TNTL 117/2

H.T.M. van Vliet

Tegen het leven is niet te strijden : briefwisseling 1889-1910 / Christien Vierhout & Maurits Wagenvoort ; bezorgd door Rob van de Schoor. - Nijmegen : Vantilt, cop. 1999. - 254 p., [8] p. pl. : ill. ; 20 cm

ISBN 90-75697-20-1 Prijs: ƒ 39,90

Geest, koolzuur en zijk : briefwisseling van Erich Wichman / verz. en toegel. door F.J. Haffmans. - Westervoort : Van Gruting, 1999. - 312 p. : ill. ; 25 cm

ISBN 90-75879-05-9 Prijs: ƒ 59,90

In 1999 verschenen kort na elkaar twee brievenedities van literaire randfiguren. Rob van de Schoor bezorgde de briefwisseling tussen Maurits Wagenvoort (1859-1944) en de Amsterdamse onderwijzeres Christien Vierhout en Joep Haffmans maakte een uitgave van de brieven van Erich Wichman (1890-1929). Gegeven de vele ongepubliceerde brieven van belangrijke(re) auteurs die in verschillende archieven worden bewaard, is het gerechtvaardigd te vragen naar de zin van juist deze twee uitgaven. Alleen Van de Schoor gaat hierop in. Hij geeft toe dat Wagenvoort als roman- en toneelschrijver geheel is vergeten. Al in zijn eigen tijd werd hij -- overigens ten onrechte -- als een soort tweederangs Couperus beschouwd. De beide auteurs gingen weliswaar vriendschappelijk met elkaar om en de figuur van ‘vriend Jan’ die in verschillende feuilletons van Couperus optreedt, schijnt op Wagenvoort geïnspireerd te zijn, maar voor het overige hadden ze weinig gemeen. Hun bewondering voor Zola en hun reislust deelden ze met talloze tijdgenoten. Wagenvoort en Couperus zijn noch wat hun werk noch wat hun persoon betreft vergelijkbaar.

Volgens Van der Schoor is Wagenvoort ‘vooral interessant als het type van de journalist-met-kunstenaars-ambities’ (p. 17) en hij wijst op Wagenvoorts verdienste als vertaler van Walt Whitman. Wagenvoort ontdekte de poëzie van Whitman op zijn reis door Amerika in 1892. Hij begon aan de vertaling van de bundel Leaves of Grass in 1893/94 tijdens een verblijf te Berlijn. De briefwisseling biedt ‘bijzonder interessante informatie’ (p. 18) over de vertalingen. Het belang hiervan is echter -- ook literair-historisch gezien -- beperkt. De Amerikaanse dichter van het grote gebaar en de luide stem is in Nederland nooit echt doorgebroken en Wagenvoorts vertalingen hebben daaraan niet veel kunnen veranderen. Inmiddels is Whitman ook in eigen land geheel overvleugeld door zijn tijdgenote Emily Dickinson.

Bij zijn vertalingen kreeg Wagenvoort hulp van Christien Vierhout. Hij had haar leren kennen door zijn zusters die met haar bevriend waren. ‘Stijntje’ zoals ze in de brieven wordt genoemd, corrigeerde Wagenvoorts vertalingen, gaf kritiek op zijn ander werk en steunde hem zoveel mogelijk bij het publiceren ervan in kranten en tijdschriften. Van der Schoor vermoedt dat zij verliefd was op Wagenvoort. De niet-beantwoorde liefde werd een hechte vriendschap die duurde tot haar dood in november 1910. De editeur meent dat Vierhouts correspondentie met Wagenvoort een interessant beeld geeft van een intelligente vrouw uit het fin de siècle. Maar juist het tijdsbeeld komt in de brieven weinig naar voren. Ik geloof ook niet dat Christien Vierhout een buitengewone representante is van een uitzonderlijke groep of klasse uit die tijd. De correspondentie overstijgt zelden het particuliere niveau. Wagenvoort is in de brieven soms een hoogst irritante schoolmeester die zijn meningen dwingend wil opleggen en Christien Vierhout geeft blijk van tamelijk bekrompen vooroordelen die afbreuk doen aan de haar toegeschreven intelligentie. Zo schrijft zij in februari 1908: ‘Over ’t algemeen bevalt ’t me niet dat de Joden zich tegenwoordig zoo meester maken van onze litteratuur. Querido, Heijermans, Goudsmit, de Haan, d’Oliveira en er zijn er meer! Dat is geen eigenlijk Nederlandsch werk: daarvoor blijven hun raseigenaardigheden te sterk sprekend. Ik ben geen antisemiet, dat kan je weten, maar dat naar voren dringen, dat overvleugelen, kan ik niet best hebben, al wekt het aan den anderen kant mijn bewondering. Ze hebben zich meester gemaakt van heele buurten: ze vreten om zoo te zeggen overal in en door; Artis is haast heelemaal een Jodenvereeniging. In den winkelhandel: Hoisch, Gerzon, Metz, de Vries maken de beste zaken. (Van groothandel weet ik niet genoeg.) En -- als hun werk, hun artikelen nu inderdaad het best waren! Maar neen, ’t is een soort slag, een naammakerij door wat poeha en opzichtigheid, ook in de letterkunde. Dan dat gecoquetteer met hun godsdienst (waarvan ze geen trouwe volgelingen meer zijn!!), ’t is me alles stuitend’ (p. 228).

