TNTL 117/3
Rob van de Schoor
De geschiedenis in balkostuum : de historische roman in de Nederlandse literaire kritiek (1808-1874) / J.R. van der Wiel. - Leuven ; Apeldoorn : Garant, 1999. - 770 p. ; 24 cm. - (Literatuur in veelvoud ; nr. 12) Ook verschenen als proefschrift Universiteit Utrecht.
ISBN 90-5350-871-6 Prijs: f 96,--
Voor de studie van de negentiende-eeuwse letterkunde is het bijzonder verheugend dat er sinds de dissertatie van W. Drop, Verschijningsvormen van de Nederlandse historische roman in de negentiende eeuw (Assen, 1958) weer eens een kloek boek is verschenen over de historische roman, zij het dan in de spiegel van de contemporaine kritiek. De historische roman is het omvangrijkste maar ook meest verguisde onderwerp uit de literatuurgeschiedenis van de negentiende eeuw. Een boek dat erin zou slagen dit comateuze Doornroosje wakker te kussen door nieuwe onderzoeksperspectieven te openen of door de kritische reflectie op de historische roman met een concreet analysemodel toegankelijk te maken voor het universitaire onderwijs, zou een belangrijke bijdrage leveren aan de neerlandistiek. Hoewel Joke van der Wiel met haar boek geen impuls beoogde te geven aan hedendaagse vormen van ‘studentgericht onderwijs’, leent haar lijst van onderwerpen die in kritieken van historische romans ter sprake worden gebracht (‘waarover spraken zij’, p. 26), zich goed voor didactische toepassing. Of evenwel aan het eerstgenoemde desideratum, dat meer past bij de ambities van de schrijfster, wordt tegemoet gekomen, kan worden betwijfeld. Het boek timmert met zijn globale benadering de boel eerder dicht. Bovendien doet het boek door zijn omvang en de vermoeiende stijl waarin het is geschreven, soms weinig onder voor de versmade historische romans van Bosboom-Toussaint, Oltmans en Van Lennep, met hun vele honderden dichtbedrukte bladzijden.
De studie van Van der Wiel biedt een overzicht van de kritische reacties op de historische roman, verdeeld over een aantal periodes: vóór Loosjes; van Loosjes tot Scott, 1808-1824; de tijd van de Scottomanie en de doorwerking daarvan (met de dood van Scott in 1832 als ‘puntkomma’ in deze periode), 1824-1832, 1833-1848; en de tijd waarin de historische roman zich verder ontwikkelde, 1848-1875). De kritieken zijn geschreven door invloedrijke en kundige critici als Potgieter, Bakhuizen van den Brink en Huet, maar ook door talloze anonymi en onbekende recensenten. De historische romans waarover zij handelen, zijn geschreven door bekende en vergeten auteurs, van Bosboom-Toussaint tot Diest Lorgion. Met vaste hand heeft de schrijfster het materiaal geordend en geanalyseerd en daarmee een imposante constructie opgetrokken, waarin zij de ontwikkelingen in het kritische standpunt ten aanzien van romans met een historische stof kan duidelijk maken.
