TNTL 117/2
H.T.M. van Vliet
Gedichten / Jacques Perk; met voorrede van Mr. C. Vosmaer en inleiding van Willem Kloos / bezorgd door Fabian R.W. Stolk. – Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker, 1999. – 278 p. : ill.; 25 cm. - (Deltareeks)
ISBN 90-351-2014-0 Prijs: ƒ 49,90
Langzaam maar zeker begint de Nederlandse Klassiekenreeks Delta enige vorm te krijgen. Na enkele uitgaven van teksten uit de oudere letterkunde, zoals de Camera obscura en bloemlezingen uit Maerlant en de religieuze poëzie uit de zeventiende eeuw, is nu ook de meer moderne literatuur vertegenwoordigd met een uitgave van de gedichten van Jacques Perk. Hiermee heeft de redactie van de reeks een terechte en gelukkige keuze gemaakt. De uitgave van Perks gedichten met de programmatische inleidingen van Vosmaer en Kloos markeert een belangrijk keerpunt in de letterkunde van de negentiende eeuw. Voor de belangstellende lezer was de tekst hiervan lange tijd alleen beschikbaar in een van de door Garmt Stuiveling verzorgde uitgaven uit de jaren vijftig en zeventig. De nieuwe editie van Fabian Stolk voorziet dus zeker in een behoefte. Zij is gebaseerd op de eerste druk uit 1882 die, zoals bekend, door Vosmaer en Kloos na de dood van Perk werd samengesteld.
Deze leeseditie in de Deltareeks richt zich in de eerste plaats op een algemeen publiek, maar is ook duidelijk bedoeld voor studiedoeleinden. Daartoe heeft Stolk de voorrede van Vosmaer, de inleiding van Kloos en de gedichten van Perk voorzien van uitvoerig commentaar. De woordverklaringen bij de gedichten zijn soms wel erg elementair, maar ze lijken me, zeker voor studenten, niet overbodig. Stolk wijst er terecht op dat het taalgebruik van Vosmaer, Kloos en Perk in verschillende opzichten de hedendaagse lezer voor problemen stelt. Dan kan men een editeur alleen maar dankbaar zijn voor de in de annotaties geboden hulp bij het verstaan van de teksten. En voor wie deze hulp niet denkt nodig te hebben, kan ze gemakkelijk negeren: de annotaties zijn, gescheiden van de tekst van de gedichten, in een kleiner corps achterin het boek afgedrukt en kunnen dus naar believen worden geraadpleegd.
In een uitvoerig en informatief nawoord (‘Ter begeleiding’) gaat Stolk dieper in op de hoofdrolspelers Vosmaer, Kloos en Perk, op Perks positie tussen twee tijdperken, de oude en nieuwe elementen in de gedichten, de sonnetvorm, de ontstaansgeschiedenis van de ‘Mathilde’-cyclus, de bemoeienissen van Kloos en de ontvangst van de bundel in 1882. De literair-historische achtergrond heeft in deze uitgave terecht veel aandacht gekregen. Het is voor de hedendaagse lezer vooral moeilijk zich voor te stellen, dat de gedichten van Perk indertijd door zijn tijdgenoten nieuw en verrassend gevonden werden. Volgens Stolk is er in de gedichten veel meer sprake van ‘tweeslachtigheid’ (p. 209) en van ‘een spanningsveld [...] tussen traditionele en moderne elementen van taal-, stijl- en versvormen.’ (p. 220) Inderdaad zijn er nogal wat gedichten die in een bundel van Beets of een van diens generatiegenoten niet zouden hebben misstaan. Ik denk bijvoorbeeld aan ‘Wilg en popel’ (p. 110) dat in zijn traditionele natuurschildering die uitmondt in een even traditioneel moralisme sterk gedateerd aandoet. Datzelfde geldt voor de retoriek in gedichten als ‘Scheiding’ (p. 62) en ‘Storm’ (p. 100). Deze gedichten staan ver af van wat Kloos zelf en vooral Gorter in de jaren na Perk aan poëzie zullen publiceren. Ook in de brieven van Perk waaruit Vosmaer in zijn ‘Voorrede’ citeert, vindt men die ouderwetse retoriek. Vosmaer overigens heeft het over ‘van humor en jongheid sprankelende proza’ (p. 17) in de brieven. Tegenover het traditioneel moralisme en de retoriek staat bijvoorbeeld een gedicht als ‘Hemelvaart’ (p. 102) dat met zijn vitalisme en hemelbestormende hubris zo in een bundel van Marsman opgenomen kan worden. Het is deze afwisseling van traditie en vernieuwing die de bundel zo interessant maakt.
