TNTL 117/3

Lia van Gemert

De doodt van Boetius of den verdrukten raeds-heer : treur-spel / Peter Smidts - Inleiding K. Langvik-Johannessen, woord- en tekstverklaring W. Waterschoot - Brussel : Studiecentrum 18de-eeuwse Zuid-Nederlandse Letterkunde, Facultes universitaires Saint-Louis, 2000. - 2 dl. ; 25 cm. - (Cahier 19A en 19B / Studiecentrum 18de-eeuwse Zuid-Nederlandse Letterkunde, Facultes universitaires Saint-Louis)

Geen ISBN; Prijs: 850 BEF / f 47,--

Te bestellen door overmaking van het vermelde bedrag op nummer 431-2017069-21 van Cahiers XVIIIde Eeuw (België) of op nummer 13.06.25.787 (Rabobank Bergeyk, Nederland), Cahiers XVIIIde Eeuw o.v.v. ‘te zenden aan: (naam en adres)’.

Na zijn studie over Livinus Verkruyssen (cahier nr. 18 in de reeks van het Zuid-Nederlandse studiecentrum te Brussel, 1999; besproken in nr. 116-3 van dit tijdschrift (2000, p. 290)) richt K. Langvik-Johannessen nu het vizier op een van de drama’s die door Verkruyssen in 1743 geëditeerd werd. Het betrof toen reeds de derde uitgave van een oorspronkelijk in 1699 verschenen treurspel, De doodt van Boëtius of den verdrukten raeds-heer van de hand van de Brugse arts Peter Smidts, dat ook al in het verschijningsjaar een verkorte herdruk beleefd had.

De titelfiguur is de middeleeuwse filosoof Boëthius (480-524), die hier in een verder onbekende historische situatie als martelaar wordt neergezet. Zijn tegenspeler is -- een ongewoon gegeven in het martelaarsdrama -- een christelijke koning, en wel van ariaanse snit. Volgens Langvik-Johannessen heeft Smidts echter geen allegorie op de godsdienstige spanningen in de Nederlanden willen schrijven, maar misschien liet deze ‘Brugse Vondel’, zoals hij wel genoemd werd, zich wel inspireren door de Maria Stuart van zijn Noord-Nederlandse idool. Dat dit niet heel precies te bepalen valt, komt mede omdat Smidts zelf het met de feiten niet zo nauw neemt: hij voert weliswaar de historische Theodericus de Grote op, de koning der Oostgoten die Boëthius van verraad beschuldigde, maar situeert het verhaal verrassenderwijs in Rome en last ook andere niet-historische elementen in, onder andere een liefdesgeschiedenis tussen Boëthius’ zoon en de dochter van de koning.

De conventies van de tragedie, met name de eenheid van tijd, hebben blijkbaar een doorslaggevende rol gespeeld bij de structurering van het toneelstuk: Smidts heeft een veelheid van gebeurtenissen binnen (iets meer dan) 24 uur willen concentreren. Dat leidde tot een behoorlijke manipulatie van scènes -- Langvik-Johannessen spreekt zelfs van ‘schijnbare wanorde’ (p. vii). Ook de ongewone lengte en het moeilijke taalgebruik maken het stuk er niet toegankelijker op, vandaar wellicht al de verkorte bewerking in het jaar van eerste druk. Of het stuk gespeeld is, is niet bekend, maar de bewerking kan heel goed op een opvoering duiden, en dan van de verkorte versie. In de nu verschenen uitgave is de oorspronkelijke tekst het uitgangspunt. De tekst is gefotografeerd uit het exemplaar in de UB Gent (BL 5980); accolades in de marge duiden aan welke passages in de twee latere uitgaven ontbreken.

Smidts’ taalgebruik wordt nader toegelicht door W. Waterschoot, die ook de annotatie bij de tekst verzorgde. Hij herleidt de vaak moeilijke verzen tot Smidts’ voorliefde voor de klassieke retorica. Een heel aantal passages wordt verklaarbaar als men het Nederlands onderwerpt aan de Latijnse stijlleer, ook als dat grammaticaal of logisch eigenlijk niet mogelijk is. Binnen de rijke stijl, de ornatus, floreren bijvoorbeeld isocolon, anafoor en chiasme. Bovendien hanteert de auteur graag rijmprocédés die aan de rederijkers herinneren, zoals kettingrijm, middenrijm en overspringend rijm. Een curieus staaltje van laatzeventiende-eeuwse toneelkunst.


| MNL Homepage | TNTL |