TNTL 117/2
Marike van Zessen
De dove bitster; een rederijkersklucht / Teksteditie verzorgd door Saskia Hutten. – Groningen: Passage 2000, - 56 p. – 20 cm (Cahiers voor de Nederlandse Letterkunde 2000/2)
ISSN 1382-5518 Prijs: f 25,--
Tijdens het afscheid van de Utrechtse hoogleraar in de historische letterkunde, Wim Gerritsen op 6 september jongstleden werd de rederijkersklucht, De dove bitster opgevoerd. Door de slechte akoestiek van de aula in het Academiegebouw te Utrecht was nauwelijks te volgen waarover het stuk ging. Wel was het duidelijk dat alle bekende ingrediënten voor een echte klucht aanwezig waren. De spelers werden besmeurd met meel en roet, liepen zonder iets te zien rond en vielen in het water, maar waardoor dat alles veroorzaakt werd, bleef waarschijnlijk voor veel toeschouwers onduidelijk.
Naar aanleiding van deze opvoering is er onlangs een nieuwe editie van het stuk verschenen in de serie Cahiers Nederlandse letterkunde, uitgegeven door Saskia Hutten. De klucht is overgeleverd uit het archief van de Haarlemse rederijkerskamer, Trou moet Blijcken. Het stuk is echter oorspronkelijk afkomstig uit Vlaanderen. De datering is niet geheel vast te stellen, maar waarschijnlijk is het in de tweede helft van de zestiende eeuw geschreven.
De inhoud van het toneelstuk bevat, zoals eerder gezegd, veel herkenbare kluchtelementen. Het verhaal begint met een spraakverwarring. De ene dove vrouw probeert aan de andere een boodschap door te geven, dit leidt tot twee gesprekken die volkomen langs elkaar heen gaan. Er is namelijk een kind overleden en zijn begrafenis moet aangekondigd worden, maar degene aan wie de boodschap overgebracht wordt, denkt dat het over de dure vlasprijzen gaat. Het betreffende kind is het neefje van Lippen en zijn vrouw Betje. Zij sturen hun dienstmeisje Aagje naar de begrafenis. Niet zonder reden want Betje heeft gehoord dat er een aantal mannen zijn, die met Aagje het bed in willen. Om deze minnaars erin te laten lopen vinden de nodige persoonsverwisselingen plaats. Lippen gaat als Aagje in bed liggen om de mannen op te wachten en Betje zal vervolgens met ze afrekenen. Dan volgt drie keer hetzelfde ritueel. Om beurten arriveren de mannen, ze weten niet hoe snel ze uit de kleren moeten komen en steeds op dat moment kondigt Lippen (Betje) zijn komst aan. De heren verstoppen zich en komen achtereenvolgens in een meelkist, een wastobbe en de schoorsteen terecht met alle gevolgen van dien. Uiteindelijk worden de mannen bloot en blind door het meel, het water en het roet het huis uitgejaagd. Onderweg komen ze Aagje tegen die van niets af weet. Ze belooft haar mond te houden over wat ze gezien heeft, maar de schande van de minnaars is er niet minder om. De moraal van de klucht moge duidelijk zijn: laat je niet verblinden door lustgevoelens, want dan is schande je deel.
De editie is voorzien van woordverklaringen, een inleiding en commentaar. Interessant is dat er regieaanwijzingen in het stuk staan, zodat er meer gezegd kan worden over de manier waarop het opgevoerd is. Dankzij deze editie is het alsnog duidelijk geworden wat de oorzaak van het meel- en watergeweld was op zes september 2000 in het Utrechtse Academiegebouw. De klucht is zeker geschikt om lezers een beeld te geven van het komisch toneel aan het eind van de Middeleeuwen.
| MNL Homepage | TNTL |