TNTL 117/3
Margot van Mulken
Building stemmas with the computer in a cladistic, neo-Lachmannian way : the case of fourteen text versions of Lanseloet van Denemerken / Benedictus Johannes Paulus Salemans. - [S.l. : s.n.] ; Nijmegen : Nijmegen University Press, 2000. - VIII, 351 p. : ill. ; 24 cm + CD-ROM - Proefschrift Katholieke Universiteit Nijmegen.
Voor de handelseditie wordt nog een uitgever gezocht. Informatie bij salemans@baserv.uci.kun.nl
Het aantal filologen dat echt overtuigd is van het nut van stamboomonderzoek is over het algemeen niet groot. Een stamboom is vaak niet meer dan een verplicht nummer dat dient ter stoffering van voorwoorden bij tekstedities. De conventie wil nou eenmaal dat men wat regels spendeert aan de verhouding tussen de teksten en het verloren origineel, en ach, geen enkele filoloog is te beroerd om daarvoor te buigen. Toch zouden al die voorwoorden heel wat spannender lectuur worden als stamboomonderzoek serieus genomen zou worden. En zo moeilijk is het niet.
Building Stemmas with the Computer in a Cladistic, Neo-Lachmannian way kan beschouwd worden als een degelijke inleiding op de stemmatologie. De grondbeginselen van tekstgenealogisch onderzoek worden er helder, duidelijk en aan de hand van eenvoudige voorbeelden uitgelegd. Salemans laat zien wat het nut is van stambomen: dankzij tekstgenealogisch onderzoek krijgt een filoloog inzicht in de verwantschappen tussen de teksten in zijn teksttraditie. Hij begrijpt het netwerk van tekstrelaties, hij begrijpt de ontwikkeling die de traditie heeft doorgemaakt, hij krijgt vat op de wijze van transmissie. En in het uiterste geval dient zo’n stamboom om een indruk te krijgen van de tekst die het ‘dichtst’ in de buurt is gebleven van wat het origineel ooit moet hebben bevat. Inderdaad, nog steeds is het de moeite waard om de (ver)wording en receptie van een teksttraditie in kaart te brengen. Stemmatologie is tekstgeschiedenis, is tekstanalyse, is tekstgenealogie.
Bovendien is het boek het verslag van een moedig experiment: Salemans stelt zeven tekstgenealogische hypotheses op, die hij met behulp van de computer gaat toetsen. Salemans stelt een aanpak voor die uitdagend en uitnodigend is. Zijn voorstel is inzichtelijk, verifieerbaar en toegankelijk. Dat zijn, in de wereld die stemmatologie heet, drie heel grote pluspunten. Voor neerlandici is het grote voordeel van Salemans’ aanpak dat het mogelijk is om handmatig, dus met pen en papier, een stamboom op te stellen en dan ook nog te begrijpen wat er gebeurt of gebeuren moet. Natuurlijk, Salemans kent het klappen van de huidige zweep: een moderne stemmatoloog werkt met de computer. Het aardige nu is, dat Salemans ook dat voor zijn rekening neemt: zijn methode is volledig gecomputeriseerd, sterker nog, het apparaat wordt in zijn aanpak meer dan een automaat, het is een instrument dat zijn methode uitvoert, toetst en evalueert. Maar de angst van veel filologen is juist dat het apparaat het overneemt en niets is zo glibberig als het uit handen geven van de verantwoordelijkheid voor tekstuele beslissingen. Liever houden we alles in de hand. Welnu, dat kan bij Salemans.
