TNTL 117/3

Annelies de Jeu

Vriendenkringen in de zeventiende eeuw : verenigingsvormen van het informele culturele leven te Rotterdam / Jori Zijlmans. – Den Haag : Sdu Uitgevers, cop. 1999. - XV, 314 p. : ill. ; 24 cm. - (Nederlandse cultuur in Europese context ; 14. IJkpunt 1650-6)

ISBN 90-12-08703-1 Prijs: f 34,90.

De laatste jaren staat netwerkenonderzoek hoog op de agenda van historici en letterkundigen. Het proefschrift van Jori Zijlmans sluit aan bij deze nieuwe invalshoek. In Vriendenkringen in de zeventiende eeuw. Verenigingsvormen van het informele culturele leven te Rotterdam (1999) reconstrueert zij uiteenlopende circuits in deze stad. Ze richt zich op vroegmoderne vriendengroepen die hun bestaansrecht ontleenden aan gedeelde interesses en behoeften van de participanten. Door het besloten en recreatieve karakter van deze kringen zijn reglementen of presentielijsten niet voorhanden. Zijlmans heeft zich dus moeten baseren op kerkenraadsnotulen, familie-archieven, vroedschapsresoluties en egodocumenten. Centraal in haar onderzoek staan de onderlinge betrekkingen in de circuits: was de vriendschap gebaseerd op wederzijdse sympathie, religieuze of politieke gerichtheid, gelijkgestemdheid, sociale herkomst, beroepsactiviteit, gezelligheid, verwantschap of combinaties van die drijfveren.

Paarsgewijs onderscheidt Zijlmans in hoofdstuk 1 tot en met 8 achtereenvolgens muziek- en dichtkringen, theologische discussiegroepen, vrouwengezelschappen en wijsgerige gesprekskringen. In het eerste deel bespreekt ze de rederijkerskamer de Blauwe Acoleyen en een informeel muziekcollege rond Jan Brouwer. Daarna volgen het religieuze mannendispuut van de bakker Daniël van As en het religieus-maatschappelijk oefengezelschap onder leiding van de geleerde David Guilbertus. Het derde deel handelt over een huiselijk dispuut dat door vrouwen bijeengeroepen werd en over twee sociëteiten voor gevluchte hugenootse dames. Het laatste deel is gewijd aan de literaire vriendenkring rond de welgestelde Joachim Oudaan en aan een internationaal aristocratisch gezelschap liberale denkers rond Benjamin Furly.

Het resultaat van de speurtocht van Zijlmans naar geschikte bronnen voor haar reconstructie verdient bewondering. Uit allerlei hoeken en gaten heeft ze materiaal naar boven weten te halen dat inzicht geeft in het gezelschapsleven in de zeventiende eeuw. Helaas komt niet iedere Rotterdamse kring in detail aan bod, waarschijnlijk door een gebrek aan gegevens.

Zo bevat het hoofdstuk over de Blauwe Acoleyen vooral veel algemene informatie over rederijkerskamers. De onderzoekster legt de nadruk op de veranderende positie van de rederijkerij in de samenleving. De rederijkerij werd aanvankelijk gekenmerkt door (religieuze) publiekssociabiliteit. Vanaf 1620 trok de culturele elite zich terug uit de rederijkerij; men ging literaire en sociale activiteiten binnenskamers uitoefenen. Daarmee verwerden deze groepen van geïnstitutionaliseerde en prestigieuze organisaties voor respectabele burgers tot informele circuits voor de lagere sociale kringen. Zijlmans schenkt vooral aandacht aan de relaties die de rederijkerij met de buitenwereld onderhield. De lezer komt veel minder te weten over de onderlinge verhoudingen van de individuele leden van de Blauwe Acoleyen. De identiteit en sociale status van de verschillende personen beschrijft Zijlmans wel, maar deze gegevens bieden maar weinig inzicht in de machtsverhoudingen binnen het gezelschap. De lezer blijft met vragen zitten als: wie waren voortrekkers en wie navolgers? En hoe verliepen de contacten en waarom?