De beeldend kunstenaar Erich Wichman was tevens schrijver van gedichten en van een groot aantal essays, kritieken en polemieken. Nu is hij waarschijnlijk nog het meeste bekend door zijn rol in de Rapaille-partij en de verkiezing van ‘Had-je-me-maar’ in de Amsterdamse gemeenteraad. Zijn curieuse publicatie Het witte gevaar, een pamflet uit 1928 tegen het drinken van melk, werd in 1979 nog eens herdrukt, maar voor het overige is zijn werk in de vergetelheid geraakt. De onlangs verschenen brievenuitgave van Erich Wichman geeft de kunstenaar niet alleen weer een gezicht, maar biedt ook het wijdere perspectief van een tijdsbeeld. Dat is in de eerste plaats te danken aan de informatieve inleidingen van Haffmans. Hij schetst eerst in grote lijnen de levensloop van Wichman en belicht vervolgens tien correspondenten van Wichman wat uitvoeriger. Door de gelegde verbanden worden de brieven van en aan Wichman in hun historische context geplaatst en overstijgen ze het strikt particuliere. Anders dan de titel doet vermoeden zijn de brieven niet spectaculair van inhoud. Maar samen met de inleidingen en annotaties van Haffmans ontstaat een boeiend beeld van verschillende kunstenaarsmilieus in de vroege jaren twintig van de vorige eeuw, van het opkomend fascisme in Nederland en van de rol van Wichman daarbinnen. Hij maakte deel uit van vele ultrarechtse splintergroepjes en werkte mee aan obscure en meer bekende blaadjes van fascistische signatuur. Zijn levensloop is voor een deel dus ook de geschiedenis van het vroege fascisme in Nederland. In dit verband vallen ook de namen van H. Marsman, J.C. Bloem en A. Roland Holst. De laatste twee kende Wichman uit zijn studententijd in Utrecht. Bijvoorbeeld over Bloem schreef Wichman in augustus 1924 aan de student geschiedenis en medestander Hettel Bruch: ‘Bloem, waarmede ik jaren lang gestudeerd en gezopen heb, maar die ik in geen tien jaar gezien heb, is een zeer edel en wijs, maar zwak en "lebensuntüchtig" mensch. [...] Bloem, ja, die zou bij ons hooren [...] maar is veel te passief’ (p. 177).

De beide brievenedities zijn in feite bloemlezingen. Van de correspondentie Vierhout-Wagenvoort die de periode 1889-1910 beslaat, zijn meer dan driehonderdvijftig brieven overgeleverd. Hiervan heeft Van de Schoor er honderdachtentwintig geselecteerd. Ondanks de ingelaste toelichtende passages raakt de lezer op verschillende plaatsen het spoor bijster, omdat van sommige brieven slechts fragmenten zijn opgenomen die een antwoord zijn op niet-geselecteerde brieven. Het inhoudelijk verband is dan moeilijk te volgen. Wel geeft Van de Schoor achterin de uitgave een overzicht van de gehele correspondentie, zodat men kan zien van welke datum de weggelaten brieven zijn. Een dergelijk overzicht ontbreekt helaas in de Wichman-uitgave. Aanvankelijk maakt deze uitgave de indruk volledig te zijn. In de ‘Inleiding’ schrijft Haffmans: ‘Ik maakte het plan alle voorhanden zijnde correspondentie van en aan Wichman te verzamelen en te publiceren, aangevuld met enkele brieven over hem’ (p. 5) Een paar bladzijden verder wordt echter opgemerkt: ‘Niet iedere brief of kaart van Wichman is opgenomen. In een beperkt aantal gevallen heb ik van publicatie afgezien, omdat de inhoud geen relevante betekenis had’ (p. 7). Zonder nadere motivering maken dit soort absolute uitspraken een wel zeer onwetenschappelijke indruk. Of de niet-opgenomen brieven wellicht toch enige relevante informatie bevatten, is voor de lezer niet te controleren. Zoals gezegd, ontbreekt een overzicht van de achterhaalde brieven, evenals een opgave van hun bewaarplaatsen. Verder is er onduidelijkheid over het aantal brieven. Haffmans heeft het over een ‘beperkt aantal’ brieven dat niet is opgenomen, maar in de beschrijving van het leven van Wichman staat over zijn contacten met Hugo Sinclair de Rochemont, de oprichter van het weekblad De Bezem: ‘Gelijktijdig met zijn medewerking aan De Bezem ontwikkelde zich een correspondentie met Sinclair, die zó omvangrijk was, dat ik in deze uitgave slechts een selectie eruit heb opgenomen’ (p. 72). Wichmans medewerking aan De Bezem lijkt mij belangrijk genoeg om kennis te nemen van de gehele overgeleverde correspondentie, ook als ze uitsluitend gaat over inzendingen voor het weekblad. Uiteindelijk heeft Haffmans honderdvijftig brieven van Wichman en bijna vijftig aan hem gerichte of over hem handelende opgenomen.

