerkenraden vooral zoethoudertjes toe: ze deden loze toezeggingen en traden zo nu en dan op milde wijze tegen dissenterse werken op. De kerk zelf verplichtte haar lidmaten hun geschriften voor te leggen aan speciaal benoemde visitatores librorum. Dat verliep uiterst moeizaam en leidde -- vanzelfsprekend -- tot tal van onderlinge conflicten.
Hoewel de uitgevaardigde censuurmaatregelen door hun stringente formulering weinig aan duidelijkheid te wensen overlieten, schortte het in de praktijk aan een efficiënte uitvoering. Van een structurele opsporing van gevaarlijk drukwerk was nauwelijks sprake. Daarvoor ontbrak een goed functionerend ambtenarenapparaat. Om het toeval een handje te helpen, werden premies uitgeloofd aan verklikkers.
Ook het stedelijke particularisme gooide roet in het eten. Hadden de Hollandse Staten eenmaal besloten tot het verbieden van bepaalde geschriften, dan werd het Hof van Holland ingelicht. Als het nodig was, gaf het zijn officieren de opdracht een onderzoek in te stellen en de verboden boeken in beslag te nemen. Bovendien kregen de steden het bevel tegen het drukwerk op te treden. Maar deze gaven lang niet altijd gehoor. Zo hield de stad Haarlem haar courantier Abraham Casteleyn de hand boven het hoofd. Regelmatig publiceerde hij resoluties en ander geheim staatsnieuws in zijn Oprecht Haerlemsche courant. Het Hof van Holland wilde hem daarvoor in Den Haag berechten, maar de Haarlemse burgemeesters lieten weten dat dat tegen het Haarlemse burgerrecht indruiste: op grond van het jus de non evocando kon Casteleyn alleen voor een Haarlemse rechter verschijnen (p. 71-72). Het censuurprincipe zwoor de Haarlemse magistraat zeker niet af. Zij gaf Casteleyn onder meer de instructie geen ‘saacken raackende dese stadt’ op te nemen (p. 80). Er was dan ook een machtsprincipe in het geding: de bescherming van de stedelijke privileges.
De steden hadden immers het recht zelf censuurkeuren uit te vaardigen en censuurzaken af te handelen waarbij ingezetenen betrokken waren. Vooral Rotterdam, de grootste drukkersstad uit Weekhouts corpus, maakte van die rechten gebruik. De stad hield de producten van de drukpers nauwlettend in de gaten, vaardigde censuurkeuren uit en bracht sommige boosdoeners zelfs voor de schepenbank. Rotterdam was zo aan die rechten gehecht, dat de stad meermaals verwikkeld raakte in jurisdictieconflicten met de Staten. De magistraat weigerde bijvoorbeeld in een censuurzaak uit 1694 belangrijke papieren aan het Hof af te staan omdat dat in strijd was met de stedelijke voorrechten en privileges (p. 78-79, 209-210).
De censuurwetgeving en -uitvoering in de steden werd vooral bepaald door de politieke situatie van het moment en door de politieke en godsdienstige opvattingen van de zittende magistraatsleden. Zo werd in 1617 door Rotterdam een vervolging ingesteld van de fanatieke predikant Adriaan Jansz Smout, maar na de ‘wetverzetting’ door Maurits werd hij snel in ere hersteld (p. 174-175). De langlopende kwestie rond de boekverkoper-drukker Johannes Naerenus, die Weekhout uitvoerig beschrijft (p. 181-189, 195-206), toont aan dat censuurkwesties zelfs aanleiding konden zijn tot een factiestrijd binnen de stadsregering.
