TNTL 117/3

Mieke Lens

Als God met ons is... : Jacob van Maerlant en de vijanden van het christelijke geloof / Raymond Harper. - Amsterdam : Prometheus, 1998. - 296 p. ; 22 cm. - (Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen, ISSN 0926-9746 ; 19)

ISBN 90-5333-715-6 Prijs: f 49,90

Het geloof en de strijd tegen andersgelovigen is een thema dat een prominente rol speelt in het werk van de Middelnederlandse dichter Jacob van Maerlant. ‘Het besef christen te zijn bekleedde in Maerlants denken een centrale rol en heeft diens mens- en wereldbeeld in menig opzicht diepgaand beïnvloed’, aldus Harper (p. 9). Dit gegeven rechtvaardigt een onderzoek naar de houding van de bekendste Middelnederlandse dichter ten opzichte van andersdenkenden. Harper heeft hiertoe het omvangrijke werk van Maerlant en de belangrijkste Latijnse bronnen die daaraan ten grondslag liggen grondig bestudeerd. Uit de wijze waarop Maerlant met zijn bronnen omging, kan -- zij het met omzichtigheid -- de opvatting van de dichter ten aanzien van andersgelovigen worden gedestilleerd. De auteur wil de opvatting van Maerlant niet alleen relateren aan zijn ‘voorbeelden’, maar ook aan twee tijdgenoten van hem: Rudolf van Ems en Jan van Boendale. Dit voornemen komt in de studie niet zo goed uit de verf. Slechts incidenteel worden Maerlants ideeën expliciet vergeleken met genoemde tijdgenoten.

Harper heeft er, terecht lijkt me, voor gekozen om de materie niet in chronologische volgorde, maar op thematische wijze aan de orde te stellen. Het boek is gestructureerd opgezet en dat is nodig want de lezer zou door de grote informatiedichtheid en de vele citaten en verwijzingen in de lopende tekst gemakkelijk de draad kunnen kwijtraken. Achtereenvolgens worden in afzonderlijke hoofdstukken de verschillende vijanden van het enige en ware geloof behandeld, te weten: polytheïstische heidenen, moslims, joden en ketters.

Wat betreft de eerste twee groepen ongelovigen (heidenen en moslims) moet invloed van de (Middelnederlandse) epische traditie op de beeldvorming bij Maerlant niet worden uitgesloten. Harper refereert slechts hier en daar aan wat in de volkstaalliteratuur gebruikelijk was; het zwaartepunt van zijn onderzoek ligt immers bij de bestudering van de Latijnse bronnen. De invloed van de epiek zou met name kunnen blijken uit de woordkeuze van Maerlant: heidine als verzamelterm voor alle ongelovigen, inclusief moslims, kerstijn man werden (in de betekenis van dopen), en het door elkaar gebruiken van de termen Saracenen en heidenen, dat overigens minder opmerkelijk is dan Harper meent (p. 78). Maar ook het gebruik van termen als mamerie, en mametterie in de betekenis van afgoderij en daarbij behorende heidense attributen was niet ongebruikelijk in de epische traditie. Mamet (Mohammed) werd veelvuldig beschouwd als een van de goden van het heidense pantheon, naast Appolijn en Tervagant.

De conclusie ten aanzien van deze twee groepen andersgelovigen luidt: Maerlant staat uitermate onwelwillend tegenover de heidenen. De enige heidenen die men kon prijzen waren de heidenen die zich tot het christendom bekeerden. Moslims waren vooral van belang als militaire tegenhangers van de kruisvaarders; zij vormden een militaire bedreiging van de eerste orde. Beide opvattingen zijn eveneens aanwezig in met name de kruistocht- en Karelepiek waar de gewapende strijd tussen christenen en heidenen een belangrijke rol speelt.

Hoofdstuk 3 behandelt het jodendom, dat twee gezichten heeft: er zijn oud- en nieuwtestamentische joden. De eersten worden positief beoordeeld, de tweede negatief. Dit hangt natuurlijk samen met de komst van de Messias en de kruisiging van Christus. Maerlant wordt een jodenhater van de oude stempel genoemd. Harper betoogt dat Maerlant het jodendom waarschijnlijk uitsluitend uit de tweede hand kende (dat wil zeggen uit zijn bronnen). Maerlants negatieve opstelling tegenover het jodendom kende een vrijwel uitsluitend religieuze grondslag.

Tenslotte worden in hoofdstuk 4 de ketterijen binnen het christelijk geloof besproken. Allereerst wordt de wijze waarop Maerlant zich tegen ketterijen teweer stelde uiteen gezet, vervolgens passeren de afzonderlijke ketterijen de revue, zoals, arianisme, nestoriaans-monofysitische controverse en overige ketterijen als: iconoclasme, avondmaalsstrijd, dualisme, pelegianisme, donatisme, Mariologische controverse.

Aan de orde komt eveneens de verkettering van de ketters. Ook ketters werden door Maerlant als vijanden van het christelijk geloof beschouwd. Terminologisch worden zij gelijkgeschakeld met andere ‘ongelovigen’. Opmerkelijk vindt Harper het dat Maerlant niet minder voortvarend tegen reeds eeuwenlang uitgestorven oudchristelijke ketterijen van leer trok dan tegen hun meer actuele eigentijdse pendanten, en voor hun bestrijding een ruime plaats in zijn oeuvre inruimde. Dit is minder opmerkelijk als men bedenkt dat Maerlant een middeleeuwer was die op basis van en met respect voor zijn bronnen een eigen werk componeerde. Dit betekende niet dat hij kritiekloos overnam wat hij bij zijn voorgangers aantrof, maar zoals Harper zelf ook zegt (p. 11): ‘de originaliteit van Maerlant manifesteerde zich niet in het grote gebaar’.

In het laatste hoofdstuk tracht Harper tot een synthese te komen. Hij wil de kern van Maerlants gedachtepatroon op dit terrein bloot te leggen. Hij doet dit aan de hand van enkele aspecten die gerelateerd zijn aan de strijd tussen ‘geloof’ en ‘ongeloof’ maar die niet specifiek op één categorie ongelovigen (dat wil zeggen niet-katholieken) betrekking hebben, zoals de hand van God in het geschiedenisverloop, de verhouding tussen Kerk en Staat, en het christianocentrisme. Harper maakt aannemelijk dat Maerlant voor de vorming van zijn wereldbeeld beïnvloed geweest is door De stad Gods van Augustinus; dit werk heeft hij mogelijk daadwerkelijk zelf gekend.

De conclusie ten aanzien van Maerlants opstelling wekt geen buitengewone verbazing. Zijn opvatting wijkt niet af van wat een christelijke middeleeuwer behoort te geloven en ligt in de lijn van de officiële kerk: er was slechts plaats voor één godsdienst, te weten het katholieke christendom. De vijanden van het geloof zijn een constante factor in Maerlants oeuvre. Er vindt geen noemenswaardige verschuiving of ontwikkeling in de houding tegenover ongelovigen plaats, die nogal 'simplistisch' voorgesteld worden. In het algemeen is er in het schetsen van een vijandsbeeld nooit plaats voor nuancering (toen niet en nu niet). Dit gold voor Maerlant, maar ook voor de dichters van ridder- en kruistochtepiek.


| MNL Homepage | TNTL |