TNTL 117/3
A.Th. Bouwman
Lanceloet : de Middelnederlandse vertaling van de Lancelot en prose overgeleverd in de Lancelotcompilatie. - Hilversum : Verloren, 1997. - VIII, 449 p. : ill., facs. ; 26 cm. - (Middelnederlandse Lancelotromans ; 4) Ps. 1: (vs. 1-5530, voorafgegaan door de verzen van het Brusselse fragment) / uitg. door Bart Besamusca en Ada Postma ; met een verantw. van de ed. door W.P. Gerritsen en een beschrijving van de handschriften door Jan Willem Klein.
ISBN 90-6550-024-3 geb. Prijs: f 99,17 / 45 euro
Lanceloet : de Middelnederlandse vertaling van de Lancelot en prose overgeleverd in de Lancelotcompilatie. - Hilversum : Verloren, 1998. - VII, 518 p. : ill. ; 26 cm. - (Middelnederlandse Lancelotromans ; 7) Ps. 4: (vs. 16264-26636) / uitg. door Ada Postma.
ISBN 90-6550-029-4 geb. Prijs: f 99,17 / 45 euro
In 1997 en 1998 is de reeks Middelnederlandse Lancelotromans uitgebreid met twee delen. In deze nieuwe delen worden gedeelten uitgegeven (pars 1 en 4) van de Lanceloet, de eind dertiende eeuw in Vlaanderen vervaardigde Middelnederlandse vertaling van de Lancelot en prose. Dit betekent dat nu 26.636 van de 36.952 bewaard gebleven verzen van deze tekst beschikbaar zijn voor het onderzoek. In 1991 en 1992 waren reeds twee delen (pars 2 en 3) gepubliceerd. Deze bevatten tezamen ca. elfduizend verzen (5.531-16.263) alsmede studies van B. Besamusca over de Middelnederlandse vertaling en van F. Brandsma over de entrelacement-vertelwijze (voor besprekingen zie TNTL 110 (1994), p. 145-153).
De bron die voor de uitgegeven tekst werd gebruikt is de Lancelotcompilatie in hs. 129 A 10, berustend in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag. De term ‘Lancelotcompilatie’ is enigszins dubbelzinnig: er is een tekstuele dimensie (het geheel van Arturteksten) maar ook een codicologische (het overgeleverde handschrift). Ter toelichting diene het volgende. Eind dertiende eeuw werd in Vlaanderen de Oudfranse cyclus prozaromans Lancelot-Queste-Mort Artu in verzen vertaald. Het is nog onduidelijk of hierbij een of meer dichters betrokken zijn geweest. Enige decennia later (ca. 1320) hebben Brabantse kopiisten deze teksten (Lanceloet-Queeste-Arturs doet) afgeschreven, waarbij minstens zeven bestaande Arturromans na aanpassingen zijn geïnterpoleerd. De compilatie van tienduizenden verzen die zo ontstond, werd over twee banden verdeeld. De eerste band -- met tweederde van de Lanceloet, wellicht voorafgegaan door Maerlants Historie van den Grale en Boek van Merline en Velthems Merlijn-continuatie -- ging helaas verloren. De tweede band is het Haagse handschrift 129 A 10. Deze codex bevat de volgende teksten, verdeeld over drie boeken (de vers- en deel-nummers zijn die van Jonckbloets editie uit 1846-1849):
Boek II
Het ‘restant’ van deze imposante compilatie telt maar liefst 87.296 verzen. Een aantal teksten in de codex (1-2, 4 en een deel van 10) zijn door een corrector nagelopen, wat een aanzienlijke hoeveelheid ingrepen heeft opgeleverd, die in vier categorieën verdeeld kunnen worden: verbeteringen van evidente kopiistenfouten, aanpassingen van Vlaamse dialecteigenaardigheden, ingrepen binnen het vers ter vergemakkelijking van de voordracht (door toevoeging van verduidelijkende woordjes en interpunctie), aanwijzingen voor de voordracht in de vorm van woorden en tekens in de linkermarge van de kolommen. Hierdoor kunnen we van twee redactielagen spreken: die van de kopiisten en die van de corrector.
Pars 1 van de Lanceloet (vs. 1-5.530), voorafgegaan door het Brusselse Lanceloet-fragment, werd uitgegeven door B. Besamusca en A. Postma. Dit deel bevat een inleiding van twee hoofdstukken. In hoofdstuk 1 bespreekt B. Besamusca de samenstelling van de compilatie, de rol van de compilator en de corrector, de oude editie van Jonckbloet en het onderzoek naar de Oudfranse grondtekst van de Lanceloet, en verantwoordt W.P. Gerritsen de inrichting van de editie. In hoofdstuk 2 geeft J.W. Klein eerst een gedetailleerde beschrijving van de codex (en de drie overgeleverde fragmenten van Lanceloet en Queeste) en vervolgens een fascinerende reconstructie van de genese van de Lancelotcompilatie.