Zijn er nadelen? Voor een beginnende stemmatoloog, en dat zijn, gezien het aantal stemmatologen in Nederland, vrijwel alle neerlandici, zijn die er niet. Met Salemans’ methode kan meteen begonnen worden. Alleen: Salemans is in eerste instantie zeer streng. Strenger dan veel filologen wenselijk zullen vinden, want veel van wat een filoloog intuïtief als verwantschapsonthullend zal beoordelen, bij voorbeeld een verschil tussen twee adjectieven (stel, de ene helft van de teksttraditie schrijft ‘mooi’, de andere helft schrijft ‘fraai’) wordt door Salemans aanvankelijk meedogenloos verworpen. De beide adjectieven liggen zozeer in elkaars verlengde, dat het voor de hand ligt dat twee kopiisten, onafhankelijk van elkaar, een zelfde tekstingreep pleegden. En in zo’n geval is de variant niet verwantschapsonthullend: de variant berust op toeval, niet op overlevering. Dit soort varianten wordt ook wel ‘ruis’ genoemd. Salemans houdt een ogenschijnlijk eenvoudig geraamte aan variantenkenmerken over waarvan hij vrijwel zeker lijkt te zijn dat ze wijzen op ‘erfelijke trekken’. Alleen varianten die voldoen aan strenge inhoudelijke en formele eisen, mogen gebruikt worden voor het opstellen van een verwantschapsstructuur. Daarmee legt hij zichzelf op dat een verwantschapsonthullende variant alleen zelfstandig naamwoorden of werkwoorden mag betreffen (behalve als het om woorden in rijmpositie gaat of om hele regels). Daarnaast stelt Salemans dat alleen formules van het type-2 gebruikt mogen worden. Dat betekent dat alleen tekstverschillen gebruikt mogen worden die de teksten in precies twee groepen verdelen, en waarbij iedere groep meer dan één lid heeft (dus: bijvoorbeeld abc/defgh en niet: a/bcdefgh of: ab/cde/fg).
Een tekstverschil als in het volgende citaat wordt dan ook door Salemans niet gebruikt.
02.495 Ghi sult seker wesen mijn (G/L)
01.520 Ghi selt seker werden mijn (H/BR)
05.503 Ghi sult seker wesen mijn (A/M)
06.504 Yr sult siecher wesen myn vrauwe (K/W)
07.503 Yr sult seker wesen myn vrauwe (K/G)
08.503 Yr sult sicher wesen myn frauwe. (K/K)
09.500 Ghy sult seker wesen dat Wijf myn. (R/LO)
10.508 Ghy sult seker wese(n) die vriendinne mijn. (A/LI)
11.511 Ghy sult seecker wesen dat wijf mijn. (A/A)
12.509 Ghy sult seecker wesen dat wijf mijn. (U/P)
13.509 Gy sult seecker wesen dat wijf mijn. (U/LE)
En dat doet pijn. Salemans houdt weinig over: slechts 44 varianten in de Lanseloet voldoen volledig aan zijn eigen regels. In wezen zegt Salemans: probeer het nou eerst maar eens met deze varianten, en als daar iets constructiefs uit komt, dan kunnen we altijd later nog eens kijken naar varianten die aanvankelijk dubieus leken en al dan niet passen in de gevonden structuur.
Heeft hij gelijk? We namen de proef op de som. Als het zo is dat Salemans gelijk heeft, dan betekent dat, dat een filoloog die op de ouderwetse, handmatige, wellicht intuïtieve wijze te werk gaat, in de eerste plaats veel meer varianten zal vinden en in de tweede plaats veel meer varianten zal vinden die op toeval gebaseerd zijn, dus niet echt op een genealogische relatie. Zo’n filoloog zal veel meer ruis aantreffen. We hebben dus wat filologisch handwerk verricht en verwantschapsformules opgesteld gebaseerd op de synoptische editie van de Lanseloet in Salemans’ overigens excellente appendix. Waar Salemans slechts tot 44 formules komt, daar vonden wij er een stuk of 100, want we waren nu eenmaal minder streng dan hij. Met deze formules hebben we een stamboom getekend (met hulp van Dr. E. Wattel, VU), en voorwaar: er kwam dezelfde boom uit, zij het met veel meer ruis.
Anderzijds, het blijft natuurlijk zeer de vraag of de Lanseloet de meest geschikte teksttraditie is om Salemans’ hypotheses aan te toetsen. De traditie is zo gesloten, zo ‘perfect’, dat willekeurig welke hypothese een grote kans van acceptatie heeft. Laten we hopen dat Salemans de gelegenheid zal krijgen om zijn vermoedens te toetsen aan de hand van andere, wat complexere en uitdagendere tradities.
Desalniettemin: we kunnen stellen dat de Methode Salemans zo slecht nog niet is. Aangezien het een strenge en transparante methode is, ligt het voor de hand dat in de toekomst meer stambomen gemaakt zullen worden volgens deze methode. Zodra een filoloog aan de hand van Salemans’ regels een boom heeft gemaakt, kan hij altijd zijn materiaal onderwerpen aan een kritische analyse en er andere tekstverschillen en -overeenkomsten aan toevoegen, die het geraamte als het ware ‘aankleden’. De tekstverschillen in het citaat hierboven zijn niet in strijd met Salemans’ bevindingen, ze bevestigen het, maar ze vallen buiten de Salemanskenmerken.
