TNTL 117/3

Jan Noordegraaf

In skiednis fan ’e Fryske taalkunde / under red. fan Anne Dykstra en Rolf H. Bremmer Jr. - Ljouwert [Leeuwarden] : Fryske Akademy, 1999. - 372 p. ; 24 cm. - (FA ; nu. 890)

ISBN 90-6171-890-2 Prijs: f 45,--

In skiednis fan ’e Fryske taalkunde is een rijk boek, zoals dat heet. ‘[F]oar it earst’ (p. 11) wordt er een historisch overzicht gegeven van de geschiedenis van de meeste onderdelen van de Friese taalkunde. De zestien hoofdstukken zijn geschreven door in totaal twaalf auteurs, de beide redacteuren daarbij inbegrepen. Na een inleidend hoofdstuk door Feitsma, waarin de positie van het Fries in het algemeen wordt geschetst en de Friese taalkunde in een breder, West-Europees kader wordt geplaatst (p. 11-33), volgen de hoofdstukken die gewijd zijn aan onderscheiden vakonderdelen en deelonderwerpen. Ik som ze hier maar op in de volgorde waarin ze zijn afgedrukt, zodat de organisatie en zwaartepunten van het boek duidelijk worden. ‘Fora-Aldfrysk: In oersjoch’ (p. 34-74) is de titel van het omvangrijke tweede hoofdstuk, dat van de hand van Nielsen is. Het Oudfries komt voor rekening van Bremmer (‘De leksikografy fan it Aldfrysk’, p. 75-94) en Vries (‘Metodyk Aldfryske tekstútjeften’, p. 95-110). Boersma beschrijft zowel ‘De leksikografy fan it Midfrysk’ (p. 111-125) als ‘De taalkunde fan it Mydfrysk’ (p. 126-144). Feitsma bespreekt ‘Trije taalkundige fragmenten’ uit de zeventiende eeuw (p. 145-153) en geeft daarna een ‘Skiednis fan de stagering’ (p. 154-174). Ook de ‘Grammatika fan it Nijfrysk’ wordt door Feitsma besproken (p. 175-190), terwijl redacteur Dykstra tekent voor ‘De leksikografy fan it Nijfrysk’ (p. 191-212). Daarna komen nog andere aspecten van de Friese taalkunde aan de orde: ‘Taalsosjology en sosjolingwistyk in Fryslân’ (Ytsma, p. 213-227), ‘Westerlauwerskfryske dialektology’ (Versloot, p. 228-241), ‘De taalnoarm’ (Hiemstra, p. 242-279), terwijl Gildemacher de ‘Fryske nammekunde’ in kaart brengt (p. 280-300). De bijdragen over ‘Eastfryske taalkunde’ (Kramer, p. 301-327) en ‘Noardfryske taalkunde’ (Wilts, p. 328-353) sluiten het boek af. Het geheel wordt afgerond met een register voor zowel namen als zaken (p. 354-372).

De wordingsgeschiedenis van In skiednis heeft zich uitgestrekt over zo’n tien jaar en blijkt niet zonder problemen geweest te zijn. Zo is het bijvoorbeeld niet mogelijk geweest een auteur voor het onderdeel Oudfriese grammatica aan te trekken, terwijl dreigende andere lacunes voor vertraging zorgden in de oorspronkelijke planning. Bij alle bijdragen staat daarom het jaar van voltooiing vermeld; de meeste stukken zijn overigens van 1997 of later. Enkele oudere hoofdstukken zijn bijgewerkt tot 1999. Het opnemen van een paar kaartjes had overigens verhelderend kunnen zijn.

In skiednis is beslist een ‘Fundgrube’ voor een ieder die geïnteresseerd is in (de geschiedenis van) de studie van het Fries, en dus ook voor neerlandici van diverse denominatie. Het boek geeft een schat aan informatie en biedt waardevolle historische overzichten van de standpunten binnen de frisistiek. Verantwoording en afwerking van het geheel acht ik weliswaar voor verbetering vatbaar, maar dat doet niets af aan het belang van het werk: niemand die in de komende jaren iets wil beweren over de geschiedenis van de Friese taalkunde zal om Dykstra en Bremmer 1999 heen kunnen.


| MNL Homepage | TNTL |