De provinciesteden Deventer en Den Bosch vertonen hetzelfde beeld, al stond de stedelijke censuur hier op een aanzienlijk lager pitje dan in Rotterdam en kwamen er nauwelijks jurisdictieconflicten en gerechtelijke procedures voor. In Den Bosch lijken de aangetroffen censuurkwesties doorgaans ‘randverschijnselen’ te zijn van de machtsstrijd binnen magistraat en kerkenraad, zoals Weekhout concludeert. Interessant materiaal levert vooral Deventer op. Hier werd in 1630 een ‘Schoolraad’ ingesteld, bestaande uit twee bestuurders, twee predikanten en twee gemeensmannen (vroedschappen). De Schoolraad kreeg het recht om alle in Deventer te drukken boeken van tevoren te beoordelen. Of de manuscripten die ter visitatie werden aangeboden ook daadwerkelijk op inhoudelijke gronden werden afgekeurd, valt op grond van de archieven niet uit te maken. Tot gerechtelijke procedures leidde de regeling niet, en als er in Deventer besloten werd tot sancties, was het de magistraat die ervoor zorgdroeg. Hoezeer ook hier de bijzondere voorkeuren van de magistraat het censuurbeleid bepaalden, blijkt uit een politiek geladen maatregel uit 1668. Toen brachten de gewestelijke twisten in Overijssel -- er waren in die tijd twee Statenvergaderingen -- de Deventer magistraat ertoe een pamflet van de tegenpartij te veroordelen tot publieke verbranding. Dat kwam Deventer overigens tot een felle briefwisseling met de magistraat van Zwolle te staan, een stad die in de twisten lijnrecht tegenover Deventer stond (p. 163-269).
Hoewel Weekhout haar boek besluit met de conclusie dat de drukpersvrijheid ‘belangrijke en niet te onderschatten beperkingen’ kende, was het aantal censuurkwesties beperkt. Zelfs voor de Maasstad wijst Weekhout nog geen twintig concrete gevallen aan, die bovendien niet allemaal uitmondden in daadwerkelijke bestraffingen. Ter vergelijking: in de periodes die zij behandelt, verschenen er meer dan 800 werken in Rotterdam (opgave STCN). Bovendien waren de opgelegde straffen door de band genomen vrij mild, zoals Weekhout concludeert, en een eenmaal opgelegde straf was vaak moeilijk te controleren: verbanningen werden genegeerd en een verboden tekst kon verschijnen in een andere taal of met een andere titel zonder dat dat onmiddellijk in het oog sprong. Dat neemt niet weg dat er voortdurend een waakzaam oog was dat soms wel degelijk ingreep: vermaningen, inbeslagname, boetes en verbanningen hoorden tot de donderwolken die een drukker boven het hoofd hingen. Een boekverkoper zal dan ook rekening hebben gehouden met het gewestelijke en vooral stedelijke machtsspel. Want wie op de tenen van de machthebbers trapte, kon rekenen op moeilijkheden. Moeilijkheden die niet altijd de archieven haalden en die zich dus voor een deel aan ons blikveld onttrekken.
Wat wel in die archieven terug te vinden was, heeft Weekhout verwerkt in een rijk en informatief boek. Daarmee beschikken we voor het eerst over een verantwoord overzicht van de censuurpraktijk, niet in de laatste plaats op het stedelijke niveau. Naast alle lof is een kanttekening echter op zijn plaats. Weekhout streeft in de beschrijving van wetgeving en uitvoering eerder naar een uitputtende opsomming van reglementen en voorvallen, dan naar een betoog waarin de hoofdlijnen met voorbeelden worden geïllustreerd. In aparte paragrafen behandelt zij voor elke periode de aangetroffen censuurkwesties. Die paragrafen worden met een samenvattende ‘tussenbalans’ afgesloten. De hoofdstukken eindigen met opnieuw een ‘samenvatting en conclusie’. In de ‘slotbeschouwing’ komen alle samenvattingen nog eens samen en worden de globale conclusies getrokken. Een werkwijze die weliswaar systematisch is en te verdedigen valt, maar die niet altijd in het voordeel van de lezer uitpakt. Het is een kleine smet op een interessante studie die hopelijk uitnodigt tot verder onderzoek. Daarvoor zijn de fundamenten gelegd.
| MNL Homepage | TNTL |