De editeurs maken niet de indruk kennis te hebben genomen van het Handboek editiewetenschap van Marita Mathijsen (Naar de letter, Assen 1995). Beiden doen over de tekstconstitutie van de brieven enkele merkwaardige uitspraken. Zo heeft Haffmans de ‘door Wichman kwistig gehanteerde leestekens [...] soms typografisch aangepast’ (p. 297). Wat ik me daarbij moet voorstellen, weet ik niet. Maar afgezien daarvan, als de interpunctie van Wichman afwijkend is, zou ik die als typerend voor de auteur liever ongewijzigd overnemen. Evenals Van de Schoor heeft Haffmans fouten in de tekst van de brieven ‘stilzwijgend verbeterd’. Over wat voor soort fouten het gaat en welk criterium is gehanteerd, laten de editeurs zich niet uit. Van de Schoor heeft het over de vage begrippen ‘leesbaarheid’ en ‘begrijpelijkheid’ die hij vervolgens op een geheel subjectieve, en dus aanvechtbare, manier toepast. Het ontbreken van de ‘w’ in het bezittelijk voornaamwoord ‘jouw’ dat aan het einde van de negentiende-eeuw heel gewoon was en zeker niet als fout werd beschouwd, wordt omwille van de leesbaarheid verbeterd, terwijl de uitgang ‘-dt’ in de eerste persoon enkelvoud om dezelfde reden is blijven staan, ondanks het feit dat dit ook vroeger als fout werd gerekend. De uitgang ‘-dt’ bij de tweede persoon (‘vindt jij’) was in die tijd zeker geen fout, omdat dit werd gezien als een afgeleide vorm van ‘vindet ge’. Haffmans heeft ervoor gekozen de fouten in de door Wichman gebruikte citaten in de tekst van de brief te verbeteren en de foutieve versie in de annotatie op te nemen, terwijl andersom meer voor de hand had gelegen.

In het algemeen zijn de brieven goed ontsloten voor de hedendaagse lezer. De editeurs hebben in inleidingen en annotaties voldoende informatie bijeengebracht om de meeste specifieke zaken die in de brieven aan de orde komen, te begrijpen. Het valt de editeurs niet kwalijk te nemen dat zij niet alle raadsels hebben opgelost. Maar soms maken ze de indruk niet de moeite te hebben genomen om te zoeken, bijvoorbeeld om bepaalde personen te identificeren of citaten thuis te brengen. Anderzijds geeft Van de Schoor bij een opmerking van Christien Vierhout over het gebogen lopen en de onelegante kleding van Martha van Vloten de volgende geheel overbodige noot: ‘Martha van Eeden-van Vloten (1856-1943) had op dat moment de dichter Kloos over de vloer, die als patiënt van haar man van 9 mei tot 1 oktober 1896 bij Van Eeden thuis probeerde zijn drankzucht en gekte te bezweren. Martha’s verdriet om de dood van het huisaapje Priempje op 1 februari 1896 zou inmiddels wel geluwd zijn.’ (p. 125-126)

De uitgever van de Wichman-editie verdient een groot compliment voor de wijze waarop het boek is vormgegeven en uitgegeven. De vele illustraties zijn perfect gedrukt en dragen veel bij aan het fraaie eindresultaat. Helaas kan dat niet gezegd worden van de stijl van de editeur die gekenmerkt wordt door het gebruik van vele overbodige adjectieven en door een zeer omslachtige manier van formuleren.


| MNL Homepage | TNTL |