Pars 4 van de Lanceloet (vs. 16.624-26.636), uitgegeven door A. Postma, is het eerste deel dat volgens de bijgestelde planning van het Lancelotproject werd bezorgd. Aanvankelijk was het de bedoeling dat elk deel ca. 5000 verzen en een inleidende studie zou bevatten. Later is evenwel besloten tot een ontkoppeling van edities en studies, zodat per deel het dubbele aantal verzen kan worden uitgegeven.1
De wijze waarop de Lanceloetpartes zijn uitgegeven, is in vergelijking met de oude editie van Jonckbloet, bij alle waardering voor diens pionierswerk, een enorme stap vooruit. Ten eerste zijn de verschillende redactielagen (die van kopiist en corrector) in de nieuwe editie volledig verantwoord. Ten tweede is het apparaat dat de verzen aan de voet van elke bladzijde begeleidt zo gedetailleerd als men zich maar wensen kan: een paleografisch-genetisch apparaat (P/G) stelt de lezer in staat zich een betrouwbaar beeld te vormen van de tekst zoals die in het handschrift is bewaard gebleven; de woordverklaring (W) is to the point en verantwoordt twijfel aan de betekenis met een verwijzing naar het MNW, een toelichting (T) geeft literair-historische aantekeningen en bespreekt de verhouding met de Oudfranse grondtekst.
De leestekst baseert zich op de redactie van de corrector. Als belangrijkste argument voert Gerritsen aan (pars 1, p. 32-33) dat -- nu Klein aannemelijk heeft gemaakt dat de corrector werkzaam is geweest tijdens de totstandkoming van de Lancelotcompilatie en dus geen latere gebruiker was -- diens ingrepen moeten worden opgevat als onderdeel van het productieproces (pars 1, p. 32-33). Wat in deze argumentatie lijkt te ontbreken (of misschien impliciet is gebleven) is de toespitsing op de omstandigheid dat de ‘publicatie’ van een literair werk in de Middeleeuwen zowel schriftelijk als oraal gerealiseerd kan worden. Een tekst (in een handschrift) kan klaargemaakt worden voor lezing door een publiek maar ook om door een publiek beluisterd te worden (met een voorlezer als intermediair). Zo bezien behoren juist de ingrepen die de corrector ten behoeve van de voordracht pleegde, m.i. het meeste gewicht in de schaal te leggen. Ik vraag me overigens af in hoeverre deze argumentatie van toepassing is op de partes 2-3. Deze delen zijn immers bewerkt vóórdat Klein zijn nieuwe visie op de de genese van de Lancelotcompilatie ontvouwde, met een eerste fase waarin de codex vier romans omvatte (Lanceloet-Perchevael-Queeste-Arturs doet) en zo op de tafel van de corrector belandde, en met een tweede fase waarin de overige zes romans zijn ingevoegd.
De keuze voor de redactie van de corrector betekent evenwel niet dat al diens ingrepen in de leestekst terecht zijn gekomen. Het genetisch apparaat bevat namelijk niet alleen de kopiistenlezingen die door de corrector zijn verworpen (en een deel van diens verbeteringen) maar ook de eigen interpunctietekens van de corrector. Deze zijn door de editeurs verworpen omdat zij aan de leestekst een moderne interpunctie hebben toegevoegd. Ook in de presentatie van de leestekst is de redactie van de corrector niet consequent doorgevoerd. Met behulp van de typografie is namelijk een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de marginale toevoegingen van de corrector (die ook in de presentatie van de leestekst links uitspringen) en anderzijds diens ingrepen binnen het vers (die ongemarkeerd in de leestekst worden afgedrukt), ofschoon deze categorieën in functie niet wezenlijk verschillen (vgl. pars 1, p. 22). Onbevangen lezers, die niet bij elk vers het paleografisch-genetisch apparaat raadplegen, zullen de ingrepen binnen het vers veel minder als het werk van de corrector ervaren dan diens marginale toevoegingen. Is dit niet een ongewenst effect?