Toch bekruipt de lezer van dit boek de vraag of deze aanpak wel de beste is. Zou Van der Wiel niet tot dezelfde bevindingen zijn gekomen als zij zich had beperkt tot de recensies van enkele gerenommeerde recensenten? Zij had dan de principiële moeilijkheid ontweken van uitlatingen van volstrekt onbekende critici te moeten duiden, wier literatuuropvatting in de enkele regels die zij van hen onder ogen heeft gehad, verborgen blijven. Potgieter en Bakhuizen mogen dan hun eigen voor- en afkeuren hebben, hun typische opvattingen over het genre, de kritiek en de Nederlandse literatuur in bredere zin, maar die zijn ons tenminste in grote lijnen bekend. De taakverlichting die het gevolg zou zijn van een beperking tot enkele bekende critici, zou tijd vrijmaken voor lezing van de gerecenseerde boeken: een voorwaarde voor een doeltreffende analyse van de kritieken. Nu kan de schrijfster alleen verontschuldigend wijzen op de torenhoge stapel boeken die in haar dissertatie, ingepakt in kritische beschouwingen, verborgen ligt. Maar ook haar eenzijdig literaire belangstelling voor de kritieken, waarin vaak ook breedvoerig wordt ingegaan op de historiografische merites van het besproken boek, is een aanvechtbare beperking. Veel van de vaderlandse (kerk)geschiedenis in de historische romans had voor de negentiende-eeuwers immers nog een bijzonder actuele betekenis. Het is daarom jammer dat dit aspect buiten beschouwing wordt gelaten in de bespreking van het interessante Leycesterdebat tussen Hugo Beijerman en J.A.M. Mensinga (p. 414-447). Daarom ook mist Van der Wiel, in haar bespreking van Bakhuizens kritiek op Diest Lorgions roman Hubertus Duifhuis, een tafereel uit den tijd der kerkhervorming (p. 546-547), de actuele betekenis van een roman over deze ‘protestantse priester’ uit Utrecht: Diest Lorgion was partijganger van de Groninger richting. De recensent in de Vaderlandsche Letteroefeningen (1855) I, p. 420-424, verwijt Diest Lorgion daarom een ahistorische belangstelling voor de zestiende-eeuwer Duifhuis, die onder de handen van de auteur was omgevormd tot de belichaming van de Groninger beginselen. Deze bespreking, die Van der Wiel niet noemt, werpt een ander licht op de recensie van Bakhuizen.
Joke van der Wiel geeft onomwonden de tekortkomingen en beperkingen van haar onderzoeksmethoden aan. Herhaaldelijk onderkent ze dat op de waarde van haar berekening van de ‘gulden snede’ van de door haar geanalyseerde kritieken het nodige valt af te dingen, zonder dat ze zich afvraagt of de legitimiteit van haar aanpak niet in het geding komt. Soms werpt ze bezwaren ook verre van zich. In haar inleiding staat zij stil bij het probleem van de gebrekkige of zelfs ontbrekende kennis van de literatuuropvatting van de (anonieme) criticus die aan het woord wordt gelaten. Ze verwijst naar Kloeks onderzoek naar de ontvangst van Goethes Werther in Nederland om dit probleem te relativeren (p. 28): ‘Tot de complicerende factoren [die zich voordoen bij ‘de duiding van concretisaties en evaluaties’] behoort de interferentie van literairpolitieke of literairdidactische overwegingen, die een discrepantie kunnen scheppen tussen privésmaak en beleden oordeel. Ook als men slechts op deze laatste, voor lezersconsumptie geschikt bevonden waardering dichtvaart, blijft het meestal een raadsel hoe hoog bijvoorbeeld de drempel van verveling is of waar -- een in mijn geval zeer relevante vraag -- de dichterlijke vrijheden die een auteur zich permitteert de tolerantiegrens van de criticus overschrijden.’ De hier moeizaam onder woorden gebrachte, mogelijk bestaande discrepantie tussen de werkelijk beleefde en de opgeschreven waardering van het boek, vormt geen vrijbrief voor de onderzoeker om nu maar geen pogingen meer in het werk te stellen de literatuuropvatting van de criticus uit zijn opgeschreven kritieken te achterhalen. Anders komen we snel tot het inzicht ‘dat je er eigenlijk helemaal niks van kunt zeggen’.