Editorisch gezien is een uitgave van Perks gedichten een lastig probleem. De eerste druk uit 1882 en alle latere herdrukken geven een ongeautoriseerde en op talrijke plaatsen niet-authentieke tekst. Kloos heeft bij de voorbereiding van de eerste druk en later nog eens bij de vierde druk de gedichten van Perk ingrijpend bewerkt, in een poging de ouderwetse aspecten van de gedichten weg te werken en de ‘Mathilde’-cylus meer in overeenstemming te brengen met zijn inleiding, die in feite een literair-politiek en programmatisch pamflet is. In de woorden van Stolk: ‘Hij [= Kloos] compileerde en emendeerde dat het een lust was.’ (p. 232) De uitgave van 1882 geeft dus geen zuiver beeld van het dichtwerk van Perk, maar een door de editeur vervaardigde mengvorm. Zij past in een rij van door collega-vrienden verzorgde publicaties die een voor de buitenstaander onontwarbare vermenging van auteurs- en editeurstekst bevatten, zoals de Leopold-editie van P.N. van Eyck, de Dèr Mouw-editie van Victor van Vriesland en de Lucebert-editie van Simon Vinkenoog, om slechts enkele voorbeelden te noemen. Naar mijn mening gaat Stolk wel erg gemakkelijk voorbij aan dit principiële punt. Zijn editie bevat een ‘Verantwoording’ van slechts vijf bladzijden die voor het grootste deel zijn gewijd aan de uitgevoerde interne collatie en het probleem van druk- en zetfouten. Het onderscheid tussen de laatste twee is de editeur blijkbaar niet duidelijk, terwijl ook de ironische toon van het geheel de indruk wekt dat zijn belangstelling voor editietechnische kwesties niet groot is. Het feit dat een interne collatie van vijf exemplaren van de eerste druk van Perks gedichten geen resultaten oplevert, doet niets af aan het belang van analytisch-bibliografisch onderzoek. Ditzelfde geldt voor tekstkritisch onderzoek, ook als het in een specifiek geval weinig problemen oplevert.
De tekstkeuze voor de eerste druk van 1882 motiveert Stolk met een verwijzing naar de literair-historische situatie. Deze bundel met zijn voorrede van Vosmaer en inleiding van Kloos is ‘een literair-historische mijlpaal’ en is ‘verankerd in de contemporaine literaire traditie’ (p. 201). Stolk merkt overigens wel op dat recensies van de Mathilde-cyclus ‘zelden gebaseerd [zijn] op de uitgave van 1882’ (p. 229). Maar het is juist dat de nieuwe generatie van Tachtig met Perks gedichten kennismaakte in de eerste door Kloos gemaakte editie. En daarin ligt een rechtvaardiging voor de tekstkeuze, ook al gaat het om een ongeautoriseerde uitgave. Overigens zijn er wel veel meer generaties lezers opgevoed met de tekst van de, ingrijpend herziene en vermeerderde, vierde druk uit 1901, die als legger heeft gediend voor de talrijke herdrukken sindsdien. Daarnaast is er nog de door Stolk niet genoemde vijftiende druk uit 1920, die vermeerderd is met een slotwoord van Kloos onder de titel: ‘Slotbeschouwing over den zoogen. "Perk-strijd" van uit het kalme standpunt van den wezenlijken Jacques Perk’. Hierin verdedigt Kloos zich tegen de geruchten die in de loop der jaren steeds sterker waren geworden dat hij van de handschriften van Perk was afgeweken en naar eigen goeddunken een tekst had samengesteld. Kloos beroept zich op het feit dat hij met Perk uitvoerig over de gedichten had gesproken en een van de ‘Mathilde’-handschriften geruime tijd onder zich had gehad om het op Perks verzoek kritisch te bekijken. Hij concludeert dan: ‘Het handschrift der Mathilde, waarmede men nu voor den dag is willen komen, is [...] volstrekt niet de definitieve lezing van Perk’s dichtstuk; de dichter zelf, indien hij nog in leven ware, zou het nooit zoo hebben uitgegeven, en bovendien zijn alle lezingen in dat soms nog tamelijk onvoldragen letterkundige produkt door mij met de uiterste zorg overwogen, toen ik de editie van Perk bezorgde, en is dus alles wat er artistiek-goeds in staan moge, terug te vinden in den tekst, zooals hij het publiek hier aangeboden wordt.’1