Nu is het ongetwijfeld zo dat dergelijke compromissen (‘inconsequenties’) bij elke keuze onvermijdelijk zijn. Er is echter een belangrijker bezwaar dat tegen een leestekst gebaseerd op de redactie van de corrector kan worden ingebracht, een bezwaar dat door Gerritsen nergens in de paragraaf ‘Wat is de tekst?’ wordt meegewogen. Wat ìs namelijk de tekst die uitgegeven wordt? Het is niet de Lancelotcompilatie die integraal wordt uitgegeven, maar de trilogie Lanceloet-Queeste-Arturs doet. Drie delen van de editie (pars 2-4) vermelden dan ook als belangrijkste van de twee uitgangspunten waarop het editiesysteem is gebaseerd: ‘de editie wil de lezer in staat stellen op een adequate wijze kennis te nemen van de cyclus Lanceloet-Queeste-Arturs doet als literair werk’. Met dit uitgangspunt had men -- juist in het begin, toen men de corrector nog niet als een soort co-auteur beschouwde -- beter de redactie van de kopiisten kunnen gebruiken als grondslag. De ingrepen van de corrector betreffen immers de Lancelotcompilatie (zij het in eerste fase), hoezeer een eerste categorie van zijn ingrepen ook evidente kopiistenfouten in de afschriften van Lanceloet, Queeste en Arturs doet herstellen. De Vlaamse dialecteigenaardigheden die door de corrector zijn verworpen en in de leestekst van de huidige editie dus ontbreken, behoren echter wel degelijk tot de oorspronkelijke laag van de Lanceloet. In een uitgave van de kopiistenredactie zouden ze in de leestekst gestaan hebben. In dat geval zouden verbeteringen van evidente kopiistenfouten door de corrector in de leestekst worden opgenomen (omdat de editeurs álle evidente kopiistenfouten verbeteren, ook die welke niet zijn opgemerkt door de corrector), uiteraard met volledige verantwoording in het genetisch apparaat, uitgaande van de (door corrector en/of moderne editeur) verworpen kopiistenlezing. Een bijkomend voordeel zou zijn dat alle ingrepen van de corrector bij elkaar staan: in het apparaat. Daarmee zou het literair-historisch unieke en belangwekkende verschijnsel van correcties in de productiefase van een Middelnederlandse tekst minstens zo goed bestudeerd kunnen worden als in de huidige editie, waar de onderzoeker de ingrepen per vers vanuit meerdere plaatsen bij elkaar moet zoeken: links van de leestekst, ongemarkeerd in de leestekst en in het genetisch apparaat. Ikzelf had de lezingen van de corrector liever bij de leestekst opgeteld (vanuit het apparaat) dan ze ervan af te moeten trekken, zoals in de huidige editie.
Ofschoon de verantwoording van de editie (met name de keuze van de leestekst) mij dus enigszins teleurstelt, overheerst de waardering en bewondering voor de resultaten die in de nieuwe delen geboekt zijn. Het primaire doel van de editie is volgens Gerritsen ‘onderzoekers een betrouwbare tekst aan te bieden, een tekst die zo is ingericht dat zij zich [...] een voldoende gedetailleerd beeld kunnen vormen van de wijze waarop deze tekst in het handschrift is overgeleverd’ (pars 1, p. 37). Dit doel wordt ruimschoots gehaald in de tot nu toe verschenen delen. Iedere gespecialiseerde lezer kan door leestekst en apparaat te combineren, op eenduidige en controleerbare wijze vaststellen wat het aandeel van de kopiisten in de tekst van Lanceloet is, wat het aandeel van de corrector en wat het aandeel van de moderne editeurs.
Welke publicaties staan ons volgens de bijgestelde planning van het Lancelotproject nog te wachten? Allereerst het slotdeel van de Lanceloet (pars 5), en vervolgens nog een deel voor de Queeste vanden Grale en een deel voor Arturs doet. Dit werk is geschat op vijftien mensjaren. Daarnaast worden in een ‘series minor’ bij de reeks ‘Middelnederlandse Lancelotromans’ uitgaven van de Perchevael, en van Walewein ende Keye voorbereid, omdat deze Arturromans enkel geraadpleegd kunnen worden in de verouderde en moeilijk bereikbare editie-Jonckbloet.2 Maar laten we deze vogels in de lucht nog even met rust, en prijzen we ons gelukkig met de delen die ons thans in handen zijn gegeven.
Noten
1
B. Besamusca: ‘Het Lancelotproject als voorbeeld van de uitgave van een editiereeks’. In: F.P. van Oostrom en F. Willaert (red.): De studie van de Middelnederlandse letterkunde: stand en toekomst. Hilversum, 1989, p. 31-43, i.c. p. 37.| MNL Homepage | TNTL |