Veel belangwekkends gaat kopje onder in de veelheid gegevens en breedvoerige analyses in dit boek, die soms moeilijk te volgen zijn als men de betreffende kritiek niet eerst gelezen heeft (bijvoorbeeld Potgieters bespreking van Schuts Galama). Een belangrijke observatie die wel ruim aandacht krijgt, de vaststelling dat gaandeweg de periode 1848-1875 de roep luider wordt om de verworvenheden van het genre toe te passen op eigentijdse stof, wordt niet uitgewerkt, bijvoorbeeld door toetsing aan gegevens over het aantal historische romans dat, vertaald of origineel, in Nederland in deze periode verscheen (de ‘toestand op de Nederlandse boekenmarkt’ valt buiten het kader van deze studie: p. 27), of aan documentatie betreffende de auteurs van deze boeken, of de waarde die we moeten toekennen aan de verschillende critici uit wier geschriften zij deze observatie optekent. (Hoe vaak moet trouwens een bepaalde observatie door critici gedaan worden, en door welke critici, voor je kunt spreken van: ‘men’ verlangde dit of dat?) Wie bijvoorbeeld de noten bij hoofdstuk IX bekijkt, die de betreffende stelling documenteren, moet opmerken dat enkele kritieken van zeer uiteenlopende betekenis zeer nauwgezet en langdurig geanalyseerd worden. Aan de beoordelingscriteria die critici uit de periode 1833-1848 zeggen te hanteren en die, samenvattend geformuleerd, ook Van der Wiel zelf weinig spectaculair vindt, wordt door de schrijfster toch een bijzondere betekenis toegekend tegen de achtergrond van de veranderingen die de historische roman in deze periode ondergaat (p. 449), terwijl de auteur elders beweert dat die ontwikkelingen buiten haar gezichtsveld vallen en geen object van onderzoek vormen (p. 23). Ook zou een vergelijkbare ontwikkeling bij de beoordeling van ‘eigentijdse’ romans de veronderstelde normverschuiving in deze periode bij de beoordeling van historische romans ondersteunen, zonder dat die beoordeling systematisch is onderzocht: ook dat valt buiten het bestek van deze studie.
Er schuilt een groot gevaar in de schematisering van het kritische materiaal in dit boek en het siert de schrijfster dat zij over de tekortkomingen van haar aanpak eerlijke en behartenswaardige uitspraken doet. Maar het probleem blijft dat zij, met haar grote werkkracht, vele bladzijden kritisch proza volgens haar methode heeft geïnterpreteerd en heeft ingepast in het model van haar boek, zodoende andere onderzoekers ontmoedigend om dezelfde kritieken nog op een andere manier te bestuderen. Onderzoek waarin bijvoorbeeld alle kritieken van één criticus of één tijdschrift worden geanalyseerd, wordt dan al gauw ervaren als een doublure, waar het juist de open plekken van De geschiedenis in balkostuum zou kunnen invullen.
De studie van Van der Wiel is niet de enige waarin een globale analyse wordt gegeven van goeddeels onbekend materiaal: Jacqueline Bel (Nederlandse literatuur in het fin de siècle. Een receptie-historisch overzicht van het proza tussen 1885 en 1900. Amsterdam [1993]) en Toos Streng (‘Realisme’ in de kunst- en literatuurbeschouwing in Nederland tot 1875. Een begripshistorische studie. Amsterdam [1995]) zijn haar hierin voorgegaan. Ik vind dat er bij de uitvoering van dit soort onderzoek een vraagteken geplaatst kan worden, omdat deze studies globaal moeten zijn, maar toch pretenderen van alles aan het licht te brengen: bevindingen die alleen door kleiner, gericht onderzoek kunnen worden geschraagd of tegengesproken. Maar ondertussen zal er wel niemand meer zijn die bijvoorbeeld een onderzoek instelt naar, om eens wat te noemen, de literatuuropvatting van De Tijdspiegel in het fin de siècle.
Hoofdstuk I van De geschiedenis in balkostuum bevat de verslaglegging van een academische exercitie, die, hoe men ook mag denken over het nut ervan, in elk geval niets heeft opgeleverd. Ware het dan niet beter geweest dit in enkele regels te melden? Geen tochtje zonder vrucht, zeker, maar een dissertatie waarin zonder veel omhaal van woorden wordt uitgelegd dat een bepaalde, op zichzelf legitieme vraag, niets opleverde, kan andere onderzoekers behoeden voor soortgelijke excursies.
| MNL Homepage | TNTL |