De onderneming van Salemans nodigt bovendien uit tot verfijning. Meer onderzoek is nodig om de set variatiekenmerken te kunnen uitbreiden. Het zou prettig zijn als in de toekomst ook verschillen in het gebruik van bijvoeglijk naamwoorden als verwantschapsonthullend meegenomen kunnen worden. En ook de regel dat varianten van het type-2 moeten zijn schreeuwt om bijstelling.
Het is jammer dat Salemans de consequenties van zijn hypotheses niet tot het einde toe heeft volgehouden: op zijn eis ‘gebruik alleen type-2 formules’, komt hij zelf, halverwege het experiment, terug. Bij zijn karakteristiek ‘woordvolgorde is verwantschapsonthullend’ heeft hij van begin af aan twijfels, en deze varianten neemt hij dan ook in eerste instantie niet op in zijn variatieformules. Een beetje jammer is dat wel: met behulp van deze varianten zou hij 44 formules extra hebben gehad, waarvan er maar drie uiteindelijk in strijd met zijn stamboom zouden blijken te zijn. Als dan bovendien zou blijken dat die ruis in alle gevallen te maken heeft met woordvolgorde, zou hij gerechtigd zijn geweest om bij de evaluatie zijn vraagtekens te zetten bij deze eis. Een ietwat elegantere oplossing dan waarvoor Salemans nu gekozen heeft. Hetzelfde geldt in feite voor zijn ‘type-2-beperking’. Salemans houdt zo weinig varianten over, dat hij gedwongen wordt zijn heil te zoeken bij type-1 formules (d.i. één tekst wijkt af van alle andere). Had hij de woordvolgorde-varianten meegenomen, dan had hij de ietwat vreemde stap halverwege de presentatie van de resultaten niet hoeven maken. Hier schrijft Salemans: ‘[This formula] became a type-1 formula; because we deal here with type-2 formulas, this formula is not really at its place here; this is, however, not a terrific error, because, as we will see within a few moments, we will use type-1 formulas after all.’ En een paar pagina’s verder voegt Salemans ineens 9 nieuwe (type-1)formules aan zijn set toe. Liever hadden we gezien hoe Salemans tot op het laatst toe geroeid zou hebben met de riemen waartoe hij zichzelf beperkt had, om dan uiteindelijk te kunnen constateren dat je zo een heel eind komt, maar dat je dan nog wat extra filologische inzichten nodig hebt om het karwei af te maken. Dat zou wat fraaier zijn geweest. Nu heeft hij handig het gras voor onze voeten weggemaaid.
Dan is er nog een kenmerk dat door Salemans streng gehanteerd wordt: ‘varianten in rijmpositie dienen aan rijmconventies te voldoen’. Dat is een goede eis, alleen laat Salemans na te formuleren wat die rijmconventies precies zijn. En prompt verwerpt hij varianten waarbij een groep teksten bijvoorbeeld ‘sprect’ laat rijmen met ‘seght’ en een andere groep ‘uyt-leght’ met ‘seght’.
02.524 Dat bid ic v dat ghi mi segt (vgl. alle andere tekstversies)
02.525 Ende die rechueerdicheyt spreect (vgl. de versies H/Br, G/L, A/M, K/W, K/G, K,K, R/LO, A/LI)
11.541 Ende die rechtvaerdicheyt uytleght (vgl. de versies U/P, U/LE, S/BO)
Het is natuurlijk zeer wel mogelijk dat in de respectievelijke dialecten, waarin de teksten geschreven zijn, de rijmen wel degelijk voldeden aan de conventies. Deze varianten (het zijn er een stuk of vijftien) hadden dan ook niet op grond van deze eis verworpen mogen worden.
Op deze kleinigheden na is het werk van Salemans een verademing om te lezen en bovendien een aansporing om andere teksttradities op vergelijkbare wijze onder de loep te nemen. Er ligt, zowel in de neerlandistiek als elders, nog een enorm braak terrein dat schreeuwt om ontginning en om de cultivering van mooie bomen.
| MNL Homepage | TNTL |