Dit belangrijke aspect van netwerkenonderzoek krijgt in enkele andere hoofdstukken gelukkig meer aandacht. De analyse van de internationale vriendenkring van Benjamin Furly is daar een voorbeeld van. Zijlmans laat zien hoe Furly’s vriendenkring met zijn belangstelling mee veranderde. Veel van zijn vrienden behoorden net als hij tot de quakers. Nadat enkele geloofsgenoten terechtgesteld waren, nam de beslotenheid van deze groep toe. Met de komst van John Locke werden de bijeenkomsten meer gereguleerd: Locke legde vast dat de geleerde vrienden één keer per week zouden samenkomen, dat ze om de beurt een inleiding zouden houden en dat er gedebateerd werd over een van te voren vastgesteld onderwerp. Furly vervulde de rol van intermediair. Hij hield zijn vrienden op de hoogte van allerlei zaken en verschillende bijeenkomsten vonden bij hem thuis plaats.

Een laatste kanttekening wil ik plaatsen bij het theoretische kader van Zijlmans. Aansluiting zoekend bij het onderzoek naar de achttiende-eeuwse genootschapscultuur suggereert ze in de inleiding van haar studie dat in de huidige stand van de wetenschap gemeend wordt dat de zeventiende eeuw nog geen gezelschapscultuur kende. Daarbij gaat ze echter voorbij aan historisch-letterkundigen en historici die geïnspireerd zijn door Pierre Bourdieu, die de werking van het literaire veld geanalyseerd heeft, en Norbert Elias, die een aanzet heeft gegeven tot onderzoek naar vorm- en gedragcodes. Interessante studies als die van Saskia Stegeman en Luuc Kooijmans, die gebruik maken van de theorieën van Bourdieu en Elias, hebben al eerder laten zien dat vriendschappen in de zeventiende eeuw belangrijk waren.1 Bij Stegeman en Kooijmans gaat de aandacht vooral uit naar de onderlinge machtsverhoudingen in groepen: ze maken gebruik van woorden als patronage, dienstverlening, steun, utiliteit en samenwerking. Dergelijke termen -- in wat voor toegepaste vorm dan ook -- komen maar weinig voor bij Zijlmans, terwijl ze voor een meer diepgaande beschrijving van de verschillende Rotterdamse vriendenkringen zeer geschikt zouden zijn geweest.

Dit neemt niet weg dat Zijlmans een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het onderzoek naar netwerken. Aan de hand van uiteenlopende culturele circuits heeft ze op boeiende wijze laten zien dat er in de zeventiende-eeuwse Republiek een gunstig klimaat heerste voor een breed cultureel verenigingsleven. Uit haar reconstructie blijkt dat er niet alleen door hoog opgeleide mannen in min of meer georganiseerd verband werd gediscussieerd, maar dat ook vrouwen meededen. Bovendien gebeurde dat in alle lagen van de samenleving. Zijlmans brengt in de slotbeschouwing van haar boek een intrigerende verdieping aan: ze constateert een samenhang tussen de ontwikkelingen in de zeventiende-eeuwse discussiecultuur en maatschappelijke en economische gebeurtenissen. Het laatste kwart van de zeventiende eeuw geeft een omslagpunt in de sociabiliteit te zien. Vanaf toen praatte men niet meer met iedereen, maar beperkte men zich het liefst tot de eigen kring.


Noot
1 Saskia Stegeman, Patronage en dienstverlening. Het netwerk van Theodorus Janssonius van Almeloveen (1657-1712) in de Republiek der Letteren. Nijmegen, 1996. Luuc Kooijmans, Vriendschap en de kunst van het overleven in de zeventiende en achttiende eeuw. Amsterdam, 1997.


| MNL Homepage | TNTL |