Stolk heeft gelijk als hij stelt dat ‘de’ Mathilde-cyclus niet bestaat. Maar er zijn wel drie handschriftelijke, geautoriseerde versies van de cyclus overgeleverd en zij vertegenwoordigden elk voor een zekere tijd voor de auteur Perk de tekst van het werk. Voor een beoordeling van de literaire kwaliteiten van Perk, de traditionaliteit en moderniteit van zijn werk, en voor een inzicht in Kloos’ bewerking en daarmee in diens sturing van de literaire vernieuwing op een cruciaal moment in de geschiedenis, is de lezer van nu helaas nog steeds aangewezen op de inmiddels verouderde editie van de handschriften die Stuiveling in de jaren vijftig heeft gemaakt. Ook in leesedities zoals die in de Deltareeks worden nagestreefd, zou het opnemen van twee versies van een werk in uitzonderlijke gevallen mogelijk moeten zijn. En Perk is een dergelijk geval. In plaats van op willekeurige wijze enkele varianten uit de handschriften in de annotaties te vermelden, zoals nu is gebeurd, had de editeur er beter aangedaan de integrale tekst van het oudste Mathilde-handschrift in een bijlage of op een andere wijze af te drukken, zoals in andere edities (Coleridge, Yeats, Trakl etc.) ook sterk herziene versies van afzonderlijke gedichten in parallel-druk of in de commentaar zijn opgenomen. De Perk-editie zou daarmee aan belang en bruikbaarheid hebben gewonnen zonder te bezwijken aan overdreven wetenschappelijke balast. Ik breng dit vooral ook naar voren omdat in de Nederlandse situatie met een beperkt taalgebied en daarmee een beperkte afzetmogelijkheden meestal slechts één editie van een werk mogelijk is. Het ligt niet voor de hand te verwachten dat er naast de Perk-editie van Stolk snel een andere zal kunnen verschijnen.
Het is uiteraard nog veel te vroeg een oordeel te geven over de Deltareeks als geheel. Zoals de reeks zich lijkt te gaan ontwikkelen, neemt zij een positie in tussen enerzijds de ‘Bibliothek deutscher Klassiker’ en anderzijds de ‘Library of America’. De eerstgenoemde is een reeks van edities die, net als de Australische ‘Colonial Texts Series’ en de ‘Academy Editions of Australian Literature’, weliswaar op een publiek van geïnteresseerden mikken, maar wel van hoog wetenschappelijk niveau zijn met uitvoerig commentaar en veel aandacht voor de tekstgenese en –kritiek. De Amerikaanse serie is ‘dedicated to perserving America’s best and most significant writings in handsome, enduring volumes, featuring authoritative texts’.2 De edities bevatten een ‘chronologie’, dat wil zeggen een overzicht van het leven van de auteur aan de hand van de belangrijkste jaartallen, en daarnaast een beperkte hoeveelheid annotaties bij de tekst. Van veel werken in de serie is echter ook een wetenschappelijke (‘scholarly’) editie beschikbaar. De ‘Bibliothek deutscher Klassiker’ is inmiddels ter ziele. Het koopkrachtige publiek waarop was gemikt, bleek niet warm te lopen voor de dure, luxe edities. In de Amerikaanse serie zijn al meer dan honderd delen verschenen. Het ware te wensen dat de Deltareeks inhoudelijk wat meer naar de Duitse bibliotheek zou opschuiven, maar vooral het lange leven beschoren zal zijn van de Amerikaanse.
Noten
1
Jacques Perk: Gedichten. Vijftiende, met een slotwoord vermeerderde druk, bezorgd door Willem Kloos. Met facsimilé’s naar het handschrift der Mathilde. Amsterdam, 1920, p. 229-230.2
Deze vaste formulering vindt men op het omslag van elk deel in de serie.| MNL Homepage | TNTL |